← België

Arrest 139934 - - 28/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.934 Rolnummer: A. 152703/XII-4162 Zaak: Arrest 139934 - - 28/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-02 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 07:09 Fiche Arrest nr 139.934 van 28 januari 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.934 van 28 januari 2005 in de zaak A.152.703/XII-

  1. In zake : de BVBA PLAYWORLD, die woonplaats kiest bij advocaat I. Lietaer, kantoor houdende te Kortrijk, President Rooseveltplein 1 tegen :
  2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te Oostende, E. Beernaertstraat 106
  3. de KANSSPELCOMMISSIE bij de federale overheidsdienst Justitie. tussenkomende partij : de STAD KORTRIJK, die woonplaats kiest bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8b. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA Playworld op 11 juni 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 7 april 2004 van de kansspelcommissie waarbij haar geweigerd wordt een vergunning klasse B uit te reiken voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II aan de Doorniksestraat 44 te Kortrijk; Gezien het verzoekschrift dat BVBA Playworld eveneens op 11 juni 2004 heeft ingediend om te vorderen dat bij wege van voorlopige maatregel de XII-4162-1/14 schorsing van de tenuitvoerlegging wordt bevolen van het voormelde besluit van 7 april 2004 van de kansspelcommissie “totdat uitspraak is gedaan over de vordering tot schorsing in de zaak omtrent de schorsingsvordering die de verzoekende partij heden heeft ingesteld met betrekking tot dezelfde beslissing”; Gezien de nota's van de eerste verwerende partij en de nota van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur S. De Taeye; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Lietaer, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat P. Louage, die loco advocaat B. Bronders verschijnt voor de verwerende partijen, en van advocaat S. Ronse, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XII-4162-2/14
  4. Overwegende dat de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers de uitbating van een kansspelinrichting klasse II onderwerpt aan een voorafgaandelijk door de kansspelcommissie uit te reiken schriftelijke vergunning klasse B en bepaalt dat de exploitatie moet gebeuren krachtens een convenant met de gemeente; Overwegende dat verzoekster bij beslissing van 5 maart 2003 van de kansspelcommissie een vergunning klasse B verkrijgt voor haar speelautomatenhal te Roeselare, Stationsplein 29; dat zij ook een speelautomatenhal te Kortrijk, Doorniksestraat 44, exploiteert; dat tijdens een controle aldaar, door de kansspelcommissie op 28 juni 2002, vier toestellen van het type “net-fun” worden aangetroffen; dat ze alle vier ingeschakeld zijn en twee ervan op “slotmachines” staan; dat de gemeenteraad van Kortrijk op 10 maart 2003 weigert met betrekking tot de inrichting een convenant te sluiten; dat de vordering tot schorsing van de weigering van een convenant wordt verworpen bij arrest van de Raad van State, nr. 131.966 van 1 juni 2004 (A.136.818/XII-XII-3866); dat op 5 maart 2004 de kansspelcommissie beslist dat “aan de aanvrager, ongeacht de aan- of afwezigheid van een convenant met de stad Kortrijk, geen vergunning klasse B kan worden verleend”; dat de weigering hierop steunt “dat tijdens de controle van 28 juni 2002 meerdere inbreuken tegen de kansspelwet van 1999 werden vastgesteld” en dat de aanvrager niet het bewijs levert van zijn kredietwaardigheid en financiële draagkracht;
  5. Overwegende dat de stad Kortrijk vraagt in de debatten te mogen tussenkomen; Overwegende dat, anders dan de stad meent, haar belang niet “evident” is; dat immers, eensdeels, er reden toe kan zijn om op grond van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers te oordelen dat het gemeentelijk belang bij, en de gemeentelijke bemoeienis met, de uitreiking van een vergunning voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II beperkt is, of dient te blijven, tot de uitoefening van de bevoegdheid om al dan niet een convenant te sluiten, wijl anderdeels de bestreden weigering die XII-4162-3/14 bevoegdheid geheel onverlet laat en expliciet verklaart geen acht te slaan op “de aan- of afwezigheid van een convenant”; Overwegende dat om niettemin de tussenkomst toe te laten, de Raad van State in aanmerking neemt dat, inhoudelijk, het betreffende verzoek vooral er op gericht blijkt te voorkomen “dat [de] Raad, in het kader van de schorsingsprocedure terzake de vergunning, rechtstreeks of onrechtstreeks terugkomt op hetgeen zij beslist heeft in de schorsingsprocedure terzake het convenant”; dat, overigens, verzoekster zich niet tegen de tussenkomst verzet; dat op het verzoek wordt ingegaan; 3.
  6. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  7. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoekster in een vijfde en zevende middel de deugdelijkheid van de motieven van de aangevochten beslissing betwist; Overwegende dat in het vijfde middel onder meer wordt betoogd dat er van kredietverlening via kredietkaarten geen sprake is, dat G. Sauw en C. Clynckemaillie bevestigen dat er niet gespeeld kan worden op sites die betaling vragen via kredietkaarten, dat de bestreden beslissing niet wettig het tegendeel bewezen kan achten op grond van de aangevoerde processen-verbaal, dat een onderzoek van de “nochtans” inbeslaggenomen en verzegelde toestellen “niet eens nodig” werd geacht, “evenmin als een ondervraging van of een onderzoek bij de fabrikant van deze ‘net fun’ toestellen”, dat uit de verklaringen in de processen- verbaal ook blijkt dat er een inworp in geld moest gebeuren voor het gebruik van de internetmachines, zodat niet te begrijpen is hoe de bestreden beslissing er toe komt XII-4162-4/14 een inbreuk op de wettelijke verplichting tot contante betaling als bewezen te beschouwen; Overwegende dat in het zevende middel onder andere wordt uiteengezet dat verzoeksters kredietwaardigheid en financiële draagkracht wel degelijk bewezen zijn, dat haar argumentatie ter zake nergens wordt ontkracht, dat de financiële draagkracht blijkt uit het positief eigen vermogen, uit de terugbetaal- capaciteit en uit de precieze en gunstige berekening van de actuele diverse ratio’s op basis van de balans, “berekeningen die nergens worden ontmoet of weerlegd door de stellers van de bestreden beslissing”, dat in elk geval een achtergestelde lening “het eigen vermogen correlatief versterkt als permanten geldmiddel, zoals bevestigd door de rechtsleer, door het Participatiefonds, door de commissie voor boekhoudkundige normen (CBN) en door de rechtspraak, en zoals blijkt uit het onderzoek van de accountant van de verzoekende partij”, dat geen rekening is gehouden met de feiten en middelen die deel uitmaakten van de brief van 2 maart 2004 en de bijlagen, en met de daaruit blijkende “ronduit positieve actuele, precieze en gestaafde elementen van het aanvraagdossier”; dat verzoekster tevens benadrukt dat het ten onrechte is dat op een tegenstrijdigheid en ongeloofwaardigheid in haar stelling wordt gewezen, dat zij inderdaad in de schorsingsprocedure die door ‘s Raad arrest (nr. 127.482) van 27 januari 2004 werd beëindigd, betoogde dat zij een reëel risico op faillissement zou lijden indien zij haar kansspelinrichting zou moeten sluiten, dat dit moeilijk te herstellen ernstig nadeel zich echter nog niet heeft voorgedaan aangezien de kansspelinrichting geopend is gebleven, dat de kansspelcommissie niet moest oordelen over een hypothese die zich niet voordoet, maar integendeel “wel en enkel” de actuele kredietwaardigheid en financiële draagkracht van verzoekster diende na te gaan; Overwegende dat hierop in de nota wordt gerepliceerd dat de motieven sub B tot en met E van de bestreden beslissing niet de noodzakelijke of beslissende steun voor het besluit bieden “aangezien verzoekende partij er tevens niet in slaagde om het bewijs te leveren van haar kredietwaardigheid en financiële draagkracht, noch een convenant met de Stad Kortrijk kon voorleggen”, dat de XII-4162-5/14 bestreden beslissing zich steunt op een arrest van de Raad van State dat pas op 27 januari 2004 is uitgesproken, dat het naar aanleiding van de betreffende procedure duidelijk is geworden “dat de financiële situatie van de aanvrager verre van rooskleurig is en dat bij afwezigheid van een vergunning voor bovenvermelde kansspelinrichting het risico van een faillissement niet uit te sluiten is”, dat de bestreden beslissing in overeenstemming is met de ratio legis van de kansspelwetgeving, dat die wetgeving er toe strekt de maatschappij te beschermen tegen exploitanten die niet zelf over voldoende financiële middelen beschikken en er aldus een persoonlijk belang bij hebben de zwaktes van de spelers te exploiteren, dat achtergestelde leningen juridisch niet onder eigen kapitaal mogen worden geboekt, maar enkel onder de post schulden, dat hieruit een negatief eigen vermogen en een negatieve solvabiliteitsratio volgt; Overwegende dat de kansspelcommissie met de bestreden beslissing de gevraagde vergunning weigert om vier redenen, opgesomd onder punten C tot en met F; dat de motieven sub C, D en E inbreuken tegen de voorschriften van de wet van 7 mei 1999 aanvoeren, die tijdens een controle van 28 juni 2002 werden vastgesteld; dat het motief sub F doet gelden dat verzoekster niet het bewijs van haar kredietwaardigheid en financiële draagkracht levert; dat finaal, sub G, wordt geconcludeerd “dat de aanvrager zich niet gedraagt op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie zoals vermeld in artikel 36.2 van de bovenvermelde wet”; Overwegende dat het motief sub D luidt : “Overwegende dat uit het PV nr.: 0055/02 betreffende het verhoor van Dhr. Bennaars blijkt dat de in beslaggenomen toestellen toegang verlenen tot diverse goksites waar voor geld kan worden gespeeld en dat de mogelijkheid bestaat met een Visa kaart een dergelijk spel op te starten; Overwegende dat naast een inbreuk op artikel 4 hier ook nog sprake is van een inbreuk op de artikels 58 en 59 van de wet waarin respectievelijk het verbod op kredietverlening en de verplichting tot contante betaling en gebruik van speelfiches, eigen aan de kansspelinrichting, worden geregeld”; XII-4162-6/14 Overwegende dat naar eis van artikel 58, eerste lid, van de wet van 7 mei 1999 niemand aan de spelers en de gokkers enige vorm van lening of krediet mag toestaan of met hen een geldelijke of materiële transactie mag aangaan ter betaling van een inzet of een verlies; dat volgens artikel 59 aan de kansspelen alleen mag worden deelgenomen met contant betaalde speelpenningen en -fiches, die eigen zijn aan de spelinrichting en uitsluitend binnen haar muren door haar personeel worden uitgereikt, of met muntstukken; Overwegende dat in genoemd proces-verbaal nr. 0055/02 de zaakvoerder van verzoekster inderdaad verklaart dat met de aangetroffen “net-fun”- toestellen via internet op sites kan worden gespeeld “met VISA en dergelijke”; dat de bestreden beslissing echter ook uitdrukkelijk op de processen-verbaal met nrs. 0045/02 en 0046/02 steunt; dat in die processen-verbaal relaas wordt gedaan van de verklaringen van respectievelijk technieker G. Sauw en Ch. Clynckemaillie, die de kassa bedient en toezicht houdt; dat zij dan weer verklaren dat spelen en websites waarvoor een creditcard vereist is, niet toegankelijk zijn en dat de betrokken toestellen in werking worden gezet door een inworp van minstens i 0,50; dat hun verklaringen die van de zaakvoerder zonder meer tegenspreken; dat aldus de kansspelcommissie, louter op grond van de processen-verbaal waarnaar zij in haar beslissing van 7 april 2004 verwijst en zonder dat zij de aperte tegenspraak in die processen-verbaal nader heeft onderzocht en heeft opgelost, niet terecht lijkt te hebben kunnen besluiten tot een inbreuk op de artikelen 58 en 59 van de wet van 7 mei 1999; Overwegende dat het motief sub F luidt : “Overwegende dat uit het bovenvermelde arrest nr 127.482 van de Raad van State duidelijk blijkt dat de financiële, situatie van de aanvrager verre van rooskleurig is en dat bij afwezigheid van een vergunning voor bovenvermelde kansspelinrichting het risico van een faillissement niet uit te sluiten is; Overwegende dat dhr. Lietaer, tijdens bovenvermelde hoorzitting, juist het tegenovergestelde beweert en dat hij dit tracht te staven aan de hand van documenten die hij tijdens de zitting neerlegt; Overwegende dat hier twee tegensprekelijke stellingen naast elkaar worden verdedigd waardoor op zijn minst de geloofwaardigheid van de aanvrager in het gedrang komt; XII-4162-7/14 Overwegende dat uit de bijlagen van de bovenvermelde nota van dhr. Lietaer dd. 2 maart 2004 duidelijk blijkt dat de jaarrekening met betrekking op het boekjaar 2003 een negatief eigen vermogen aangeven ten bedrage van -77749 euro; Overwegende dat hieruit een negatieve solvabiliteitsratio, met name eigen vermogen/totaal passief, kan worden afgeleid; Overwegende dat, in tegenstelling tot wat vermeld staat in een schrijven dd. 2 maart 2004 van dhr. Verschueren aan dhr. Lietaer en in het schrijven dd. 24 maart 2004 en het bijgevoegde stuk van dhr. Lietaer zelf, de achtergestelde leningen waarvan sprake -ten bedrage van 300.000 euro- niet kunnen worden ondergebracht onder de post 'eigen vermogen'; Overwegende dat nEn droit belge, le PCMN , n' a pas institué et ne reconnaît pas les quasi-fonds propres; par contre, il comprend les Empuntes subordonnés au titre des dettes (comptes 170 et 420). Par conséquent, et comme les quasi- fonds propres sont juridiquement des dettes, tous les montants concernés doivent être comptabilisés au titre des dettes et non pas au titre des fonds propres.o (E. Causin, Droit comptables des entreprises, 2002, p603

(857)) Overwegende dat uit wat voorafging duidelijk kan worden afgeleid dat achtergestelde leningen juridisch gezien niet onder eigen kapitaal kunnen geboekt worden, maar enkel onder de post schulden, waardoor wel degelijk sprake is van een negatief eigen vermogen en dus ook van een negatieve solvabiliteitsratio; Overwegende dat artikel 36.4 duidelijk stelt dat de aanvrager, om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen, het bewijs moet leveren van zijn kredietwaardigheid en financiële draagkracht; Overwegende dat dit niet het geval is”; Overwegende dat op 5 maart 2003 de kansspelcommissie verzoekster een vergunning klasse B heeft verstrekt voor een kansspelinrichting klasse II te Roeselare; dat zij daartoe overwoog dat verzoekster over een convenant beschikt en voldoet “aan de andere voorwaarden van de wet van 7 mei 1999”, waaronder de voorwaarde dat de aanvrager het bewijs moet leveren van zijn kredietwaardigheid en financiële draagkracht; dat volgens de bestreden beslissing verzoekster dat bewijs een jaar later niet meer levert; dat nochtans tijdens de hoorzitting van 3 maart 2004 verzoekster uitvoerig, aan de hand van een brief van 2 maart 2004 en met stukken, had betoogd dat haar financiële situatie er sinds 2002 alleen maar op vooruitgegaan was, getuige de evolutie van vijf zogenaamde ratio’s (stuk 36 van verzoekster, pp. 10 en 11, met bijlage 20); dat de kansspelcommissie een vergelijking van verzoeksters financiële situatie anno 2004 met die anno 2003 evenwel uit de weg gaat, stellende dat zij “een beslissing ten gronde neemt op basis van de totaliteit van de stukken in XII-4162-8/14 betrokken dossier, losstaand van de andere dossiers die door de aanvrager bij de commissie werden geopend”; Overwegende dat deze verklaring niet lijkt te beletten dat, in zoverre de kansspelcommissie op een eerder aangenomen houding zou terugkomen, zoals ogenschijnlijk het geval is met betrekking tot verzoeksters kredietwaardigheid en financiële draagkracht, de kentering op een genoegzame reden dient te stoelen; dat luidens de nota die reden het arrest nr. 127.482 van de Raad van State, van 27 januari 2004, is, waarvan de commissie ten tijde van het verlenen van de vergunning van 5 maart 2003 voor verzoeksters kansspelinrichting te Roeselare uiteraard geen kennis kon hebben; Overwegende dat dit arrest de schorsing beveelt van de eerdere weigeringsbeslissing van 5 maart 2003 van de kansspelcommissie met betrekking tot verzoeksters kansspelinrichting te Kortrijk; dat met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het arrest in essentie overweegt dat “het risico van een faillissement niet uit te sluiten lijkt” indien verzoekster haar inrichting te Kortrijk niet kan openhouden; dat evenwel, zoals verzoekster met recht beklemtoont, één zaak is het risico van een faillissement als zij haar speelautomatenhal te Kortrijk moet sluiten, en een geheel andere zaak haar kredietwaardigheid en financiële draagkracht indien zij de inrichting juist niét moet sluiten; dat verzoekster niet zonder overtuigingskracht in dit verband opmerkt “dat voor nagenoeg alle commerciële vennootschappen geldt dat zij in ‘going concern’ kredietwaardig kunnen zijn en financiële draagkracht hebben, terwijl wanneer hun exploitatie moet worden stopgezet zij inderdaad in een gans ander financiële situatie terechtkomen”; dat in de huidige stand van de procedure dan ook wordt aangenomen dat de kansspelcommissie uit het arrest nr. 127.482 van de Raad van State, van 27 januari 2004, geen genoegzame reden kan putten om verzoeksters kredietwaardigheid en financiële draagkracht minder gunstig te beoordelen dan ten tijde van de toekenning van een vergunning klasse B voor verzoeksters inrichting te Roeselare; XII-4162-9/14 Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat twee van de vier motieven, waaronder het motief sub F waarvan de nota tot twee keer toe laat uitschijnen dat het decisief is geweest, op het eerste gezicht niet deugdelijk zijn; dat hierdoor de hele grondslag van de bestreden beslissing aangetast lijkt; dat het vijfde en zevende middel, in de besproken mate, de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden; dat zij ernstig zijn; 3.
  1. Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat verzoekster verklaart en toelicht dat zij haar handelsexploitatie te Kortrijk volledig zal moeten stopzetten, met zulke verliezen tot gevolg dat haar leefbaarheid ernstig en op zeer korte termijn in het gedrang komt, en dat zij weliswaar nog een kansspelinrichting uitbaat te Roeselare, maar die exploitatie onvoldoende rendabel is en niet het risico van een faillissement kan afwenden; Overwegende dat de bestreden beslissing weigert verzoekster een vergunning klasse B voor haar kansspelinrichting te Kortrijk uit te reiken en, met zoveel woorden, stelt dat “bijgevolg” een einde moet worden gemaakt aan de exploitatie ervan binnen drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing; dat die sluiting niet tot een hoofdzakelijk financieel nadeel te herleiden is; dat de tussenkomende partij terecht bedenkt dat met een schorsing verzoekster “nog steeds geen vergunning zou hebben”; dat ten gevolge van een schorsing verzoekster echter wel opnieuw het voordeel zou genieten van de overgangsmaatregel van artikel 19 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse B, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse B, waaraan precies ten gevolge van de bestreden beslissing en haar kennisgeving een einde komt; dat een schorsing haar dus wel degelijk “dienstig” zou zijn; Overwegende dat niet wordt bijgevallen het standpunt in de nota dat het nadeel “inherent is aan de doelstellingen van de wet van 7 mei 1999”, of dat het te wijten zou zijn aan verzoeksters “eigen risicovolle houding” of, nog, aan “de weigering van het convenant, zoals vereist door artikel 36,5 van de wet”; dat noch XII-4162-10/14 de wet van 7 mei 1999, noch zijn doelstellingen, de kansspelcommissie er toe verplichtten verzoekster onwettig te behandelen; dat niettemin de commissie, naar vooralsnog moet worden aangenomen, verzoeksters aanvraag niet op rechtmatige grond heeft verworpen; dat het dan ook niet opgaat de verwerping, en de sluiting die er aan vastzit, aan de wet of aan verzoeksters eigen houding toe te schrijven; dat voorts de weigering van een convenant door de stad Kortrijk vreemd blijkt aan de bestreden verwerping, zodat het nadeel ten gevolge van die verwerping al evenmin op de weigering van het convenant kan worden teruggevoerd; dat ook niet wordt onderschreven, zoals de tussenkomende partij zou willen, dat verzoeksters nadeel niet legitiem is, vanwege het opstellen van vier niet wettelijk toegelaten kansspelen; dat de betrokken kansspelen reeds sinds 28 juni 2002 in beslag genomen en naar de kelderverdieping overgebracht zijn; Overwegende dat, in zoverre de tussenkomende partij zegt in de vordering tot schorsing zelf te lezen dat verzoekster “reeds vandaag aanzienlijke verliezen maakt en eigenlijk onleefbaar is”, zij doet blijken van dezelfde misvatting als deze waarmee ook de kansspelcommissie behept blijkt en die verzoekster in haar -ernstig bevonden- zevende middel bestrijdt; dat uit het gebrek aan leefbaarheid ingeval de uitbating te Kortrijk wordt stopgezet, niet kan worden besloten tot óók het gebrek aan leefbaarheid ingeval de uitbating te Kortrijk niét wordt stopgezet; dat mede gelet op de door haar bijgebrachte stukken, verzoekster voldoende aantoont dat zij dreigt een nadeel te lijden dat zowel ernstig als moeilijk herstelbaar is, 3.
  2. Overwegende dat de voorwaarden voor een schorsing van de beslissing van 7 april 2004 van de kansspelcommissie zijn vervuld;
  3. Overwegende, aangaande de vordering tot oplegging van een voorlopige maatregel, dat ter terechtzitting verzoekster verklaart dat de eis “zonder voorwerp” is; dat alleszins verzoekster, gelet op de uitspraak hierna over haar vordering tot schorsing, geen belang meer heeft bij de gevorderde voorlopige maatregel in afwachting van die uitspraak; dat de vordering onontvankelijk is, XII-4162-11/14 XII-4162-12/14 BESLUIT: Artikel
  4. Het verzoek tot tussenkomst van de stad Kortrijk in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  5. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 7 april 2004 van de Kansspelcommissie waarbij verzoekster geweigerd wordt een vergunning klasse B uit te reiken voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II aan de Doorniksestraat 44 te Kortrijk. Artikel
  6. De vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel wordt verworpen. Artikel
  7. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-4162-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig januari 2005, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4162-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.934 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.479 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.