← België

Arrest 139950 - - 31/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.950 Rolnummer: A. 101528/XIV-2538 Zaak: Arrest 139950 - - 31/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 07:09 Fiche Arrest nr 139.950 van 31 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.950 van 31 januari 2005 in de zaak A. 101.528/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VAN PETEGEM, kantoor houdende te 9060 ZELZATE, Leegstraat 217 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Bin- nenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 16 oktober 1962 en van XXX nationaliteit, op 9 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 februari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 9 februari 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-2538-1/5 Gelet op de beschikking van 19 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 1 december 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN die, loco Advocaat K. VAN PETEGEM verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 19 september 2000 en verklaart zich vluchteling op 20 september
  6. 1.
  7. Op 5 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 8 februari 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Aan betrokkene werd op 21 december 2000 op haar gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor haar asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping noch aan de vraag om inlichtingen, bevestigt de Commissaris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 5 oktober
  9. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
  10. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota een exceptie van laattijdigheid opwerpt; dat deze exceptie wordt verworpen aangezien uit de gegevens van XIV-2538-2/5 het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing aan verzoekster ter kennis werd gebracht op 12 februari 2001, zijnde het tijdstip waarop de Postdiensten een bericht achterlieten in de bus van verzoekster; dat de aangetekende verzoekschriften werden ingediend op 9 maart 2001, zijnde binnen de wettelijke beroepstermijn van dertig dagen;
  11. Overwegende dat verzoekster een enig middel afleidt uit een gebrek aan motivering en uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij aanvoert dat de oproepingsbrief van 21 december 2000 voor het verhoor in dringend beroep haar niet heeft bereikt omdat zij sinds 9 november 2000 is ingeschreven op een ander adres; dat zij vervolgens uitlegt dat haar Advocaat werd gecontacteerd door het Commissariaat-generaal met de vraag of er een geldige reden was voor haar afwezigheid op het interview; dat zij toelicht dat haar Advocaat, na navraag te hebben gedaan, het Commissariaat-generaal telefonisch en per fax - respectievelijk op 30 en 31 januari 2001- op de hoogte heeft gebracht van haar nieuw adres; dat zij toegeeft dat zij het nieuw adres pas een maand na de verzending van de oproepingsbrief aan het Commissariaat-generaal heeft ter kennis bracht, maar er tevens op wijst dat haar Advocaat ook pas op 23 januari 2001 door het Commissariaat-generaal werd verwittigd van het feit dat zij niet was opgedaagd op het interview; dat zij zich afvraagt waarom het Commissariaat- generaal toen contact heeft opgenomen met haar Advocaat, nu het met diens inlichtingen uiteindelijk geen rekening houdt; dat zij deze praktijk laakbaar noemt; Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat verzoeksters Advocaat per brief van 10 oktober 2000 aan het Commissariaat-generaal het adres waar verzoekster woonplaats kiest, meedeelt, namelijk E.straat 168, te G.; dat de Commissaris-generaal bijgevolg naar dit adres de aangetekende oproepingsbrief van 21 december 2000 stuurt met het oog op het verhoor in dringend beroep; dat hij eveneens een kopie van de oproeping zendt naar verzoeksters Advocaat; dat de effectieve kennisgeving aan verzoekster van het oproepingsbericht plaatsvindt op 22 december 2000, zijnde de dag waarop de aangetekende zending door de Post op voornoemd adres werd aangeboden; dat verzoekster niet opdaagt op het verhoor dat gepland was op 11 januari 2001; dat het Commissariaat- generaal op 18 januari 2001 verzoeksters Advocaat telefonisch contacteert in verband met verzoeksters afwezigheid op het verhoor in dringend beroep; dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat verzoeksters Advocaat op dat moment (nog) niet op de hoogte is van het nieuwe adres van verzoekster en nog steeds het oude adres doorgeeft; dat verzoeksters Advocaat ten slotte met een faxbericht van 31 januari 2001 verzoeksters adreswijziging meldt aan het Commissariaat-generaal namelijk S.straat 1, te G.; dat de bestreden beslissing wordt genomen op 8 februari 2001; Overwegende dat artikel 51 bis, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), de kandidaat-vluchteling gebiedt om elke wijziging van XIV-2538-3/5 zijn gekozen woonplaats bij een ter post aangetekende zending mee te delen aan de Commissaris-generaal en aan de Minister of zijn gemachtigde; dat voornoemd artikel eveneens bepaalt dat elke kennisgeving aan de betrokkene geldig is wanneer ze naar de gekozen woonplaats wordt verzonden bij een ter post aangetekende zending; dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal de oproepingsbrief geldig naar verzoeksters toenmalige gekozen woonplaats heeft verstuurd, namelijk E.straat 168, te G., het adres dat hem het laatst was medegedeeld; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster haar adreswijziging naar de S.straat 1, te G., laattijdig heeft gemeld aan het Commissariaat-generaal; dat het feit dat verzoekster de oproepingsbrief niet (tijdig) heeft ontvangen en afwezig was op het verhoor, derhalve te wijten is aan haar eigen toedoen; dat de Commissaris-generaal bijgevolg kon overwegen dat verzoekster “zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping noch aan de vraag om inlichtingen”; dat het feit dat het Commissariaat-generaal op 18 januari 2001 (en niet op 23 januari zoals verzoekster beweert) telefonisch contact opnam met verzoeksters Advocaat hieraan geen afbreuk doet; dat de Commissaris-generaal overigens niet verplicht is verzoekster of haar Advocaat te contacteren; dat bovendien verzoeksters Advocaat het nieuwe adres meedeelde nadat hij door het Commissariaat-generaal telefonisch ingelicht was over de afwezigheid van verzoekster op het interview in dringend beroep; dat noch verzoekster, noch haar Advocaat schriftelijk om een tweede interview hebben verzocht; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoekster onontvankelijk is; dat het enig middel ongegrond is;
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-2538-4/5 BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-2538-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.950 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.