← België

Arrest 139949 - - 31/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.949 Rolnummer: A. 103096/XIV-3144 Zaak: Arrest 139949 - - 31/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-23 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 07:09 Fiche Arrest nr 139.949 van 31 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.949 van 31 januari 2005 in de zaak A. 103.096/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. BAUWENS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 391 bus 15 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 26 april 1979 en van Kongolese nationaliteit, op 7 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 maart 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 26 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-3144-1/7 Gelet op de beschikking van 19 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 1 december 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Y. MALOLO die, loco Advocaat M. BAUWENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 7 december 1999 en verklaart zich vluchteling op 15 december
  6. 1.
  7. Op 22 maart 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 16 maart 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 9 augustus 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Lingala taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Londa-Sengi. Betrokkene verklaarde afkomstig te zijn uit Kinshasa. Zijn broer S. was tijdens het regime van wijlen ex-president Mobutu sergeant voor de DSP ("Division Spéciale Présidentielle"). Bij de machtsovername door Kabila vluchtten de DSP-generaals en andere Mobutu-getrouwen naar Brazzaville (Volksrepubliek Kongo). Betrokkenes broer verliet op 16 mei 1997 samen met betrokkene het huis waarin ze woonden en ze trokken in bij een vriend van S. in Kasa-Vubu (Kinshasa), genaamd André. Betrokkene keerde in januari 1998 naar hun huis terug, zijn broer kwam in maart 1999 na. In juni 1999 werd S. gecontacteerd door een vriend uit de Garde Civile, Julio genaamd, met de vraag andere DSP'ers aan te spreken om mee te werken voor de rebellenbeweging RCD ("Rassemblement Congolais pour la Démocratie"). S. zocht op die manier tien gewezen DSP'ers bijeen. Op 26 augustus 1999 kwamen zeven militairen van de FAC ("Forces Armées Congolaises") bij betrokkene thuis op zoek naar S., die echter niet thuis was. Ze zeiden dat Julio zijn broer had aangegeven en ze vonden een schrift in zijn kamer met de namen van de tien DSP'ers. Omdat ze zijn broer niet vonden pakten ze betrokkene op en sloten ze hem op in het cachot van Matete (Kinshasa). Op 29 augustus 1999 wilde een gewezen FAZ-militair (FAZ zijnde de "Forces Armées Zaïroises", Mobutu's voormalige leger) betrokkene helpen als hij hem het adres van een familielid gaf. Hij gaf hem het adres van zijn XIV-3144-2/7 tante Marie in Ngiri-Ngiri (Kinshasa). Op 2 september 1999 liet hij hem vrij en een klaarstaande auto bracht hem op zijn aangeven naar zijn vriend Alain in de gemeente Selembao (Kinshasa). Die ging de volgende dag zijn tante inlichten dat hij bij hem was. Een week later ging hij op vraag van betrokkene bij hem thuis poolshoogte nemen en kwam hij terug met het bericht dat het huis geplunderd was en de militairen de bevolking opgeroepen hadden hem aan te geven. Half november meldde zijn tante dat de militairen, op zoek naar hem, bij zijn ouders geweest waren en zijn neef opgepakt hadden. Zijn tante zocht en vond een reisagent die tegen 3000 dollar bereid was betrokkene te laten reizen. Op 7 december 1999 vertrok betrokkene samen met de agent naar België waar hij dezelfde dag aankwam en op 15 december 1999 asiel aanvroeg. Er dient te worden vastgesteld dat betrokkene niet aannemelijk kan maken dat er, wat hem betreft, een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie bestaat. Het feit dat zijn broer DSP'er was is een manifest onvoldoende grond voor een terechte vrees voor vervolging in zijnen hoofde aangezien zijn broer van 16 mei 1997 tot eind augustus 1999 ongestoord in Kinshasa bleef wonen en dit de laatste vijf maanden zelfs in zijn eigen huis. De moeilijkheden die betrokkene volgens zijn verklaringen vanaf laatstgenoemde datum ondervond kwamen voort uit de betrokkenheid van zijn broer bij de rebellenbeweging RCD. Als zodanig betroffen ze alleen zijn broer en uit betrokkenes verklaringen blijkt duidelijk dat hij zelf nergens van verdacht werd: indien hij lastiggevallen en opgepakt werd was het alleen met het oog op het vinden van zijn broer. Zijn snelle vrijlating, waarbij hij zonder duidelijke aanleiding na drie dagen van een bewaker hulp kreeg aangeboden, is ongeloofwaardig tenzij men aanneemt dat het regime, anders dan hij beweerde, niet daadwerkelijk de bedoeling had hem te vervolgen. Verder wordt de geloofwaardigheid van betrokkenes relaas door een aantal tegenstrijdige verklaringen ondermijnd. Zo verklaarde hij tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 9 maart 2000) dat zijn broer op de dag van de inval, 26 augustus 1999, bij "een vriend" was, terwijl hij op het Commissariaat-generaal (cf. verhoor in dringend beroep dd. 9 augustus 2000, p. 2) stelde dat hij bij zijn vriend Julio was, de vriend van de Garde Civile via wie hij in contact was gekomen met de rebellie, wat ongeloofwaardig maakt dat betrokkene daarover zou kunnen spreken als over "een" vriend. Verder verklaarde hij ten aanzien van de Dienst Vreemdelingenzaken dat het zijn vriend bij wie hij na zijn ontsnapping onderdook, was die hem vertelde over het militair bezoek aan zijn ouders en de ermee gepaard gaande arrestatie van zijn neef, terwijl hij tijdens het verhoor in dringend beroep (p. 3) verklaarde dat zijn tante hem dit kwam zeggen. Betrokkene legde geen documenten voor, zodat zijn reisweg en identiteit niet kunnen worden nagegaan. Ten slotte bevat het verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep van Mr. Londa- Sengi geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 22 maart
  9. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
  10. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  11. Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert afgeleid uit de schending van artikel 52, § 2, 2/, en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te XIV-3144-3/7 Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat verzoeker daaraan toevoegt dat een manifeste appreciatiefout werd gemaakt; dat hij vooreerst uiteenzet dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de ontvankelijkheidsfase een onderzoek ten gronde heeft gevoerd door te oordelen dat verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging koestert in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat hij toelicht dat, in dit stadium van de procedure, de feiten uit zijn asielrelaas volstaan om een vrees voor vervolging aan te tonen; dat hij vervolgens ingaat op de weerhouden tegenstrijdigheden en afsluit met een commentaar op de overweging van de Commissaris-generaal omtrent het gebrek aan identiteits- en reisdocumenten; 2.
  1. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat verzoeker de Commissaris-generaal ten onrechte ten grieve duidt een onderzoek ten gronde te hebben gevoerd in de ontvankelijkheidsfase; dat zij hierbij verwijst naar het afzonderlijke en individuele onderzoek dat elke asielaanvraag te beurt valt; dat zij tevens verwijst naar de motivering van de bestreden beslissing die uitvoerig aangeeft waarom verzoekers asielaanvraag onontvankelijk is; dat de eerste verwerende partij vervolgens dieper ingaat op de weerhouden tegenstrijdigheden van de bestreden beslissing; dat zij ten slotte repliceert dat verzoeker niet aannemelijk maakt hoe de overweging betreffende de identiteit en reisweg de aangevoerde wetsartikelen zou schenden; Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in haar memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt te volharden in de feiten en middelen, aangebracht in het inleidend verzoekschrift; 2.3.
  2. Overwegende dat, wat het eerste onderdeel van verzoekers middel betreft, de bestreden beslissing werd genomen in het stadium van de ontvankelijkheidsfase van verzoekers asielaanvraag; dat op grond van artikel 52, § 2, 2/, van de Vreemdelingenwet de Minister of diens gemachtigde kan beslissen de vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toe te laten in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven, wanneer de vreemdeling zich bevindt in één van de gevallen bedoeld in de artikelen 52, § 1, 2/ tot 5/, en 7/, van de Vreemdelingenwet; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die gevat is door een dringend beroep tegen een dergelijke beslissing, moet nagaan of voormelde bepaling op correcte wijze is toegepast; dat hij op basis van artikel 63/3, § 1, van de Vreemdelingenwet de aangevochten beslissing bevestigt of beslist dat de betrokkene voorlopig wordt toegelaten in het Rijk in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt de verblijfsweigering genomen door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde XIV-3144-4/7 te bevestigen op basis van een aantal criteria; dat de Commissaris-generaal oordeelt dat verzoekers asielaanvraag onontvankelijk moet worden verklaard wegens het bedrieglijk en kennelijk ongegrond karakter ervan; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing overweegt dat er geen aanwijzing is dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging koestert in de zin van de Vluchtelingenconventie: dat de moeilijkheden die hij ondervond, immers voortvloeien uit de betrokkenheid van zijn broer bij de rebellenbeweging RCD en dat uit zijn verklaringen blijkt dat hij nergens van werd verdacht, dat de Commissaris- generaal ten slotte wijst op een aantal tegenstrijdigheden die de geloofwaardigheid van verzoekers relaas ondermijnen; dat op basis van de motieven opgenomen in de bestreden beslissing de Commissaris-generaal op goede gronden en conform artikel 52 van de Vreemdelingenwet besloot tot de kennelijke ongegrondheid en bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag, zoals blijkt uit wat volgt; dat de Commissaris-generaal terecht een bevestigende beslissing kon nemen in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; 2.3.
  3. Overwegende dat verzoeker vervolgens de materiële motivering van de bestreden beslissing aanvecht; dat hij aanvoert dat de eerste tegenstrijdigheid ten onrechte werd weerhouden: dat zijn verklaringen omtrent zijn vriend Julio immers enkel een precisering zijn ten opzichte van zijn verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken, waar hij enkel sprak over “een vriend”; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing evenwel nader toelicht waarom hij dat element beschouwt als een tegenstrijdigheid: “Zo verklaarde hij tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 9 maart 2000) dat zijn broer op de dag van de inval, 26 augustus 1999, bij "een vriend" was, terwijl hij op het Commissariaat-generaal (cf. verhoor in dringend beroep dd. 9 augustus 2000, p. 2) stelde dat hij bij zijn vriend Julio was, de vriend van de Garde Civile via wie hij in contact was gekomen met de rebellie, wat ongeloofwaardig maakt dat betrokkene daarover zou kunnen spreken als over "een" vriend”; dat het motief steun vindt in het administratief dossier; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat het oordeel van de Commissaris-generaal hieromtrent, onjuist is; dat verzoeker omtrent de tegenstrijdigheid over wie hem berichtte van het militaire bezoek en de arrestatie van zijn neef, aanvoert dat hij op het Commissariaat-generaal wel degelijk heeft verklaard dat zijn neef hem op de hoogte bracht; dat verzoekers argument evenwel niet blijkt uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal; dat het verzoeker vrij staat te bewijzen dat wat de Commissaris-generaal beweert dat hij verklaart heeft, niet of op een andere manier werd gezegd; dat het evenwel niet volstaat dat in het verzoekschrift wordt ontkend dat de weergegeven verklaringen zouden overeenstemmen met hetgeen werd gezegd; dat de interviewer-jurist er geen persoonlijk belang bij heeft dat de verklaringen van de kandidaat- vluchteling onjuist zouden worden weergegeven; dat tot bewijs van het tegendeel het vermoeden geldt dat in het verhoorverslag, zoals samengevat weergegeven in de bestreden beslissing, wordt opgenomen wat de kandidaat-vluchteling werkelijk heeft verklaard; dat verzoeker in casu het tegenbewijs niet levert; XIV-3144-5/7 2.3.
  4. Overwegende dat verzoeker ten slotte de overweging van de Commissaris-generaal op de korrel neemt met betrekking tot de afwezigheid van identiteits- en reisdocumenten; dat hij onder verwijzing naar de Proceduregids, aanvoert dat de meerderheid van de asielzoekers geen documenten bij zich hebben en dat dit geen grond kan vormen voor een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf; dat uit het middel evenwel niet blijkt hoe voornoemde vaststelling van de Commissaris-generaal de wettigheid van de bestreden beslissing aantast; dat bovendien de bestreden beslissing dient te worden gelezen als een geheel en niet als van elkaar losstaande onderdelen; dat het geheel van de overwegingen de Commissaris-generaal ertoe gebracht heeft verzoekers asielaanvraag als bedrieglijk en kennelijk ongegrond te bestempelen; 2.
  5. Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat hij geen concrete elementen aanvoert die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond en bedrieglijk is; dat geen appreciatiefout werd begaan; dat het enig middel ongegrond is, XIV-3144-6/7 BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-3144-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.949 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.