← België

Arrest 139971 - - 01/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.971 Rolnummer: A. 91581/XII-2601 Zaak: Arrest 139971 - - 01/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-04 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 07:10 Fiche Arrest nr 139.971 van 1 februari 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.971 van 1 februari 2005 in de zaak A. 91.581/XII-

  1. In zake : de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS HOREBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat P. Taelman, kantoor houdende te Gent, Coupure 5 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat V. Van Obberghen, kantoor houdende te Vilvoorde, Riddersstraat 2, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Katholiek Onderwijs Horebeke op 5 mei 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “art. 56 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 1999 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, dat is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2000”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2004; XII-2601-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. Brewaeys; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Vanheule, die loco advocaat P. Taelman verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat V. Van Obberghen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de bestreden bepaling artikel 47 wijzigt van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, dat de inrichtende machten er toe verplicht om de personeelsleden, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking aan één van de in § 1 van dat artikel vermelde scholen, tewerk te stellen ingeval van reaffectatie of wedertewerkstelling door de Vlaamse Reaffectatiecommissie; dat de verwerende partij uiteenzet dat de aanpassing aan het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 noodzakelijk was geworden ingevolge de inwerkingtreding van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs en van het bijzonder decreet (eveneens) van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; dat de wijzigende bepaling de lijst in § 1 uitbreidt met scholen op het niveau van het basisonderwijs, zijnde de gesubsidieerde vrije niet confessionele gesloten scholen, de gesubsidieerde vrije protestantse lagere school te Horebeke en de gesubsidieerde vrije protestantse basisschool te Boechout; dat op 15 juni 1989 de Raad van State, bij toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/, om een spoedeisend advies werd verzocht; dat het spoedeisend karakter als volgt werd gemotiveerd : “door de omstandigheid dat ingevolge de bepalingen van het decreet van 14 juli 1998 (...), de inrichtende machten thans de organisatie van de nieuwe scholengemeenschappen volop voorbereiden en dat het nieuwe personeelsbeleid in de individuele instellingen meer en meer wordt afgestemd op het beleid van de ganse scholengemeenschap; dat het uiteraard vereist is dat XII-2601-2/6 de inrichtende machten weten hoe zij op 1 september 1999 dit personeelsbeleid moeten voeren; dat het daarom dringend noodzakelijk is dat de inrichtende machten zo snel mogelijk weten hoe zij de betrekkingen in hun instellingen moeten verdelen en hoe zij bij een tekort aan betrekkingen bepaalde personeelsleden moeten inzetten binnen de andere instellingen van de inrichtende macht en dit al of niet binnen de structuur van de nieuwe scholengemeenschap. Vermits met de voorbereidende schikkingen betreffende de verdeling van de betrekkingen en de daaraan verbonden personeelsbewegingen in het licht van de nieuwe scholengemeenschappen tijdig moet worden gestart, moeten de instellingen spoedig worden ingelicht”;
  4. De ontvankelijkheid. Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de verzoekende partij, in zover zij het principe van reaffectatie en/of wedertewerkstelling van andere inrichtende machten en netoverschrijdende reaffectaties betwist, geen belang heeft bij de vordering aangezien bij een eventuele vernietiging, het besluit van 29 april 1999 in zijn vorige niet bestreden versie zal herleven en het besluit van 29 april 1992 reeds voorzag in de verplichte reaffectatie of wedertewerkstelling van personeelsleden van andere inrichtende machten alsook in de verplichte netoverschrijdende reaffectatie; Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat zij alleen de uitbreiding aanvecht van artikel 47 tot het basisonderwijs, dat deze uitbreiding voor het eerst geschiedt en haar nu treft aangezien zij enkel basisonderwijs verstrekt; dat zij er ook op wijst dat er een belang ontstaat om de vernietiging te vorderen doordat de overheid de reaffectatieregeling opnieuw in overweging heeft genomen; Overwegende dat -in vergelijking met de vroegere regeling- de in artikel 47 vervatte principes door de bestreden bepaling van toepassing worden verklaard op onder meer het basisonderwijs, wat de verzoekende partij het rechtens vereiste belang verleent ertegen op te komen; dat de exceptie wordt verworpen;
  5. Ten gronde. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel afleidt uit de schending van artikel 84, eerste lid, 2/, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, doordat de Vlaamse regering in de aanhef van het besluit de spoedeisendheid verantwoordt door de noodzaak voor de scholen om per 1 september 1999 hun personeelswerking binnen het door het decreet van 14 juli XII-2601-3/6 1998 gewijzigde kader te kunnen aanpassen, terwijl deze spoedeisendheid uitsluitend het gevolg is van het eigen stilzitten van de Vlaamse regering; dat wordt toegelicht dat het decreet, waaraan het besluit uitvoering verleent, dateert van 14 juli 1998, dat het elf maanden duurde, met name tot 15 juni 1999 alvorens de minister van Onderwijs de Raad van State om een advies verzocht, dat na het advies van de afdeling wetgeving op 17 juni 1999 het nog bijna twee maanden duurde alvorens de Vlaamse regering op 31 augustus 1999 haar goedkeuring verleent en het besluit pas meer dan een half jaar later, met name op 7 maart 2000, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad; dat zij besluit dat de afdeling wetgeving van de Raad van State door de verwerende partij misleidend werd voorgelicht; Overwegende dat de verwerende partij daar tegenover stelt dat rekening houdend met de complexiteit en gevoeligheid van de materie en de verlofperiodes, het besluit met niet aflatende zorgvuldigheid tot stand is gekomen; dat er geen redenen zijn om de spoedeisendheid in twijfel te trekken; dat het tijdsverloop tussen de totstandkoming van het besluit en de publicatie in het Belgisch Staatsblad bij de beoordeling van de spoedeisendheid op zichzelf gezien niet als determinerend voorkomt en dat moet rekening worden gehouden met de tijd nodig voor de vertaling van de omvangrijke tekst en met het feit dat de gemeenschappen en de gewesten slechts op een zo spoedig mogelijke publicatie bij het bevoegd federaal bestuur kunnen aandringen, zonder de termijn zelf in handen te hebben; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat het spoedeisend karakter, dat zij had ingeroepen op het ogenblik van de adviesaanvraag, achteraf, door omstandigheden, eigen aan de gebruiken van het departement Onderwijs, is weggevallen en dat het wegvallen van de spoedeisendheid na het inwinnen van het advies geenszins de spoedeisendheid ontkracht die werkelijk bestond op het ogenblik van het inwinnen van dit advies; dat zij uiteenzet dat de scholen tijdens de vakantiemaanden door omzendbrieven en mededelingen op de hoogte werden gebracht van de reglementering die zou van kracht worden bij het ingaan van het komende schooljaar; Overwegende dat dit betoog voorbijgaat aan het feit dat het elf maanden geduurd heeft vooraleer de verwerende partij de Raad van State een advies vroeg over het uitvoeringsbesluit van het decreet van 14 juli 1998 en het feit dat achteraf evenmin spoed aan de dag werd gelegd om het besluit goed te keuren XII-2601-4/6 en te publiceren; dat het versturen van omzendbrieven of mededelingen daaraan geen afbreuk kan doen; Overwegende dat het bestreden besluit, genomen op 31 augustus 1999, uiteindelijk slechts in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2000 werd bekendgemaakt; dat de verwerende partij echter niet aangeeft hoelang de vertaling op zich heeft laten wachten; dat zij evenmin aangeeft hoe en wanneer zij er bij de federale overheid heeft op aangedrongen om snel tot publicatie over te gaan; dat uit het door de verzoekende partij geschetste tijdsverloop blijkt dat de verwerende partij ten onrechte een spoedeisende adviesaanvraag heeft ingediend en ten onrechte heeft belet dat de afdeling wetgeving een volwaardig onderzoek aan de betrokken wettekst kon wijden, BESLUIT: Artikel
  6. Vernietigd wordt artikel 56 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 1999 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtweddetoelage. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Artikel
  8. Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op de zelfde wijze als de vernietigde reglementaire bepaling. XII-2601-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een februari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-2601-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.971 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.