← België

Arrest 139941 - - 31/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.941 Rolnummer: A. 75998/IX-708 Zaak: Arrest 139941 - - 31/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-14 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 07:09 Fiche Arrest nr 139.941 van 31 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.941 van 31 januari 2005 in de zaak A. 75.998/IX-

  1. In zake : de Koninklijke Beroepsvereniging Goederenvervoerders Vlaams Gewest en Brussels Hoofdstedelijk Gewest (SAV), die woonplaats kiest bij advocaat Ph. DE KEYSER, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Tewerkstelling en Arbeid, thans de minister van Werk, die woonplaats kiest bij advocaat G. DEMEZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Wijnheuvelenstraat
  2. tussenkomende partij :
  3. de Werkgeversfederatie voor de Internationale Handel, Vervoer en de aanverwante bedrijfstakken,
  4. het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV),
  5. het Algemeen Christelijk Vakverbond van België (ACV),
  6. de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België (ACLVB), die woonplaats kiezen bij advocaat L. LENAERTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Nachtegaalstraat
  7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Koninklijke Beroepsvereniging Goederenvervoerders Vlaams Gewest en Brussels Hoofdstedelijk Gewest (gekend onder de benaming SAV) op 10 oktober 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het ministerieel besluit van 16 juli 1997 betreffende de aanduiding IX-708-1/17 van de organisaties die een vertegenwoordiging krijgen in het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de aanverwante bedrijfs- takken; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 10 december 1998; Gelet op de beschikking van 17 december 1998 die de tussen- komsten van de Werkgeversfederatie voor de Internationale Handel, Vervoer en de aanverwante bedrijfstakken, het Algemeen Belgisch Vakverbond, het Algemeen Christelijk Vakverbond van België en de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België toelaten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 23 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VANDEN ABEELE, die loco advocaat Ph. DE KEYSER verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat I. FICHER, die loco advocaat G. DEMEZ verschijnt voor de verwerende IX-708-2/17 partij, en van advocaat L. LENAERTS, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  8. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  9. Bij koninklijk besluit van 6 april 1995 wordt overgegaan tot de oprichting en tot de vaststelling van de benaming en de bevoegdheid van het paritair comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de aanver- wante bedrijfstakken. Dit comité draagt het nummer
  10. Het is de opvolger van het paritair comité voor import, export, doorvoer en buitenlandse handel en voor de maritieme en expeditiekantoren. 1.
  11. Met een brief van 19 juli 1995 stelt verzoekster haar kandidatuur bij het federale ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, met het oog op vertegen- woordiging als representatieve werkgeversorganisatie in het comité. 1.
  12. Door een koninklijk besluit van 7 oktober 1996 wordt het aantal leden van het comité vastgesteld op 26 gewone en 26 plaatsvervangende leden. 1.
  13. De representativiteit van de verschillende organisaties die zich kandidaat gesteld hebben wordt door de administratie onderzocht en bij ministerieel besluit van 12 november 1996 worden de organisaties aangewezen die voor vertegenwoordiging in het comité in aanmerking komen. De kandidatuur van verzoekster wordt verworpen. IX-708-3/17 1.
  14. Omdat nog een andere vereniging zich in de loop van het administratief besluitvormingsproces kandidaat had gesteld - de Union Professionnelle du Transport par Route (UPTR) met een brief van 4 september 1996 - worden bij ministerieel besluit van 16 juli 1997 de organisaties die voor vertegenwoordiging in aanmerking komen, opnieuw aangeduid, worden de mandaten verdeeld en wordt het ministerieel besluit van 12 november 1996 ingetrokken. In dat ministerieel besluit van 16 juli 1997 wordt de kandidatuur van verzoekster verworpen (artikel 1), en worden de organisaties aangewezen die wel in aanmerking komen om in het comité te zetelen met de vermelding van het aantal mandaten waarover zij elk zullen beschikken. Van werkgeverszijde wordt de Patronale Groepering der Handels- en Scheepvaartbelangen (PGHS) aangewezen met 13 mandaten. Bij brief van 11 augustus 1997 wordt aan verzoekster medege- deeld dat haar kandidatuur niet werd aanvaard en wordt daaraan de volgende motivering gegeven : “Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de aanverwante bedrijfstakken nr. 226 Samenstelling - Bericht B.S. 30.05.1995 Geachte heer, Bij ministerieel besluit van 16 juli 1997, waarvan kopie als bijlage, werden de organisaties die voor vertegenwoordiging in het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de aanverwante bedrijfstakken (nr. 226) in aanmerking komen, aangeduid en de mandaten tussen deze organisaties verdeeld. Mevrouw de minister heeft besloten om de kandidatuur van uw organisatie voor vertegenwoordiging in bedoeld paritair comité niet te weerhouden, gelet op het feit dat de organisatie slechts een beperkt geografisch gebied van één bedrijfstak van het ressort van het paritair comité vertegenwoordigt (hoofd- zakelijk goederenvervoer over de weg) die tevens wordt behartigd door een andere kandiderende organisatie van werkgevers met nationale werking en hogere vertegenwoordigingsgraad op nationaal vlak. Tegen deze beslissing kan een beroep tot nietigverklaring worden aange- tekend bij de Raad van State, afdeling administratie. Het verzoek tot nietig- verklaring moet bij een ter post aangetekende brief aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel, worden toegezonden, binnen de zestig dagen na deze kennisgeving. (...)”; IX-708-4/17 2.1.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat het beroep niet rechtsgeldig ingediend is, aangezien uit het uittreksel van het verslag van de raad van bestuur dat de verzoekster overlegt niet blijkt dat de helft van de leden van de raad op de vergadering van 3 oktober 1997 aanwezig of vertegenwoordigd was; 2.1.
  16. Overwegende dat verzoekster daar op repliceert dat de raad van bestuur eenparig heeft besloten om het beroep in te dienen; 2.1.
  17. Overwegende dat verzoekster een uittreksel overlegt van het verslag van de vergadering van de raad van bestuur gehouden op 3 oktober 1997 waarop onder punt 7 van de agenda besloten is het onderhavige beroep in te dienen; dat dit stuk laat vermoeden dat de genomen beslissing overeenkomstig de bepalingen van de statuten tot stand gekomen is, onder meer dat het vereiste aanwezigheidsquorum was bereikt; dat de verwerende partij geen enkel afdoend argument aanreikt dat het vermoeden tegenspreekt; dat de exceptie niet opgaat; 2.2.
  18. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het actueel belang van verzoekster in vraag stelt in die zin dat verzoekster geen beroep ingesteld heeft tegen “het ministerieel besluit van 8 januari 2001 noch tegen het koninklijk besluit van 2 april 2002 waarbij de mandaten van het Paritair Comité nr. 226 vernieuwd werden zonder aanstelling van vertegenwoordigers van verzoekster”; 2.2.
  19. Overwegende dat de exceptie niet gegrond is; dat immers het onderhavige beroep kan leiden tot de vernietiging van de beslissing die de organisaties aanwijst die in het paritair comité zitting kunnen nemen; dat die beslissing de noodzakelijke grondslag vormt voor de aanwijzing van de individuele leden, zodat, in geval van vernietiging, de individuele benoemingsbesluiten hun materiële rechtskracht verliezen; dat het dan ook, voor de ontvankelijkheid van het onderhavig beroep, van geen belang is of verzoekster de beslissing tot vernieuwing van de in het comité zitting hebbende leden bestreden heeft; IX-708-5/17 3.
  20. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 3 en 42 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, doordat zij wel degelijk als een nationale representatieve werkgeversorganisatie dient te worden beschouwd, aangezien zij aangesloten is bij het Nationaal Christelijk Middenstandsverbond die zelf een representatieve werkgeversorganisatie is met zitting in de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, aangezien zij zetelt in de nationaal georganiseerde Hoge Raad van de Middenstand, aangezien zij lid is van het paritair comité nr. 140, dat bevoegd is voor werkgevers en arbeiders uit de vervoersector en aangezien zij samenwerkt met een Waalse tegenhanger -de UTPR-, hetgeen garant staat voor een representativiteit voor de vervoersector in het gehele land; dat zij voorts betoogt dat de minister verkeerdelijk stelt dat de belangen van de sector die zij vertegenwoordigt worden behartigd door een andere organisatie, aangezien onder dit comité bedrijven ressorteren met tegengestelde economische belangen -het overkoepelt zowel transporteurs als hun opdrachtgevers, die er alle belang bij hebben dat de opdrachten aan de goedkopere transportbedrijven worden gegeven- en aangezien de werkelijke transporteurs uit de Belgische transportsector volledig in de kou blijven, nu de Patronale Groepering der Handels- en Scheepvaart- burelen (PGHS) niet als representatief is voor de transportsector; dat zij daar aan toevoegt dat de zuivere transportbedrijven in België om en bij de 4000 werkgevers tellen met ongeveer 5000 bedienden in dienst en dat zij daarvan 1528 bedrijven vertegenwoordigt, hetgeen haar representativiteit aantoont; 3.
  21. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar memorie van antwoord tegen inbrengt wat volgt: dat verzoekster als werkgeversorganisatie representatief erkend is om te zetelen in het Interfederaal Bureau nr. 10 bevoegd inzake vervoer, staat los van de territoriale werking van de organisatie en van de representativiteit die de organisatie moet aantonen om als representatieve organisatie in een paritair comité te worden aangeduid, want daarvoor moet “de interne representativiteit van de organisatie in verhouding tot het ressort van het paritair comité” worden onderzocht; verzoekster beroept zich, om haar nationale representativiteit aan te tonen, op haar lidmaatschap van het NCMV, maar zij geeft IX-708-6/17 zelf toe dat haar leden niet over het gehele grondgebied verspreid zijn -zij heeft dus een beperkte territoriale werking- en voor het statuut van representatieve organisatie doet dat lidmaatschap niet ter zake; dat zij zetelt in de Hoge Raad voor de Middenstand leidt ook niet tot het besluit dat zij een professionele werking heeft over het gehele Belgische grondgebied; evenmin kan verzoekster zich beroepen op haar lidmaatschap van het paritair comité nr. 140 voor het vervoer, dat bevoegd is voor werknemers die voornamelijk handenarbeid verrichten en hun werkgevers, aangezien de representativiteit moet beoordeeld worden in functie van het paritair comité waarvoor de organisatie kandidaat is en in functie van het aantal werkgevers die lid zijn van de organisatie en van het aantal werknemers dat bij hen tewerk gesteld zijn en aangezien het paritair comité nr.226 een veel ruimer ressort heeft dan het comité nr. 140, wat betekent dat de representativiteitscriteria totaal verschillend zijn; het feit dat verzoekster samenwerkt met een organisatie die in Wallonië actief is -en die in dit geval zelf ook haar kandidatuur gesteld heeft om in het paritair comité nr. 226 te zetelen- toont aan dat haar werking niet het gehele land bestrijkt; de verwijzing naar het feit dat het paritair comité nr. 226 werkgevers met tegen- gestelde economische belangen groepeert en dat de transporteurs daar onvoldoende aan bod zullen komen is niet relevant, aangezien de wetgever met de instelling van de paritaire comités de bedoeling had om via sociaal overleg de sociale concurrentie tussen werkgevers met eenzelfde economische activiteit -te dezen “de transporteurs en hun opdrachtgevers”- uit te schakelen op het vlak van de loon- en arbeidsvoor- waarden en dat heeft niets te maken met de relatie ondernemer-klant naar dewelke verzoekster verwijst; verzoekster maakt niet duidelijk op welke wijze de delegatie van de werkgevers in het comité 226 de arbeidskost van de transporteurs zou kunnen beïnvloeden en welk nadeel de verzoekende partij zou ondergaan door het feit dat de transporten aan een zo laag mogelijke kostprijs gebeuren; het PGHSB vertegen- woordigt een brede waaier van werkgeversorganisaties, onder andere de federatie van Belgische transporteurs, die in verschillende bedrijfstakken vallend onder het comité nr. 226 actief is; voor de afweging van de interne representativiteit van verzoekster en het PGHSB in de bedrijfstak van het wegvervoer voor rekening van derden, heeft de administratie aan de minister een uitvoerig gemotiveerd voorstel gedaan; IX-708-7/17 3.
  22. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord repliceert dat de PGHSB een vereniging is van belangenorganisaties die voornamelijk havengebonden activiteiten verdedigen, dat de belangen van die ondernemingen tegengesteld zijn aan die van de transporteurs die zich buiten de haven bevinden, dat de belangen van de eigenlijke transporteurs onvoldoende verdedigd zullen worden en dat ook de werknemers van die sector in de kou zullen blijven; 3.
  23. Overwegende dat de tussenkomende partijen zich in hun verzoek tot tussenkomst aansluiten bij de argumentatie van de verwerende partij; dat zij bijkomend nog de volgende toelichting geven: de SAV ziet onvoldoende het onderscheid tussen de externe representativiteit bedoeld in artikel 3 van de C.A.O.- wet en de interne representativiteit van de organisatie die verband houdt met de bevoegdheid van het paritair comité bedoeld in artikel 42 van dezelfde wet; eens de Koning geopteerd had voor een zo ruim mogelijk ressort van het paritair comité -wat verzoekster niet bestreden heeft- is het “logisch dat de minister bij de beoordeling van de interne representativiteit rekening houdt met een zo ruim mogelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van de aangeduide organisaties”; de statuten van de eerste tussenkomende partij -die ten tijde van het bestreden besluit nog actief was onder de benaming Patronale Groepering der Handels- en Scheepvaartburelen- zijn ruim gesteld, er blijkt uit dat zij geen organisatie is die alleen maar havengebon- den activiteiten vertegenwoordigt, zij vertegenwoordigt elf werkgeversorganisaties -met 552 ondernemingen die 13.000 hoofdarbeiders tewerk stellen-, haar werking is nationaal gespreid, veel van de aangesloten ondernemingen houden zich bezig met diverse activiteiten waarvoor het paritair comité bevoegd is -hoofdzakelijk goederenbehandeling en vervoerslogistiek-, de federatie is aangesloten bij het VBO en is sinds de oprichting van het paritair comité nr. 213 -de voorloper van het comité 226- erkend als enige representatieve werkgeversorganisatie in die sector; verzoekster beoogt de belangenverdediging van een beperkte sector, de transporteurs, maar deze sector is via FEBETRA binnen de eerste tussenkomende partij in het paritair comité vertegenwoordigd; de tweede, derde en vierde tussenkomende partij wensen eveneens te voorkomen dat een te grote versnippering IX-708-8/17 afbreuk doet aan een efficiënt sociaal overleg en ook zij zijn van oordeel dat er terecht voor gekozen is om aan het paritair comité een ruim ressort te geven; in het arrest nr. 12.347 van 25 april 1967 stelde de Raad van State dat de representativiteit van een beroepsorganisatie een feitelijk gegeven is dat de uitvoerende macht dient te beoordelen; aangezien verzoekster slechts de belangen van de transportsector vertegenwoordigt, werkt zij “te eng om de bedrijfstak van de internationale handel, het vervoer en de aanverwante bedrijfstakken te kunnen representeren” en is de verwijzing naar haar lidmaatschap van het paritair comité nr. 140 niet relevant, omdat dat comité precies bevoegd is voor de handarbeiders in de sector van het vervoer, wat een beperkter ressort is dat inderdaad aansluit bij de werking van verzoekster; verzoekster heeft ook slechts een beperkt geografisch ressort, want uit de laatst neergelegde ledenlijst blijkt zij vooral leden te hebben in Oost- en West- Vlaanderen; de verwijzing naar de concurrentie van buitenlandse transporteurs is een marktgegeven dat geen verband houdt met de vaststelling van de gelijke loon- en arbeidsvoorwaarden voor bedienden, die in het paritair comité nr. 226 besproken worden, en de relatie tussen ondernemer en klant is irrelevant in het sociaal overleg; 3.
  24. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog stelt dat geen overwegend belang gehecht mag worden aan het regionaal karakter van de activiteiten die zijn ontplooit, aangezien dat criterium het lidmaatschap van verzoekster van het paritair comité nr. 140 niet belet heeft en het een logisch uitvloeisel is van het feit dat “het overgrote deel van alle activiteiten inzake goederenvervoer, logistiek én handelsactiviteiten zich in het Vlaamse landsgedeelte afspelen”; dat zij ook benadrukt dat zij niet alleen actief is in de sector van het goederenvervoer maar ook in de goederenbehandeling, opslag en logistiek en dat zij “in alle nationale organisaties waarin zij vertegenwoordigd is als een nationale vereniging wordt aanvaard”; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie herhaalt dat het activiteitengebied van het paritair comité nr. 140 veel beperkter is dan dat van het paritair comité nr. 226 en dat elke verwijzing naar een vertegen- woordiging in andere paritaire comités irrelevant is; IX-708-9/17 3.6.
  25. Overwegende dat artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités luidt als volgt : “Voor de toepassing van deze wet worden als representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties aangemerkt : 1/ de interprofessionele organisaties van werknemers en van werkgevers, die voor het gehele land zijn opgericht en die in de Centrale Raad voor het bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigd zijn; de werknemersorganisaties moeten bovendien ten minste 50.000 leden tellen; 2/ de vakorganisaties die aangesloten zijn bij of deel uitmaken van een onder 1 genoemde interprofessionele organisatie; 3/ de vakorganisaties van werkgevers die de Koning, op advies van de Nationale Arbeidsraad, als representatief in een bepaalde bedrijfstak erkent. Worden bovendien als representatieve werkgeversorganisaties aangemerkt de overeenkomstig de wet van 6 maart 1964 tot organisatie van de middenstand erkende nationale interprofessionele organisaties en beroepsorganisaties die representatief zijn voor de ondernemingshoofden uit het ambachtswezen, de kleine en middelgrote handel en de kleine nijverheid en voor de zelfstandigen die een vrij of een ander intellectueel beroep uitoefenen”; Overwegende dat artikel 42 van dezelfde wet, dat betrekking heeft op de paritaire comités, luidt als volgt : “De Koning benoemt de leden. De betrokken organisaties worden door een bericht in het Belgisch Staatsblad verzocht mee te delen of zij wensen voor vertegenwoordiging in aanmerking te komen en eventueel van hun representativiteit te doen blijken. De Minister beslist welke organisaties voor vertegenwoordiging in aanmerking komen en hoeveel mandaten aan elke organisatie worden toegekend. Deze beslissing wordt ter kennis gebracht van alle organisaties die erom verzocht hebben voor vertegenwoordiging in aanmerking te komen. Bovendien worden de in aanmerking komende organisaties uitgenodigd binnen één maand twee kandidaten voor te dragen voor elk mandaat dat hun is toegekend”; 3.6.
  26. Overwegende dat de erkenning van de representativiteit van een organisatie in de zin van artikel 3 van de wet van 5 december 1968 -en a fortiori het aangesloten zijn bij dergelijke representatieve organisatie of haar lidmaatschap van de Hoge Raad van de Middenstand, zoals verzoekster stelt- niet impliceert dat zij gemachtigd is om in een paritair comité te zetelen; dat immers artikel 42 van de wet IX-708-10/17 bepaalt dat de kandidaten voor vertegenwoordiging in een paritair comité “van hun representativiteit (moeten) doen blijken”; dat zulks betekent dat de kandidaten aantonen dat zij representatief zijn in het licht van het bevoegdheidsressort van het betreffende paritair comité; dat, aangezien te dezen de vraag rijst naar de representativiteit van verzoekster met het oog op haar vertegenwoordiging in het paritair comité nr. 226 en de representativiteit bedoeld in die bepaling een eigen draagwijdte heeft, verzoekster niet relevant kan verwijzen naar artikel 3 van de wet; Overwegende dat, in het kader van de vraag of zij representatief is in het licht van het bevoegdheidsressort van het paritair comité nr. 226, verzoekster slechts relevant zou kunnen verwijzen naar haar lidmaatschap van het paritair comité nr. 140, wanneer zou blijken dat het bevoegdheidsressort van die beide comités overeenstemmen; dat zulks evenwel niet het geval is, aangezien het paritair comité nr. 140 bevoegd is voor de werkgevers en arbeiders uit de vervoersector en het paritair comité nr. 226 voor werkgevers en bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de aanverwante bedrijven; dat verzoekster evenmin relevant verwijst naar de samenwerking die zij heeft met haar Waalse tegenhanger, de Union Professionelle du Transport par Route (UPTR), aangezien artikel 42 van de wet vereist dat zij zelf haar representativiteit bewijst; 3.6.
  27. Overwegende dat het bevoegdheidsressort van het paritair comité nr. 226 vastgesteld is door artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 april 1995 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en de bevoegdheid van het paritair comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de aan- verwante bedrijfstakken; dat, wat de geregelde bedrijvigheden betreft, het comité een zeer breed bevoegdheidsveld heeft; dat, in vergelijking daarmee, de statuten van verzoekster die ten tijde van het bestreden besluit van kracht waren een eerder beperkte opdracht vermelden, waar zij -artikel 2- het doel van de vereniging omschrijven als het verdedigen en het behartigen van de belangen “van de ondernemingen actief in het beroepsgoederenvervoer, die lid zijn van de organisatie”; dat, daarnaast, dezelfde statuten bepalen dat alle personen die “houder zijn van een vervoersvergunning” en die bezoldigd vervoer van zaken verrichten IX-708-11/17 voor rekening van derden, lid kunnen worden van de vereniging, wat erop wijst dat verzoekster haar actieterrein legt bij de sector van het beroepsvervoer in het algemeen, zonder zich specifiek of minstens in beduidende mate toe te spitsen op de belangen van de bedienden die binnen die sector actief zijn; dat bovendien uit de ledenlijsten die verzoekster voorlegt blijkt dat haar leden vrijwel uitsluitend in Vlaanderen gelokaliseerd zijn, wat moeilijk verenigbaar is met de nationaal georiënteerde bevoegdheidsopdracht van het paritair comité nr. 226; dat tenslotte de bemerking van verzoekster dat de eerste tussenkomende partij de belangen van de Belgische transporteurs onvoldoende zal behartigen, geen reden moet zijn om de representativiteit van verzoekster te erkennen; dat een en ander tot het besluit leidt dat verzoekster niet als representatief kan worden beschouwd in het licht van de bevoegdheidstoewijzing die in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 april 1995 is vastgelegd; 3.6.
  28. Overwegende dat de verwerende partij in het administratief dossier een nota van 16 oktober 1996 neergelegd heeft waarin de administratie het voorstel tot erkenning van de PGHS en tot weigering van erkenning van de andere werkgeversorganisaties motiveert; dat daarin wordt uiteengezet dat de eerste tussenkomende partij, die ten tijde van het bestreden besluit nog de naam droeg van “Patronale Groepering der Handels- en Scheepvaartburelen”, de enige vertegen- woordiger van de werkgeversorganisaties was in het paritair comité nr. 213 voor import, export, doorvoer en buitenlandse handel en expeditiekantoren, waarvan het paritair comité nr. 226 de opvolger is, dat zij een “nationaal werkingsgebied” heeft, dat haar statutair doel aansluit bij het bevoegdheidsressort van het nieuwe paritair comité, dat zij een overkoepelende vereniging is die optreedt als mandaathouder voor de verdediging van de sociale belangen van elf nationale werkgeversorgani- saties en dat zij 2.952 werkgevers vertegenwoordigt die ongeveer 19.300 bedienden tewerk stellen; dat vervolgens het eindvoorstel van de administratie, voor wat de aanduiding van de werkgeversorganisaties betreft, als volgt gemotiveerd wordt : “a) wat de werkgeversorganisaties betreft : - de Patronale Groepering der Handels- en Scheepvaartburelen is een gevestigde representatieve werkgeversorganisatie met een hoge vertegen- IX-708-12/17 woordigingsgraad inzake het aantal werkgevers en de door hen tewerkge- stelde hoofdarbeiders die onder het PC 226 ressorteren. De organisatie vertegenwoordigt alle bedrijfstakken die onder het paritair comité vallen en heeft een werking die zich over gans België uitstrekt. De organisatie heeft op sociaal vlak een goed gestructureerde werking en heeft in het verleden blijk gegeven van constructieve deelname aan het sectoraal sociaal overleg. - de Belgische Redersvereniging is vertegenwoordigd via de Patronale Groepering der Handels- en Scheepvaartburelen en het is dan ook om een dubbele vertegenwoordiging te vermijden aangewezen de kandidatuur van deze organisatie te verwerpen. - de SAV treedt als een representatieve werkgeversorganisatie op voor één bedrijfstak (hoofdzakelijk goederenvervoer over de weg) die tot het ressort van het PC 226 behoort. De vertegenwoordigingsgraad van de SAV ligt op nationaal vlak lager dan deze van FEBETRA, die via de Patronale Groepering der Handels- en Scheepvaartburelen, dezelfde bedrijfstak vertegenwoordigt. Het goederenvervoer over de weg is in het PC 226 vertegenwoordigd door een organisatie met een nationaal werkingsgebied, terwijl de SAV enkel regionaal werkt. Daar het PC 226 een nationale bevoegdheid heeft, lijkt een nationale vertegenwoordiging aangewezen. De organisatie heeft ervaring inzake sociaal overleg voor werklieden uit de vervoersector. - de aanduiding van een werkgeversorganisatie die slechts één bedrijfstak en hiervan slechts een beperkt geografisch gebied vertegenwoordigt, kan aanleiding geven tot de kandidaturen van andere organisaties. Gelet op de heterogeniteit van het ressort van het PC 226 zou de samenstelling ervan problematisch worden en de eventuele werking worden gehypothekeerd. Ervaring met dergelijke toestanden in andere paritaire organen leert dat een te groot aantal werkgeversorganisaties de werking van het paritair orgaan dikwijls onmogelijk maakt (het niet bereiken van het quorum om geldig te vergaderen) en de besluitvorming bemoeilijkt (alle organisaties moeten de CAO’s aangaan). Deze argumenten gelden uiteraard niet wanneer een bedrijfstak niet vertegenwoordigd is, wat hier niet het geval is. b) wat de werknemersorganisatie betreft : - de drie werknemersorganisaties zijn de enige organisaties die kandidaat voor vertegenwoordiging zijn en zij erkennen elkaars representativiteit binnen de sector van het PC 226”; 3.6.
  29. Overwegende dat die motieven steun vinden in het dossier en dat zij naar recht en redelijkheid het bestreden besluit onderbouwen; dat het middel niet gegrond is; 4.
  30. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van een aantal beginselen IX-708-13/17 van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; dat zij betoogt dat de bestreden beslissing niet aanduidt waarom haar kandidatuur en die van twee andere werkgeversorganisaties niet in aanmerking genomen is en ook niet waarom alle zetels, bestemd voor de vertegen- woordigers van de werkgevers, aan de PGHS toegekend zijn, terwijl de brief van 11 augustus 1997 daarover een “foute en onvoldoende motivering bevat”; dat zij uiteenzet dat zij de werkgevers-transporteurs uit het Vlaamse en het Brussels Gewest vertegenwoordigt, maar dat de PGHS, die gevestigd is te Antwerpen, de belangen van die havenregio behartigt zodat bedrijven die werkzaam zijn buiten de havenzones onvoldoende vertegenwoordigd zijn, hetgeen verholpen had kunnen worden door aan haar een of meerdere zetels toe te kennen; dat zij ook nog stelt dat de minister volkomen ten onrechte poneert dat zij slechts in één ressort van het paritair comité werkzaam is, aangezien haar leden ook actief zijn op het domein van de opslag en overslag van goederen dat zich situeert voor of na het transport alsook op het vlak van het aanbieden van logistieke diensten waarvan gebruik gemaakt wordt voor telecommunicatie, zoals blijkt uit de ledenlijst die zij neerlegt; 4.
  31. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord daartegen inbrengt dat de brief van 11 augustus 1997 één geheel vormt met het bestreden besluit, dat de representativiteit van de werkgeversorganisatie een feitenkwestie is dat de uitvoerende macht moet beoordelen, dat zulks te dezen gebeurd is in de nota van de administratie van 16 oktober 1996 en dat het bestreden besluit op de in die nota aangehaalde motivering steunt; dat zij eraan herinnert dat de brief van 11 augustus 1997 vermeldt dat verzoekster slechts een beperkt geografisch gebied van een bedrijfstak van het ressort van het paritair comité vertegenwoordigt, terwijl reeds een andere organisatie die belangen behartigt; dat zij voorts betoogt dat verzoekster er geen belang bij heeft kennis te hebben van de motieven waarom de kandidatuur van andere werkgeversorganisaties verworpen is of waarom alle aan de werkgeversorganisaties toekomende zetels aan het PGHS toegewezen zijn, dat voor de beoordeling van de representativiteit van de laatstge- noemde vereniging niet afgegaan mag worden op haar benaming of de plaats van haar maatschappelijke zetel maar dat er wel rekening gehouden moet worden met IX-708-14/17 het feit dat zij een nationale werking heeft en dat zij een overkoepelende vereniging van organisaties is die samen alle bedrijfstakken van het paritair comité nr. 226 bestrijken en die elk een nationale werking hebben; verzoekster heeft op de haar gestelde vragen geantwoord dat de bij haar aangesloten bedrijven actief zijn in het nationaal en internationaal wegvervoer, waaronder ook koerierbedrijven en besteldiensten, terwijl een aantal ondernemers in mindere mate combinaties doen tussen transport, expeditie en commissionair of tussenpersonen; bij het onderzoek van de representativiteit moet nagegaan worden of de kandidaat ondernemingen uit de opgesomde bedrijfstakken vertegenwoordigt, waarbij bijkomende activiteiten niet in aanmerking genomen kunnen worden; de activiteit van verzoekster is hoofd- zakelijk gericht op de sector van het goederenvervoer over de weg, maar binnen het ressort van het comité nr. 226 is die bedrijvigheid van bijkomstige betekenis; 4.
  32. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord repliceert dat het bestreden besluit op onvoldoende wijze de criteria van de geografische werking van de kandiderende organisaties en de activiteiten van hun leden hebben gemotiveerd, dat niet wordt aangetoond dat het territoriale werkings- gebied van de organisatie wiens kandidatuur aangenomen is ruimer zou zijn dan de hare, terwijl verschillende van haar leden ook werkzaam zijn in activiteiten en sectoren die vallen onder het paritair comité nr. 226, dat het onderscheid tussen hoofdactiviteit en bijkomende activiteit niet relevant is, dat goederentransport en -behandeling als een geïntegreerde activiteit te aanzien zijn en dat zij onder haar leden bedrijven telt die in hoofdzaak werkzaam zijn in andere activiteiten dan het zuivere transport; 4.
  33. Overwegende dat de tussenkomende partijen stellen dat de formele motiveringswet te dezen niet van toepassing is omdat het bestreden besluit een collectieve strekking heeft en dat, rekening houdend met het uitvoerig advies van de administratie aan de minister en met de begeleidende brief van 11 augustus 1997, wel degelijk voldaan is aan de motiveringsplicht; IX-708-15/17 4.5.
  34. Overwegende dat het bestreden besluit niet het algemeen karakter heeft dat van de akte een reglementair besluit maakt; dat, aangezien er een aantal welbepaalde organisaties in worden aangewezen die in een welbepaald paritair comité mogen zetelen, het gaat om een beslissing die aan de formele motiveringswet onderworpen is; 4.5.
  35. Overwegende dat het bestreden besluit samengelezen moet worden met de brief van 11 augustus 1997 waarbij het besluit ter kennis van verzoekster gebracht is en die steun vindt in de nota van 16 oktober 1996 van de administratie op grond waarvan de minister het bestreden besluit getroffen heeft; dat uit die brief in alle duidelijkheid blijkt waarom de kandidatuur van verzoekster niet aangenomen is en waarom een andere kandidaat als vertegenwoordiger van de werkgeversorganisaties aangewezen is; Overwegende dat uit het door de administratie samengesteld dossier blijkt dat de motivering die de minister heeft aangenomen op correcte feitelijke gegevens steunt; dat inderdaad uit het onderzoek van de administratie niet opgemaakt kan worden dat de PGHS alleen maar ondernemingen uit de Antwerpse havenregio zou vertegenwoordigen of dat haar activiteiten tot dat havengebied beperkt zouden zijn, terwijl er anderzijds ook niet uit blijkt dat verzoekster wel degelijk ondernemingen zou vertegenwoordigen die, buiten het goederenvervoer, actief zijn in andere sectoren die onder de bevoegdheid van het paritair comité nr. 226 vallen; 4.5.
  36. Overwegende dat bij de bespreking van het eerste middel is gezien dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden van de representativiteit om in het paritair comité nr. 226 te zetelen; dat zij er dan ook geen belang bij heeft vastgesteld te zien dat de PGHS ten onrechte alle aan de werkgeversorganisaties toekomende zetels in het comité nr. 226 bezet; 4.5.
  37. Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is, IX-708-16/17 BESLUIT: Artikel
  38. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  39. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 495,80 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een vierde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig januari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-708-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.941 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.