id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.934 Rolnummer: A. 152703/XII-4162 Zaak: Arrest 139934 - - 28/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-02 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 07:09 Fiche Arrest nr 139.934 van 28 januari 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.934 van 28 januari 2005 in de zaak A.152.703/XII-
(857)) Overwegende dat uit wat voorafging duidelijk kan worden afgeleid dat achtergestelde leningen juridisch gezien niet onder eigen kapitaal kunnen geboekt worden, maar enkel onder de post schulden, waardoor wel degelijk sprake is van een negatief eigen vermogen en dus ook van een negatieve solvabiliteitsratio; Overwegende dat artikel 36.4 duidelijk stelt dat de aanvrager, om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen, het bewijs moet leveren van zijn kredietwaardigheid en financiële draagkracht; Overwegende dat dit niet het geval is”; Overwegende dat op 5 maart 2003 de kansspelcommissie verzoekster een vergunning klasse B heeft verstrekt voor een kansspelinrichting klasse II te Roeselare; dat zij daartoe overwoog dat verzoekster over een convenant beschikt en voldoet “aan de andere voorwaarden van de wet van 7 mei 1999”, waaronder de voorwaarde dat de aanvrager het bewijs moet leveren van zijn kredietwaardigheid en financiële draagkracht; dat volgens de bestreden beslissing verzoekster dat bewijs een jaar later niet meer levert; dat nochtans tijdens de hoorzitting van 3 maart 2004 verzoekster uitvoerig, aan de hand van een brief van 2 maart 2004 en met stukken, had betoogd dat haar financiële situatie er sinds 2002 alleen maar op vooruitgegaan was, getuige de evolutie van vijf zogenaamde ratio’s (stuk 36 van verzoekster, pp. 10 en 11, met bijlage 20); dat de kansspelcommissie een vergelijking van verzoeksters financiële situatie anno 2004 met die anno 2003 evenwel uit de weg gaat, stellende dat zij “een beslissing ten gronde neemt op basis van de totaliteit van de stukken in XII-4162-8/14 betrokken dossier, losstaand van de andere dossiers die door de aanvrager bij de commissie werden geopend”; Overwegende dat deze verklaring niet lijkt te beletten dat, in zoverre de kansspelcommissie op een eerder aangenomen houding zou terugkomen, zoals ogenschijnlijk het geval is met betrekking tot verzoeksters kredietwaardigheid en financiële draagkracht, de kentering op een genoegzame reden dient te stoelen; dat luidens de nota die reden het arrest nr. 127.482 van de Raad van State, van 27 januari 2004, is, waarvan de commissie ten tijde van het verlenen van de vergunning van 5 maart 2003 voor verzoeksters kansspelinrichting te Roeselare uiteraard geen kennis kon hebben; Overwegende dat dit arrest de schorsing beveelt van de eerdere weigeringsbeslissing van 5 maart 2003 van de kansspelcommissie met betrekking tot verzoeksters kansspelinrichting te Kortrijk; dat met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het arrest in essentie overweegt dat “het risico van een faillissement niet uit te sluiten lijkt” indien verzoekster haar inrichting te Kortrijk niet kan openhouden; dat evenwel, zoals verzoekster met recht beklemtoont, één zaak is het risico van een faillissement als zij haar speelautomatenhal te Kortrijk moet sluiten, en een geheel andere zaak haar kredietwaardigheid en financiële draagkracht indien zij de inrichting juist niét moet sluiten; dat verzoekster niet zonder overtuigingskracht in dit verband opmerkt “dat voor nagenoeg alle commerciële vennootschappen geldt dat zij in ‘going concern’ kredietwaardig kunnen zijn en financiële draagkracht hebben, terwijl wanneer hun exploitatie moet worden stopgezet zij inderdaad in een gans ander financiële situatie terechtkomen”; dat in de huidige stand van de procedure dan ook wordt aangenomen dat de kansspelcommissie uit het arrest nr. 127.482 van de Raad van State, van 27 januari 2004, geen genoegzame reden kan putten om verzoeksters kredietwaardigheid en financiële draagkracht minder gunstig te beoordelen dan ten tijde van de toekenning van een vergunning klasse B voor verzoeksters inrichting te Roeselare; XII-4162-9/14 Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat twee van de vier motieven, waaronder het motief sub F waarvan de nota tot twee keer toe laat uitschijnen dat het decisief is geweest, op het eerste gezicht niet deugdelijk zijn; dat hierdoor de hele grondslag van de bestreden beslissing aangetast lijkt; dat het vijfde en zevende middel, in de besproken mate, de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden; dat zij ernstig zijn; 3.
- Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat verzoekster verklaart en toelicht dat zij haar handelsexploitatie te Kortrijk volledig zal moeten stopzetten, met zulke verliezen tot gevolg dat haar leefbaarheid ernstig en op zeer korte termijn in het gedrang komt, en dat zij weliswaar nog een kansspelinrichting uitbaat te Roeselare, maar die exploitatie onvoldoende rendabel is en niet het risico van een faillissement kan afwenden; Overwegende dat de bestreden beslissing weigert verzoekster een vergunning klasse B voor haar kansspelinrichting te Kortrijk uit te reiken en, met zoveel woorden, stelt dat “bijgevolg” een einde moet worden gemaakt aan de exploitatie ervan binnen drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing; dat die sluiting niet tot een hoofdzakelijk financieel nadeel te herleiden is; dat de tussenkomende partij terecht bedenkt dat met een schorsing verzoekster “nog steeds geen vergunning zou hebben”; dat ten gevolge van een schorsing verzoekster echter wel opnieuw het voordeel zou genieten van de overgangsmaatregel van artikel 19 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse B, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse B, waaraan precies ten gevolge van de bestreden beslissing en haar kennisgeving een einde komt; dat een schorsing haar dus wel degelijk “dienstig” zou zijn; Overwegende dat niet wordt bijgevallen het standpunt in de nota dat het nadeel “inherent is aan de doelstellingen van de wet van 7 mei 1999”, of dat het te wijten zou zijn aan verzoeksters “eigen risicovolle houding” of, nog, aan “de weigering van het convenant, zoals vereist door artikel 36,5 van de wet”; dat noch XII-4162-10/14 de wet van 7 mei 1999, noch zijn doelstellingen, de kansspelcommissie er toe verplichtten verzoekster onwettig te behandelen; dat niettemin de commissie, naar vooralsnog moet worden aangenomen, verzoeksters aanvraag niet op rechtmatige grond heeft verworpen; dat het dan ook niet opgaat de verwerping, en de sluiting die er aan vastzit, aan de wet of aan verzoeksters eigen houding toe te schrijven; dat voorts de weigering van een convenant door de stad Kortrijk vreemd blijkt aan de bestreden verwerping, zodat het nadeel ten gevolge van die verwerping al evenmin op de weigering van het convenant kan worden teruggevoerd; dat ook niet wordt onderschreven, zoals de tussenkomende partij zou willen, dat verzoeksters nadeel niet legitiem is, vanwege het opstellen van vier niet wettelijk toegelaten kansspelen; dat de betrokken kansspelen reeds sinds 28 juni 2002 in beslag genomen en naar de kelderverdieping overgebracht zijn; Overwegende dat, in zoverre de tussenkomende partij zegt in de vordering tot schorsing zelf te lezen dat verzoekster “reeds vandaag aanzienlijke verliezen maakt en eigenlijk onleefbaar is”, zij doet blijken van dezelfde misvatting als deze waarmee ook de kansspelcommissie behept blijkt en die verzoekster in haar -ernstig bevonden- zevende middel bestrijdt; dat uit het gebrek aan leefbaarheid ingeval de uitbating te Kortrijk wordt stopgezet, niet kan worden besloten tot óók het gebrek aan leefbaarheid ingeval de uitbating te Kortrijk niét wordt stopgezet; dat mede gelet op de door haar bijgebrachte stukken, verzoekster voldoende aantoont dat zij dreigt een nadeel te lijden dat zowel ernstig als moeilijk herstelbaar is, 3.
- Overwegende dat de voorwaarden voor een schorsing van de beslissing van 7 april 2004 van de kansspelcommissie zijn vervuld;
- Overwegende, aangaande de vordering tot oplegging van een voorlopige maatregel, dat ter terechtzitting verzoekster verklaart dat de eis “zonder voorwerp” is; dat alleszins verzoekster, gelet op de uitspraak hierna over haar vordering tot schorsing, geen belang meer heeft bij de gevorderde voorlopige maatregel in afwachting van die uitspraak; dat de vordering onontvankelijk is, XII-4162-11/14 XII-4162-12/14 BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de stad Kortrijk in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 7 april 2004 van de Kansspelcommissie waarbij verzoekster geweigerd wordt een vergunning klasse B uit te reiken voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II aan de Doorniksestraat 44 te Kortrijk. Artikel
- De vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-4162-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig januari 2005, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4162-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.934 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.479 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div