id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.891 Rolnummer: Zaak: Arrêt / Arrest 139891 - / - 27/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-10 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-07-02 07:32 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 139.891 van 27 januari 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.891 van 27 januari 2005 I. A.107.208/V-1616 II. A.107.210/V-1617 In zake : GRIJP Rufijn, die woonplaats kiest bij Mr. M. UYTTENDAELE, advocaat, Kapitein Crespelstraat 2-4 1050 Brussel, tegen : I.
- het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Anderlecht, dat woonplaats kiest bij Mr. F. TULKENS en Mr. K. RONSE, advocaten, Louizalaan 523 1050 Brussel,
- de Gouverneur van het administratief arrondissement BRUSSEL-HOOFDSTAD, dat woonplaats kiest bij Mr. Ph. LEVERT, advocaat, Louizalaan 149/21 1050 Brussel. II. het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Anderlecht, dat woonplaats kiest bij Mr. F. TULKENS en Mr. K. RONSE, advocaten, Louizalaan 523 1050 Brussel. Tussenkomende partij : I. + II. DE MUIJLDER Yves, die woonplaats kiest bij Mr. E. GILLET en Mr. P. THIEL, advocaten, Brand Whitlocklaan 30 1200 Brussel. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, V - 1616 - 1/12 Gezien het verzoekschrift dat Rufijn GRIJP op 9 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
- de beslissing van 22 mei 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht waarbij deze, akte nemend van het besluit van 11 mei 2001 van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, houdende schorsing van zijn beslissing van 2 april 2001 waarbij Rufijn GRIJP tot voorzitter van de voornoemde raad werd verkozen, zijn beslissing van 2 april 2001 intrekt;
- het voornoemde besluit van 11 mei 2001 van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad (A. 107.208/V-1616); Gezien het verzoekschrift dat Rufijn GRIJP op dezelfde dag heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 mei 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht, waarbij deze Yves DE MUIJLDER verkiest tot voorzitter van de raad (A. 107.210/V-1617); Gelet op het arrest nr. 105.635 van 18 april 2002, waarbij de zaken worden samengevoegd, de tenuitvoerlegging van de genoemde beslissingen van 22 mei 2001 wordt geschorst en de vorderingen tot schorsing voor het overige worden afgewezen; Gelet op de kennisgeving van het arrest aan de partijen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend op 5 juni 2002 door de eerste verwerende partij; Gezien de op 31 mei 2002 ingediende verzoekschriften, waarbij Yves DE MUIJLDER vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2002, waarbij die tussenkomsten worden toegestaan; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en de memorie van wederantwoord en de toelichtende memorie; Gezien de memorie van tussenkomst; V - 1616 - 2/12 Gezien het verslag van de heer M. LEFEVER, eerste auditeur bij de Raad van State, opgemaakt op grond van artikel 12 van het algemeen procedurereglement; Gelet op de beschikking van 3 april 2003, waarbij de neerlegging van het dossier en het verslag ter griffie wordt gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2003, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 20 november 2003 om 14.30 uur, datum waarop zij voor onbepaalde tijd is uitgesteld; Gezien het op 6 november 2003 ingediende verzoekschrift, waarbij Yves DE MUIJLDER, de tussenkomende partij, de wraking vordert van de heer J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, en van de heren P. LIENARDY en L. HELLIN, staatsraden; Gezien het arrest nr. 132.060 van 4 juni 2004 waarbij de vordering tot wraking wordt afgewezen; Gelet op de beschikking van 2 augustus 2004, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 september 2004 om 14.30 uur; Gehoord het verslag van de heer J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter; Gehoord de opmerkingen van Mr. E. JACUBOWITZ, loco Mr. UYTTENDAELE, advocaat, die voor de verzoekende partij verschijnt, van Mr. G. FINCK, loco Mr. Fr. TULKENS, advocaat, die voor de eerste verwerende partij verschijnt en van Mr. S. BOULLART, loco Mrs. E. GILLET en P. THIEL, advocaat, die voor de tussenkomende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van de heer M. LEFEVER, eerste auditeur; V - 1616 - 3/12 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaken werden samengevat in het arrest nr. 105.635 van 18 april 2002;
- Overwegende dat het schorsingsbesluit van 11 mei 2001 van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad geen voor vernietiging vatbare handeling uitmaakt; dat uit de samenlezing van de artikelen 111, §3, en 112 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn immers volgt dat de schorsing een louter voorbereidende handeling is; dat het eerste beroep niet ontvankelijk is wat zijn tweede voorwerp betreft; 3.
- Overwegende dat de verzoeker in de beide zaken als middel aanvoert dat enerzijds het intrekkingsbesluit en anderzijds de nieuwe verkiezing van de voorzitter steunen op naar recht niet aanvaardbare motieven omdat de reden waarop het intrekkingsbesluit is gesteund, nl. de onregelmatigheid van de eerste verkiezing, onjuist is, daar deze verkiezing door geen enkele onwettigheid was aangetast; dat verzoeker vervolgens uiteenzet waarom geen van de drie motieven waarop de intrekking steunt als een aanvaardbaar motief kan worden beschouwd; 3.1.1.
- Overwegende dat wat betreft het motief dat de stembiljetten niet conform het intern reglement waren opgemaakt, verzoeker vooreerst stelt dat de intrekkingsbeslissing op generlei wijze toelicht waarin de stembiljetten niet conform het intern reglement waren en dat dit bijgevolg geen objectief, relevant en wettelijk toelaatbaar motief uitmaakt dat de beslissing van 22 mei 2001 kan ondersteunen; dat hij voorts argumenteert dat, ofschoon de regelmatigheid van de stembiljetten was bekritiseerd door meerdere klagers tijdens de procedure voor de gouverneur, dat gegeven niet was onderzocht door de raad voor maatschappelijk welzijn tijdens zijn beraadslaging van 22 mei 2001 en dus ook geen motief kan uitmaken waarop de bestreden beslissing tot intrekking kan steunen; dat verzoeker in ondergeschikte orde meent dat de stembiljetten wel degelijk overeen stemden met de wettelijke voorschriften omdat, vooreerst, het feit dat niet enkel de namen van de kandidaten voor het voorzitterschap op de stembiljetten voorkwamen maar ook de namen van de raadsleden die geen kandidaat waren niet tot gevolg heeft dat de stembiljetten onregelmatig waren daar, wijl er voor het ambt van voorzitter geen voordracht moet worden gedaan, ook niet vereist is dat enkel de namen van de voorgedragenen V - 1616 - 4/12 voorkomen op de stembiljetten en, vervolgens, de vermelding van alle leden op het stembiljet geen nadeel heeft veroorzaakt daar alle stemmen werden uitgebracht op de twee leden die daadwerkelijk kandidaat waren voor het voorzitterschap; dat verzoeker besluit dat de vermelding van de namen van al de leden op de stembiljetten geen verwarring heeft doen ontstaan die de stemming zou hebben beïnvloed; 3.1.1.
- Overwegende dat wat betreft het verwijt dat de stembiljetten een vak "onthouding" bevatten daar waar volgens artikel 23 van het huishoudelijk reglement de onthouding gebeurt door het afgeven van een blanco stembriefje, verzoeker zich vooreerst afvraagt welk nadeel dit aan de leden kan hebben berokkend nu blijkt dat geen enkel lid het vakje onthouding heeft ingevuld; dat daarenboven volgens hem de bepaling van artikel 23 voornoemd strijdig is met artikel 33, §4, van de organieke wet hetwelk bepaalt dat "er (...) geen rekening (wordt) gehouden met de onthoudingen en de blanco of nietige stembiljetten"; dat derhalve de organieke wet veel meer stemmogelijkheden biedt dan het huishoudelijk reglement vermits de raadslieden ja of neen kunnen stemmen, zich onthouden of een blanco of nietig stembiljet indienen; 3.1.
- Overwegende dat wat het herkenbaar karakter van twee stembiljetten betreft, verzoeker vooreerst stelt dat de twee stembiljetten duidelijk en begrijpelijk de intentie van degenen die de stemmen hebben uitgebracht kenbaar maakten, wat trouwens blijkt uit het feit dat de stemopnemers op geen enkel ogenblik hebben getwijfeld voor welke kandidaat de stem werd uitgebracht, en dat ze daarnaast ook geen inbreuk op het geheim van de stemming inhielden, daar ze geenszins toelaten de identiteit van de stemmer te kennen; dat verzoeker betoogt dat de rechtspraak van de Raad van State aldus gevestigd is dat, opdat er een schending zou zijn van het geheim karakter van de stemming, vereist is dat het onderscheidingsteken dat op de stembiljetten is aangebracht het mogelijk maakt degene die de stem uitbracht te identificeren; 3.1.
- Overwegende dat ook de wijze waarop de stemmen werden geteld volgens verzoeker geen enkele substantiële onregelmatigheid bevat: de telling gebeurde immers door de secretaris, op het bureau van de voorzitter en in diens aanwezigheid, met bijstand van de twee jongste leden van de raad voor maatschappelijk welzijn; dat hij wat dat betreft verwijst naar een verklaring die daarover werd afgelegd door één van de raadsleden en meent dat daaruit onbetwistbaar blijkt dat de voorzitter van de vergadering wel degelijk aan de telling V - 1616 - 5/12 heeft deelgenomen; dat daarenboven volgens verzoeker geenszins is aangetoond dat de wijze waarop de telling werd uitgevoerd aanleiding heeft gegeven tot een verkeerde telling van de stembiljetten en overigens geen der leden van de raad tijdens de verrichtingen zich verzet heeft tegen de manier waarop tewerk gegaan werd; 3.2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij, wat betreft het feit dat de namen van alle leden van de raad voorkwamen op de stembiljetten, antwoordt dat dit niet strookt met het principe van verkiezingen; dat volgens haar dat principe inhoudt dat alleen de namen van de kandidaten worden vermeld en dat men dan per kandidaat een stem, hetzij een ja-stem, hetzij een neen-stem kan uitbrengen of blanco kan stemmen, doch dat in casu er ook nog een onthoudingsstem kon worden uitgebracht; 3.2.
- Overwegende dat in verband met de onregelmatigheid van twee stembiljetten de eerste verwerende partij antwoordt, verwijzende naar rechtspraak van de Raad van State, dat bij een geheime stemming een stem geen mogelijkheid tot identificatie mag geven en dat terecht werd geoordeeld dat de twee stembiljetten die anders werden ingevuld dan gevraagd tot identificatie van de stemmer konden leiden en dus het principe van de geheime stemming schonden; 3.2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij tenslotte betoogt dat uit het verloop van de telverrichtingen blijkt dat onbetwistbaar niet enkel werd geteld door de voorzitter, de secretaris en het jongste lid van de raad, zoals wordt voorgeschreven door het huishoudelijk reglement; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij vooraf stelt dat elk van de drie redenen waarop de intrekking is gesteund een voldoende motief uitmaakt en dat die intrekking dus slechts als onregelmatig zou kunnen worden bevonden indien geen van de drie motieven aanvaardbaar zou zijn; 3.3.
- Overwegende dat zij betwist dat het motief dat "de stembiljetten niet conform (zijn) aan het intern reglement van orde" onvoldoende uitgewerkt zou zijn om als een geldig motief te kunnen worden beschouwd; dat volgens haar de formele motiveringsplicht immers niet vereist dat de motieven van de motieven, in casu dan de redenen waarom de biljetten niet conform zouden zijn geweest, vermeld moeten worden en dat het tevens zo is dat het afdoende karakter van de motieven ook bekeken moet worden in functie van de kennis die de betrokkenen hebben van het V - 1616 - 6/12 dossier; dat in casu het de verzoeker bekend was wat aan de biljetten werd verweten vermits dit voor de gouverneur tegensprekelijk werd behandeld; dat trouwens ook uit het verzoekschrift blijkt dat hij wel degelijk weet waarom de bulletins als niet conform werden beschouwd, aangezien hij die redenen in zijn verzoekschrift uitgebreid probeert te weerleggen; dat de tussenkomende partij besluit dat verzoeker dus niet geschaad is door de wijze waarop dit motief is geformuleerd; dat wat het motief zelf betreft, zij stelt dat het vermelden van de namen van alle raadsleden op de stembiljetten deze verzwaren en bovendien verwarring zaaien; dat zij er in dat verband op wijst dat de burgemeester aan de secretaris van het OCMW liet weten dat, indien acht leden zich onthielden bij de stemming over de goedkeuring van het proces-verbaal van de zitting van 2 april 2001, dit precies was omwille van het verwarrende aspect van de stembriefjes die hen waren voorgelegd; dat zij tevens het huishoudelijk reglement miskennen wat betreft de wijze waarop een onthouding moet worden aangegeven, doordat zij een vakje onthouding bevatten dat dus in dat geval zwart moest worden gemaakt terwijl artikel 23 van het huishoudelijk reglement bepaalt dat de onthouding wordt uitgedrukt door een blanco stembiljet af te geven; 3.3.
- Overwegende dat wat betreft de herkenbaarheid van een uitgebrachte stem, de tussenkomende partij vooreerst opmerkt dat verzoeker de werkelijkheid verdraait waar hij stelt dat bij het tellen van de stemmen er geen opmerkingen over werden gemaakt: bij de stemming over de notulen van de vergadering van 2 april 2001 heeft de tussenkomende partij een opmerking gemaakt over het verwarrend karakter van de stembiljetten en over de regelmatigheid van een uitgebrachte stem, zoals de burgemeester nadien deed toevoegen aan het proces-verbaal; dat wat de grond van het motief betreft, de tussenkomende partij stelt dat het bulletin waarop twee stemmen voorkwamen duidelijk herkenbaar was en dat alzo het geheim van de stemming was geschonden: opdat het geheim van de stemming als geschonden kan worden beschouwd volstaat het dat de stem herkenbaar zou zijn voor minstens twee personen, terwijl niet is vereist dat eender wie de stemmer zou kunnen identificeren; dat de tussenkomende partij daarvoor verwijst naar het arrest nr. 38.062, DE HERDT, van 9 november 1991, waarin het volgende werd overwogen : "dat het geheim van de stemming ertoe strekt ervoor te zorgen dat niet kan worden archterhaald wie welke stem heeft uitgebracht en dat de stemmers hun vrijheid behouden teneinde elke onderlinge beïnvloeding van de raadsleden te voorkomen; dat het geheim van de stemming bijgevolg veronderstelt dat gestemd wordt volgens regels die door alle stemmers onveranderlijk worden toegepast; dat het gebruik van een balpen met groene inkt door één enkele stemmer het aldus mogelijk maakt te V - 1616 - 7/12 achterhalen wie de stem heeft uitgebracht en bijgevolg afbreuk doet aan de anonimiteit - en dus aan het geheim - van de stemming; dat die schending van het geheim van de stemming los staat van de vraag of zij de uitslag van de stemming heeft kunnen beïnvloeden"; dat zij daaruit afleidt dat het geheim karakter van de stemming tot doel heeft de onafhankelijkheid van de stemmers te waarborgen en te verhinderen dat bij de stemming eender welke druk op hen zou kunnen worden uitgeoefend; dat de tussenkomende partij besluit dat die schending van het geheim van de stemming op zich volstaat om de intrekking te verantwoorden daar aldus een substantiële vorm voortvloeiend uit artikel 33 van de wet van 8 juli 1976 werd geschonden; dat zij ten slotte de stelling verwoord in het schorsingsarrest dat het bulletin niet onregelmatig was omdat niet blijkt dat het de intentie was van de stemmer om zijn stem herkenbaar te maken, niet in overeenstemming acht met de rechtspraak volgens welke het niet vereist is dat derden aan de uitgebrachte stem zouden kunnen zien wie ze heeft uitgebracht maar dat het volstaat dat het bulletin op zich herkenbaar is; dat volgens haar een dergelijk subjectief criterium, nl. de intentie van degene die de stem uitbracht, zo goed als onmogelijk te bewijzen is; dat zij ook verwijst naar het standpunt dat terzake werd gehuldigd in het auditoraatsverslag dat in de kortgedingprocedure werd opgemaakt; 3.3.
- Overwegende dat wat betreft de wijze waarop de stemmen werden geteld de tussenkomende partij de mening is toegedaan dat enkel aandacht kan worden besteed aan wat vermeld is in de notulen, die voor waar moeten worden gehouden wanneer ze niet van valsheid werden beticht; dat volgens die notulen de stemmen werden geteld door de secretaris en de twee jongste raadsleden, wat in strijd is met de voorschriften van het huishoudelijk reglement hetwelk bepaalt dat de telling moet geschieden door de voorzitter tezamen met het jongste raadslid en de secretaris; dat zij verder stelt dat de bepalingen van het reglement van inwendige orde niet dezelfde kracht hebben als de wet: zij binden alleen de leden van het beslissend orgaan en om die reden is een beslissing die is genomen met schending van de bepalingen van het reglement van inwendige orde niet automatisch onregelmatig en vernietigbaar; dat met verwijzing naar het arrest DE GREEF, nr. 97.473, van 5 juli 2001, de tussenkomende partij betoogt dat de niet naleving van het intern reglement slechts dan tot de vernietiging van de verkiezing zal leiden indien zij het verloop van de stemming en het resultaat ervan heeft kunnen beïnvloeden; dat volgens haar, vermits het telbureau zich ook moet uitspreken over de geldigheid van de stemmen en er in casu in de notulen werd genoteerd dat één der stemmen op een niet conforme wijze was ingevuld terwijl de gouverneur van oordeel was, zoals het auditoraat in het kader van de kortgedingprocedure, dat er V - 1616 - 8/12 twee stemmen herkenbaar waren, een anders samengesteld bureau een ander oordeel had kunnen uitbrengen over de geldigheid van de uitgebrachte stemmen en alzo tot een ander stemresultaat had kunnen komen, wat des te meer plausibel is daar de verzoeker werd verkozen met slechts één stem verschil, zodat één of meerdere ongeldige stemmen tot de verkiezing van de tussenkomende partij hadden kunnen leiden; 3.4.
- Overwegende wat het enkel in het bestreden intrekkingsbesluit - niet in het schorsingsbesluit van de gouverneur - aangewende motief betreft als zouden de stembiljetten niet conform het huishoudelijk reglement zijn geweest, dat verzoeker moet worden bijgevallen waar hij stelt dat in de gegeven omstandigheden het feit dat de namen van alle leden waren vermeld op het stembiljet en dat er een apart vak was voor onthouding, geen aanleiding heeft gegeven tot enig misverstand, aangezien uitsluitend stemmen werden uitgebracht op personen die zich kandidaat hadden gesteld en geen enkel lid het vakje "onthouding" heeft ingevuld; dat opmerkingen wat dat betreft pas voor het eerst werden geformuleerd na de vergadering van 2 april 2001; dat wat hierna sub 3.4.
- met betrekking tot de telling van de stemmen zal worden besloten, naar analogie ook geldt met betrekking tot de redactie van de stembiljetten; dat het onnodig is te onderzoeken in hoeverre die biljetten al dan niet overeenstemden met de voorschriften van het huishoudelijk reglement of van hogere rechtsnormen; 3.4.
- Overwegende wat het motief dat twee stemmen herkenbaar waren betreft, dat een nazicht van de stembiljetten leert dat deze naast de namen van alle leden van de raad telkens drie vierkante vakjes bevatten met respectievelijk de betekenis "ja", "neen" en "onthouding"; dat behoudens wat twee stembiljetten betreft, alle stemmen erop werden uitgebracht door het volledig rood maken van het vakje "ja" naast de naam van verzoeker
(6)of van de tussenkomende partij
(5); dat de twee afwijkende stemmen er als volgt uitzien: op het ene stembiljet zijn de vakjes "ja" naast de naam GRIJP en "neen" naast DE MUIJLDER beide rood gemaakt, op het andere stembiljet bevat het vakje "ja" naast DE MUIJLDER" enkel een rood kruisje en is het dus niet volledig opgevuld; dat samen met de verzoeker kan worden aangenomen dat op die twee stembiljetten aldus duidelijk de wil tot uiting kwam om een stem uit te brengen op verzoeker, respectievelijk de tussenkomende partij; dat de vraag echter rijst of aan die van de andere stembiljetten afwijkende stemwijze de bedoeling voorlag de stemmen herkenbaar te maken; V - 1616 - 9/12 Overwegende dat, wanneer desbetreffend geen precieze regels bestaan, niet kan worden aangenomen dat alle stemmen die afwijken van de wijze waarop de meerderheid van de kiezers hun stem uitgebracht hebben, de bedoeling hadden de kiezer kenbaar te maken; dat de gebruikelijke wijze van stemmen bij de verkiezing van personen erin bestaat dat de stem uitgebracht wordt door een teken aan te brengen of een vakje aan te strepen naast de naam van de te verkiezen persoon of dat die naam voluit geschreven wordt op een blanco stembiljet, niet door met "ja" of "neen" te stemmen; dat wanneer zoals ter zake het stembiljet toch de mogelijkheid biedt om "neen" te stemmen, degene die van die mogelijkheid gebruik maakt niet kan worden verweten dat te hebben gedaan en uit die wijze van stemmen niet zonder meer kan worden afgeleid dat het zijn bedoeling was zijn stem herkenbaar te maken; dat uit geen stuk van het dossier blijkt dat aan de leden van de raad zou zijn aangeraden enkel met "ja" voor een van de kandidaten te stemmen; dat ter vergadering van 2 april 2001 na het bekend maken van de uitslag ter zake geen opmerkingen werden geuit, evenmin als met betrekking tot die uitslag zelf, wat kon worden verwacht indien deze niet aan de prognoses beantwoordde; dat die opmerkingen er pas veel later gekomen zijn en wel nadat de tussenkomende partij al een bezwaar had ingediend bij de gouverneur; dat ook het invullen van het stemvakje door middel van een kruisje niet noodzakelijk als onregelmatig kan worden beschouwd; dat die werkwijze zelfs gebruikelijk is als de stem moet worden uitgebracht in een vierkantje naast de naam van de kandidaat en niet door het opvullen van het bolletje binnen een zwart vierkant, zoals het geval is bij parlements- en gemeenteraadsverkiezingen; dat ook wat dat betreft moet worden gewezen op de afwezigheid van opmerkingen voor of na de stemming; dat bijgevolg noch in het ene noch in het andere geval aangetoond is dat het de bedoeling was de stem herkenbaar te maken, in tegenstelling tot wat in het schorsingsbesluit van de gouverneur en het daarop gesteunde intrekkingsbesluit wordt aangenomen; 3.4.
- Overwegende wat verzoekers grief betreft aangaande het schorsings- en intrekkingsmotief dat de stemopneming niet verricht was door de personen die het huishoudelijk reglement daarvoor aanwijst, dat niet wordt betwist dat ter zake dat huishoudelijk reglement niet werd nageleefd; dat verzoeker enkel stelt dat die verkeerde werkwijze geen aanleiding heeft gegeven tot enige vastgestelde onregelmatigheid; dat wat het tegenargument betreft als zou de samenstelling van het bureau de openbare orde raken, moet worden opgemerkt dat het hier niet gaat om een door de wet opgelegde substantiële formaliteit en om de samenstelling van de raad voor maatschappelijk welzijn zelf, maar om een regel uit het huishoudelijk reglement betreffende de wijze waarop de besluitvorming tot stand komt, die noch V - 1616 - 10/12 substantieel blijkt te zijn noch op straffe van nietigheid is voorgeschreven; dat bovendien moet worden opgemerkt dat de stemopneming plaats had in aanwezigheid en onder het toezicht van alle leden van de raad en dat geen enkel lid tijdens de vergadering van 2 april 2001 desaangaande een opmerking heeft laten notuleren; dat de opmerkingen van tussenkomende partij en zijn medestanders betreffende hun onthouding bij de goedkeuring van de notulen bovendien niet werden gedaan ter gelegenheid van die goedkeuring zelf, doch naderhand werden toegevoegd; dat naar analogie met wat aangenomen wordt in verband met de verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn of, ruimer, inzake verkiezingen in het algemeen, een onregelmatige samenstelling van het "bureau" alleen dan tot vernietiging moet leiden wanneer blijkt dat die onregelmatigheid de uitslag van de stemming kan hebben beïnvloed, wat ter zake niet het geval is; dat hiervoor met betrekking tot de vraag of sommige stembiljetten op een afwijkende manier waren ingevuld is vastgesteld dat hoe dan ook de bedoeling om hetzij voor verzoeker hetzij voor de tussenkomende partij te stemmen duidelijk was; dat een anders samengesteld bureau wat dat betreft dan ook niet tot een andere interpretatie van de uitslag van de stemming zou zijn gekomen; dat m.a.w. de uitslag van de stemming niet kan zijn beïnvloed door de onregelmatige samenstelling van het bureau noch eventueel door de beweerde onregelmatigheid van de bedoelde stembiljetten; dat de gouverneur dan ook niet vermocht op die grond de verkiezing van de verzoeker tot voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn te schorsen noch die raad vermocht op dezelfde grond zijn besluit van 2 april 2001 in te trekken; 3.4.
- Overwegende derhalve dat het enig middel in zijn drie onderdelen gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden:
- de beslissing genomen op 22 mei 2001 door de raad voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht waarbij deze, akte nemend van het besluit van 11 mei 2001 van de gouverneur van het administratief arrondissement van Brussel-Hoofdstad, houdende schorsing van de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van 2 april 2001 waarbij Rufijn GRIJP tot voorzitter van de voornoemde raad werd verkozen, zijn beslissing van 2 april 2001 intrekt; V - 1616 - 11/12
- de beslissing genomen op 22 mei 2001 door de raad voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht waarbij deze Yves DE MUIJLDER verkiest tot voorzitter. De beroepen worden voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 1041,18 euro, komen ten lasten van de eerste verwerende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij Yves DE MUIJLDER. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op zevenentwintig januari tweeduizend en vijf, door : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Voorzitter, M.-Chr. MALCORPS. J. DE BRABANDERE. V - 1616 - 12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.891 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div