← België

Arrest 139964 - - 31/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.964 Rolnummer: A. 102683/XIV-3040 Zaak: Arrest 139964 - - 31/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-21 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 07:10 Fiche Arrest nr 139.964 van 31 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.964 van 31 januari 2005 in de zaak A. 102.683/XIV-3040. In zake : 1. XXX, 2.XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 november 1974 en XXX, geboren op 22 januari 1979, beiden van XXX nationaliteit, op 30 maart 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 2 maart 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 april 2000 en van 13 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 2 maart 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 13 april 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-3040-1/10 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 5 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 januari 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat P. MEULEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De eerste verzoekende partij, XXX, komt België binnen op 30 november 1999 en verklaart zich vluchteling op 2 december 1999. 1.2. Op 5 april 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. De tweede verzoekende partij, XXX, komt België binnen op 22 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 23 augustus 2000. 1.4. Op 13 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.5. Op 2 maart 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten opzichte van XXX is als volgt gemotiveerd: “(...) Betrokkene werd verhoord op 13 december 2000 en 19 januari 2001op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de taal R. machtig is. XIV-3040-2/10 Betrokkene, XXX staatsburger van XXX origine, verliet zijn land op 29 november 1999. Op 2 december 1999 kwam hij in België aan waar hij nog dezelfde dag het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is in het bezit van een geldig XXX internationaal paspoort met Belgisch visum. Volgens zijn verklaringen voor het Commissariaat-generaal van 13 december 2000 en 19 januari 2001 verliet hij zijn land omdat hij omwille van de activiteiten van zijn oom problemen kreeg met de XXX autoriteiten. In 1994 werd betrokkene op zijn werk afgeperst. Hij wilde niet betalen en werd op 27 september 1994 neergeschoten. Betrokkenes ouders dienden dezelfde dag klacht in bij de politie. Van 29 september tot 9 oktober 1994 verbleef hij in het ziekenhuis. De daders werden uiteindelijk aangehouden en veroordeeld tot een gevangenisstraf. Eind 1998 vernam hij van zijn oom dat de daders waren vrijgekomen. Hij vernam ook dat de daders eigenlijk tot de lijfwachten van de Communistische Partij (KP) behoorden. Betrokkenes oom die sinds 1994 lid was van 'R.' gaf hem een week vóór diens dood op 15 februari 1999 een map met documenten. Eén week na de begrafenis van zijn vermoorde oom werd hij meegenomen door agenten van de XXX Staatsveiligheid (S.) en twee dagen vastgehouden. Ze vroegen informatie over de documenten die betrokkene zou hebben, chanteerden hem en sloegen hem. Na zijn vrijlating diende hij een klacht in bij het parket van I. Op 2 maart 1999 kreeg hij dreigtelefoons. Op 8 maart 1999 kwam hij in een park twee van zijn aanvallers van 1994 en twee onbekenden tegen en werd hij geslagen. Vóór 26 maart 1999 kreeg hij telefoon dat hij 1.000 $ moest betalen. Op 26 maart 1999 kwam hij de vier personen van in het park opnieuw tegen. Hij werd met een pistool bedreigd. Hij werd met de wagen tot buiten de stad gebracht waar hij geslagen werd. Ze vertelden dat hij hen 4.000 $ moest betalen. Hij diende hiervan (hiertegen) klacht in. Op de terugweg van het politiebureau werd hij opnieuw aangevallen door drie personen. Hij kreeg messteken en diende van 20 maart 1999 tot 16 april 1999 in het ziekenhuis te verblijven. Betrokkene diende van (tegen) de feiten een klacht in en vernam via zijn advocaat en echtgenote dat er een getuige was. De getuige wilde echter niet helpen. Op 18 april 1999 werd hij opgeroepen door de onderzoeksrechter. Toen hij daar aankwam zag hij dat de onderzoeksrechter met zijn aanvallers aan het spreken was. De onderzoeksrechter vertelde hem dat zijn dossier afgesloten was. Dezelfde dag diende hij klacht in bij het parket van K. Van april tot mei 1999 kreeg hij dreigtelefoons. In die periode kreeg hij ook bezoek van drie personen op zijn werk die 10.000 $ van hem eisten voor de schuld die zijn oom zogenaamd bij hen gehad zou hebben. In zijn firma kreeg hij bezoek van S.-agenten die achter de documenten van zijn oom vroegen. Begin mei 1999 werd hij door S.-agenten meegenomen en drie dagen opgesloten. Hij werd geslagen, bedreigd en gechanteerd. Na zijn vrijlating diende hij een klacht in bij het parket van K. Op 19 mei 1999 kreeg hij een negatief antwoord van het parket van K. Op 2 juni 1999 huurde hij een appartement in I. Op 3 juni 1999 legde hij er een klacht neer bij het parket inzake de behandeling van zijn zaak in K. Op 10 juni 1999 kreeg hij in zijn appartement een dreigtelefoon en (

  1. op)11 juni 1999 werd hij in zijn appartement aangevallen door drie gemaskerde mannen. Hij werd gehospitaliseerd van 11 juni 1999 tot 3 juli 1999. Hij diende samen met zijn advocaat een klacht in (
  2. en)op 19 juli 1999 kreeg hij een negatief antwoord. Betrokkene vernam van zijn echtgenote dat ook zij vervolgd werd door dezelfde personen omwille van de documenten van zijn oom en dat ook zij meerdere keren werd aangehouden door agenten van de S. Op 21 juli 1999 trok hij naar K. waar hij op 3 augustus 1999 een klacht indiende bij het parket-generaal van XXX. Na zijn terugkeer uit K. vernam hij dat zijn advocaat zwaar geslagen was door de personen die ook betrokkene reeds hadden aangevallen. Op 26 augustus belde betrokkenes tante met het nieuws dat haar kind ontvoerd was. Betrokkene ging naar zijn tante en op 27 augustus werd het kind van betrokkenes tante in ruil voor de documenten van zijn oom vrijgelaten. Van 28 augustus 1999 tot 12 oktober 1999 verbleef betrokkene met zijn echtgenote in Polen. Tijdens hun verblijf kreeg betrokkene antwoord van (inzake) zijn klacht bij het parket-generaal van XXX. Op 12 oktober keerde betrokkene met zijn echtgenote terug naar XXX. Op 14 oktober 1999 werd hij door agenten van de S. opgepakt en drie dagen lang opgesloten. Hij werd geslagen en ondervraagd. Na zijn vrijlating diende hij opnieuw klacht in bij het parket van I. en nadien ook opnieuw bij het parket-generaal van O. in K. Op 20 oktober 1999 werd hij in de inkom van zijn appartementsblok aangevallen. Van 20 tot 23 oktober 1999 werd hij door de buurvrouw verzorgd en op 25 oktober 1999 werd hij gehospitaliseerd tot 15 november 1999. Tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis regelden zijn ouders een visa (visum) voor hem. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis verbleef hij bij zijn ouders, zijn schoonouders en vrienden tot hij op 29 november 1999 O. verliet richting België. Er dient te worden opgemerkt dat er zware tegenstrijdig- en ongerijmdheden zijn tussen de onderlinge verklaringen van betrokkene (verhoor Dienst Vreemdelingenzaken van 28 maart 2000 en interview voor het Commissariaat-generaal van 13 december 2000 en 19 januari 2001) die toelaten de waarachtigheid van zijn verklaringen in twijfel te trekken. Zo verklaarde betrokkene voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat het motief voor zijn vertrek afpersing was (zie DVZ, vraag 41). XIV-3040-3/10 Tijdens zijn eerste verhoor voor het Commissariaat-generaal verklaarde hij echter dat hij zijn land moest verlaten omdat hij er problemen kende door het politiek actief zijn van zijn oom, (
  3. en)vervolgd werd door leden van de Communistische partij en de autoriteiten van K. en I. (CGVS 1, p.5-6). Tijdens zijn uitgebreide verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken maakte hij nergens melding van de politieke activiteiten van zijn oom, noch van enige vervolging door leden van de Communistische partij hetgeen toch wel zeer merkwaardig is. Ook verklaarde hij tijdens zijn interviews voor het Commissariaat-generaal dat hij van zijn oom belangrijke documenten kreeg en dat onbekenden en agenten van de S. (XXX Staatsveiligheid) die documenten wilden bemachtigen en dat hij omwille van die documenten problemen kreeg (CGVS 1, p.7, 11, 14 en CGVS 2, p.21). Tijdens zijn verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken is over (van) deze documenten geen sprake, hetgeen wederom zeer merkwaardig is. Betrokkene verklaarde tijdens zijn interview voor het Commissariaat-generaal ook dat hij in totaal drie keer werd opgesloten door de S., de eerste keer voor een periode van twee dagen, een week na de begrafenis van zijn oom, een tweede keer voor een periode van drie dagen begin mei 1999 en een derde keer voor een periode van drie dagen op 14 oktober 1999 (CGVS 1, p. 7, 11 en CGVS 2, p. 21-22). Tijdens zijn verhoor op de Dienst Vreemde- lingenzaken vermeldde hij niets over deze opsluitingen. Integendeel, hij verklaarde zelfs dat hij niet werd opgesloten (DVZ, vraag 44). Het is ongeloofwaardig dat betrokkene deze drie opsluitingen zou zijn vergeten te vermelden tijdens zijn uitgebreide verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Ook verklaarde hij voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij in mei 1999 in zijn zaak bezoek kreeg van mannen die geld eisten (DVZ, vraag 42). Tijdens zijn interview in dringend beroep verklaarde hij dan weer dat hij in zijn zaak bezoek kreeg van mensen die én geld én de documenten van zijn oom eisten en dat ook de S. bij hem de firma kwam doorlichten op zoek naar de documenten van zijn oom (CGVS 1, p.11). Het is merkwaardig dat betrokkene nergens op de Dienst Vreemdelingenzaken de S. vermeldt, noch het feit dat er mensen naar de documenten van zijn oom op zoek waren. Hij verklaarde voor het Commissariaat-generaal ook dat zijn advocaat zwaar in elkaar geslagen werd door de personen die hem vervolgden (CGVS 2, p.18-19). Tijdens zijn verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken vermeldde hij hier niets over (DVZ, vraag 42 & 47). Tijdens zijn interview in dringend beroep verklaarde hij ook dat het kind van zijn tante ontvoerd werd omwille van de documenten van zijn oom en dat hij twee dagen na de ontvoering met zijn echtgenote naar Polen trok waar hij verbleef van 28 augustus 1999 tot 12 oktober 1999 (CGVS 2, p.19-20). Op de Dienst Vreemdelingenzaken rept hij niet met het minste woord over deze ontvoering waardoor er ernstige twijfels ontstaan over het effectief plaatsvinden van dit feit en vermeldt hij ook niets over zijn verblijf in Polen (DVZ, vraag 42). De hierboven vermelde tegenstrijdigheden en het dermate verschillen(
  4. d)van zijn asielrelazen op (
  5. de)Dienst Vreemdelingenzaken en (het) Commissariaat-generaal zijn van die aard dat er aan betrokkenes verklaringen geen enkel geloof meer kan worden gehecht. Gelet op het voorgaande kan er in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève, worden vastgesteld. De door betrokkene in het kader van zijn asielaanvraag neergelegde documenten (internationaal paspoort, rijbewijs, huwelijksakte, medisch attest, attest van kogelwonde, attest moord op oom, certificaat zelfstandige, licentie commerciële activiteiten, zes klachtenbrieven aan politie, parket en parket-generaal, drie brieven parket en parket-generaal, attest medische expertise) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet aangezien ze niet in staat zijn de hierboven aangehaalde tegenstrijdigheden te wijzigen. Ook in het kader van betrokkenes echtgenote XXX (OV 4.904.996) werd een bevestigende beslissing genomen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 5 april 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten opzichte van XXX is als volgt gemotiveerd: XIV-3040-4/10 “(...) Betrokkene werd verhoord op 13 december 2000 en 19 januari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de taal R. machtig is. Betrokkene, XXX staatsburger van XXX origine, verliet haar land begin juni 2000 richting Polen. Op 21 augustus 2000 verliet ze Polen richting België waar ze op 23 augustus 2000 het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is niet in het bezit van een geldig internationaal paspoort. Volgens haar verklaringen voor het Commissariaat-generaal van 13 december 2000 en 19 januari 2001 verliet zij haar land omdat haar man er problemen kende met de XXX autoriteiten. In 1994 werd haar echtgenoot afgeperst en neergeschoten. De daders werden veroordeeld en kwamen vrij in 1998. Eind 1998 kwam de oom van betrokkenes echtgenoot hem vertellen dat de daders vrij waren en gaf hij documenten aan betrokkenes echtgenoot. Op 15 november werd de oom met kogels om het leven gebracht. Eén week later werd haar echtgenoot voor 48 uur opgesloten door agenten van de S. (XXX Staatsveiligheid). Betrokkene diende hierover klacht in bij de politie. Op 2 maart 1999 kregen ze één dreigtelefoontje en op 8 maart 1999 kwamen ze de personen die het dreigtelefoontje gepleegd hadden in het park tegen. Op 26 maart 1999 werd haar echtgenoot meegenomen door mannen in een wagen. Hij werd geslagen en achtergelaten. Haar man ging klacht indienen bij de politie en toen hij terugkwam werd hij opnieuw aangevallen. Van 26 maart 1999 tot 16 april 1999 lag haar echtgenoot in het ziekenhuis. Er werd een klacht ingediend met betrekking tot het incident en twee dagen na zijn ontslag uit het ziekenhuis werd haar echtgenoot opgeroepen door de onderzoeksrechter die liet weten dat het dossier afgesloten was bij gebrek aan bewijzen. Dezelfde dag diende betrokkenes echtgenoot een klacht in bij de procureur van K. Eén maand later kregen ze een negatief antwoord op de klacht. Begin juni verhuisde haar echtgenoot naar I. Daar diende hij klacht in bij de procureur. Op 10 juni 1999 kreeg haar echtgenoot daar een dreigtelefoontje en op 11 juni 1999 vielen drie personen binnen en sloegen haar echtgenoot het ziekenhuis in. Van 11 juni 1999 tot 3 juli 1999 lag haar man in het ziekenhuis. Hun advocaat ging naar de procureur van I. die liet weten dat ze hun klacht beter zouden laten vallen hetgeen ze echter niet deden. Op 19 juli 1999 kregen ze het bericht dat de klacht over de agressie in het appartement ontbrak. Op 21 juli 1999 vertrok haar man naar K. om een klacht in te dienen bij het parket van K. Twee weken later keerde hij terug. Op 26 augustus 1999 belde de tante van haar echtgenoot met het nieuws dat haar kind was ontvoerd. Dezelfde avond ging haar echtgenoot met zijn vriend naar zijn tante. Het kind werd vrijgelaten in ruil voor de documenten van de oom van betrokkenes man. Op 28 augustus vertrokken betrokkene en haar echtgenoot naar Polen. Daar verbleven ze tot 12 oktober 1999. Na hun terugkeer werd haar man op 14 oktober 1999 drie dagen lang opgesloten door agenten van de S. Op 20 oktober werd haar man aangevallen toen hij naar de medisch-legale dienst ging. Van 25 oktober tot 15 november verbleef hij in het ziekenhuis. Op 29 november 1999 verliet haar echtgenoot dan XXX richting België. Betrokkene kreeg na het vertrek van haar man voortdurend dreigtelefoons en durfde niet meer buiten komen. Op 10 januari 2000 werd betrokkene aan(ge)vallen en verloor haar kind. Van 10 januari tot 7 februari 2000 verbleef ze in het ziekenhuis. Eind februari 2000 trok ze naar Polen. In mei 2000 keerde ze terug omdat een vriend haar misschien aan een visum kon helpen. Op 18 mei 2000 diende ze echter geopereerd te worden. Na haar operatie verbleef ze tien dagen in het ziekenhuis. Begin juni 2000 vertrok ze dan terug naar Polen waar ze bleef tot aan haar vertrek richting België op 21 augustus 2000. Er dient te worden opgemerkt dat betrokkene haar asielaanvraag hoofdzakelijk steunt op de motieven aangebracht door haar man ter staving van diens asielaanvraag. Wat betreft het door hem ingestelde dringende beroep werd een bevestigende beslissing genomen op basis van bedrieglijke verklaringen. Derhalve dient ook voor betrokkene met betrekking tot die feiten een bevestigende beslissing te worden genomen. Wat betreft de feiten die zouden hebben plaatsgevonden na het vertrek van betrokkenes man eind november 1999, in casu de dreigtelefoons, de aanval op 10 januari 2000, de miskraam en de operatie, dient te worden opgemerkt dat deze rechtstreeks zouden voortvloeien uit de problemen van haar man. Gezien het bedrieglijke karakter van de verklaringen van betrokkenes echtgenoot, kan (ook) er ook zwaar aan de waarachtigheid van de feiten die betrokkene nadien aanhaalt, worden getwijfeld. Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève, worden weerhouden. De door betrokkene in het kader van haar asielprocedure neergelegde documenten (geboorteakte, huwelijksakte, twee medische attesten) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Ook in het kader van betrokkenes echtgenoot XXX (OV 4.904.996) werd een bevestigende beslissing genomen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzing- en bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn XIV-3040-5/10 appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 13 september 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2. Overwegende dat de brief van de Dienst Vreemdelingenzaken van 14 december 2004 betreffende de actuele verblijfstoestand van de verzoekende partijen vermeldt dat de verzoekende partijen werden afgevoerd van ambtswege op 15 oktober 2002; dat de inhoud van deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen op de openbare terechtzitting van 12 januari 2005; dat de Advocate van de verzoekende partijen ter zitting meedeelt dat zij volhardt in de middelen; dat zij evenwel niet bewijst dat de verzoekende partijen nog in het land zijn en dat de dominus litis nog instructies heeft; dat, wanneer een Advocaat ter zitting verschijnt voor een partij, zijn mandaat wordt vermoed, tenzij er elementen voorhanden zijn die het mandaat in twijfel trekken; dat in casu blijkt dat de verzoekende partijen sedert 15 oktober 2002 geen vaste woon- of verblijfplaats meer hebben in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënten nog steeds in het Rijk verblijven; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdelingen geen gekende woon- of verblijfplaats meer hebben in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, de Raad van State de vorderingen zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang; 3.1.1. Overwegende dat verzoekers in een eerste middel de schending aanvoeren van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel; dat zij aanvoeren dat ernstige schendin-gen van de mensenrechten een vervolging uitmaken; dat verzoekers uiteenzetten dat zij het slachtoffer zijn van een schending van de mensenrechten (zij werden onrechtmatig opgesloten en kregen na ontelbare klachten geen hulp van de politie of hogere overheid) en dat ten onrechte werd vastgesteld dat er in hun hoofde geen bewijs is van vervolging; 3.1.2. Overwegende dat verzoekers niet aanduiden welke bepalingen van het E.V.R.M. of van de Vluchtelingenconventie zij geschonden achten; dat de Raad van State XIV-3040-6/10 aldus zijn wettigheidscontrole niet kan uitoefenen; dat dit onderdeel van het eerste middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissingen onder punt 1.5. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat er ernstige tegenstrijdigheden en ongerijmdheden zijn tussen zijn onderlinge verklaringen, en tot de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag omdat zij zich steunt op de motieven aangebracht door haar echtgenoot, ten opzichte van wie een bevestigende beslissing werd genomen op basis van bedrieglijke verklaringen; dat verzoekers de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet verder uiteenzetten; dat de vage verwijzing naar ernstige schendingen van de mensenrechten die een vervolging uitmaken zodat verzoekers bijgevolg het slachtoffer zijn van een schending van de mensenrechten, niet van die aard is om de vaststellingen van de Commissaris-generaal te ondergraven; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat verzoekers nalaten op concrete wijze de schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel uiteen te zetten; dat dit onderdeel van het middel onontvankelijk is; Overwegende dat het eerste middel in twee van zijn onderdelen onontvankelijk is en voor het overige ongegrond; 3.2.1. Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name de hoorplicht en “het recht op XIV-3040-7/10 verdediging en het recht om hun volledig standpunt naar voor te brengen”; dat er geen tegenstrijdige verklaringen uit de verhoren zijn gebleken; dat, mocht dit het geval zijn geweest, er een toelichting had moeten worden gevraagd en er nieuwe verhoren hadden moeten plaatsvinden; dat verzoekers menen dat zij bij de Dienst Vreemdelingenzaken te weinig tijd hebben gekregen om hun volledig asielverhaal te vertellen; dat zij bij het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wel voldoende tijd hebben gekregen maar dat dit niet meebrengt dat hun relaas niet coherent en plausibel is; dat verzoekers aanvoeren dat hun asielrelazen niet manifest bedrieglijk zijn, noch in strijd zijn met documenten of vaststaande feiten; dat mocht er twijfel rijzen, deze twijfel in het voordeel van de asielzoekers moet spelen; 3.2.2. Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat in voorliggend geval verzoekers hun asielrelaas hebben kunnen naar voor brengen tijdens interviews op de Dienst Vreemdelingenzaken, in het bijzijn van een tolk die de Russische taal machtig is; dat verzoekers een gemotiveerd verzoekschrift tot dringend beroep hebben kunnen indienen, waarna zij op het Commissariaat-generaal uitgebreid werden verhoord en hun asielmotieven uitgebreid hebben kunnen toelichten; dat bijgevolg noch de rechten van verdediging noch de hoorplicht werden geschonden; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog niet verplicht is om de vreemdeling te confronteren met eventuele tegenstrijdigheden in zijn relaas; dat de Commissaris-generaal gebruik kan maken van de gegevens van het dossier, waaronder het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, en dat hij deze verklaringen onderling mag vergelijken; Overwegende dat van een kandidaat-vluchteling wordt verwacht dat hij zijn asielmotieven duidelijk en coherent uiteenzet; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk heeft verklaard op grond van de vastgestelde tegenstrijdigheden in zijn relaas; dat verzoekers deze motieven niet weerleggen; dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de tolk niet correct heeft vertaald en dat verzoekers desbetreffend niet aantonen welke verklaringen foutief zouden zijn vertaald; dat verzoekers bij het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken werden bijgestaan door een tolk die de Russische taal machtig is; dat de verhoorverslagen hen werden voorgelezen; dat verzoekers verklaarden dat de door hen gegeven inlichtingen oprecht waren en dat het verhoorverslag overeenstemde met hun verklaringen; dat de verhoorverslagen door verzoekers werden ondertekend; dat verzoekers geen opmerkingen hebben geformuleerd betreffende het optreden van de tolk bij het Commissariaat-generaal; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is; XIV-3040-8/10 3.3.1. Overwegende dat verzoekers in een derde middel de schending van de motiveringsplicht inroepen; dat in de bestreden beslissingen “enkel door middel van een stereotiepe zinsnede wordt gesteld dat geen afdoend bewijs is geleverd van vervolging zonder enige juridische ontwikkeling in verband met de werkelijke weigeringsgronden (zie art. 1 van het Vluchtelingenverdrag)”; Overwegende dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de Commissaris-generaal heeft besloten tot de onontvankelijkheid van de asielaanvragen van verzoekers omdat ze hetzij bedrieglijk, hetzij kennelijk ongegrond zijn; dat uit de weergave van de bestreden beslissingen onder punt 1.5. van dit arrest, genoegzaam blijkt dat de Commissaris-generaal in detail alle tegenstrijdigheden en ongerijmdheden opsomt en analyseert; dat verzoekers nalaten om deze ongerijmdheden en tegenstrijdigheden te weerleggen; dat bijgevolg de bestreden beslissingen gedragen worden door afdoende en pertinente motieven, die steun vinden in het administratief dossier; dat het derde middel ongegrond is; 4. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-3040-9/10 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-3040-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.964 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.