← België

Arrest 139973 - - 01/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.973 Rolnummer: A. 80592/X-8459 Zaak: Arrest 139973 - - 01/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-08 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 07:10 Fiche Arrest nr 139.973 van 1 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 139.973 van 1 februari 2005 in de zaak A. 80.592/X-

  1. In zake :
  2. Marleen DE RYCK,
  3. Paule RONSSE,
  4. Frans ROGIERS, die woonplaats kiezen bij Advocaat H. LIEVENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Paul Fredericqstraat 72 tegen :
  5. de gemeente KOKSIJDE, die woonplaats kiest bij Advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te 3001 LEUVEN-HEVERLEE, Ijzerenmolenstraat 105,
  6. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  7. tussenkomende partij : de n.v. CENTRIMO, die woonplaats kiest bij Advocaat A. D'HALLUIN, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Residentie Steenkin, Schippersstraat 1/
  8. -------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marleen DE RYCK, Paule RONSSE en Frans ROGIERS op 6 oktober 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  9. het besluit van 8 oktober 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde waarbij aan de n.v. CENTRIMO de bouwvergunning wordt verleend voor het oprichten van een "appartementsvilla na afbraak koppelwoning" aan de Potvisstraat-Gillis Scottlaan te Koksijde, op een perceel kadastraal bekend, Sectie F, nrs. 1043, 1044 en 1045, en, X-8459-1/9
  10. het daaraan voorafgaand gunstig advies van 7 mei 1997 van de gemachtigde ambtenaar; Gelet op het arrest nr. 81.424 van 29 juni 1999 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de n.v. CENTRIMO in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen, de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld en de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure ten laste van de tussenkomende partij worden gelegd; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partijen op 5 juli 999; Gelet op het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 26 juli 1999 ingediend door de eerste verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 3 december 1999 ingediend door de n.v. CENTRIMO; Gelet op de beschikking van 22 december 1999 die de tussenkomst van de n.v. CENTRIMO toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 24 februari 2004, die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de eerste verzoekende partij en van de tweede verwerende partij; Gezien de laatste memorie van de tussenkomende partij; X-8459-2/9 Gelet op de beschikking van 25 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. LIEVENS, die verschijnt voor de eerste verzoekende partij, van Advocaat H.-K. CAREME, die loco Advocaat P. LUYPAERS, verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat Y. FRANÇOIS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en die loco Advocaat A. D'HALLUIN eveneens verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, aan de verzoekende partijen melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat de tweede en derde verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat op grond van voornoemd artikel 15ter, § 1, de kamer de afstand van geding vaststelt; dat niets de toepassing van die bepaling in de weg staat; Overwegende dat de n.v. CENTRIMO op 8 januari 1997 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde een bouwaanvraag heeft ingediend voor het oprichten van een appartementsvilla na X-8459-3/9 afbraak van een bestaande koppelwoning aan de Potvisstraat-Gillis Scottlaan te Koksijde, op een perceel kadastraal bekend sectie F, nrs. 1043, 1044 en 1045, in de onmiddellijke nabijheid van de eigendom van eerste verzoekende partij; dat blijkens de plannen het ontwerp een bouwwerk betreft van 17,45 m op 17,60 m, met een kroonlijsthoogte variërend van 5,80 m tot circa 8 m, een nokhoogte van 11 m, een dakoversteek van 1,45 m en een alzijdig dak met een helling van 50/ rondom een centraal gelegen plat dak; dat in deze appartementsvilla 9 woongelegenheden zijn voorzien, waarvan 3 appartementen op het gelijkvloers, 3 op de eerste verdieping en 3 in de dakverdieping, en een ondergrondse parkeergarage met 9 plaatsen; dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 6 december 1976 vastgesteld gewestplan Veurne-Westkust is gelegen in woongebied; dat de gemachtigde ambtenaar op 7 mei 1997 een gunstig advies heeft uitgebracht over de bouwaanvraag, dat dit de tweede bestreden beslissing is; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 8 oktober 1997 de bouwvergunning heeft verleend, dat dit het eerste bestreden besluit is; Overwegende dat de eerste verwerende partij opwerpt dat de eerste verzoekende partij ten onrechte de gemeente Koksijde heeft aangeduid als verwerende partij, dat het college van burgemeester en schepenen, wanneer het een bouwvergunning aflevert, optreedt als een door de wet met een opdracht van algemeen belang belaste overheid, zodat niet de gemeente Koksijde, maar wel het college van burgemeester en schepenen tegenpartij dient te zijn in de procedure, en de gemeente Koksijde derhalve buiten de zaak dient te worden gesteld; Overwegende dat, wanneer het college van burgemeester en schepenen een bouwvergunning verleent, het college optreedt als een orgaan van de gemeente; dat alleen de gemeente, weliswaar vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, en niet het college, tegenpartij is bij het beroep dat wordt ingesteld tegen een bouwvergunning; dat de exceptie niet gegrond is; Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat de eerste verzoekende partij geen belang heeft bij haar beroep nu haar perceel niet grenst aan het kwestieus terrein; Overwegende dat de eerste verzoekende partij in het verzoekschrift tot nietigverklaring uiteenzet eigenares te zijn van de woning gelegen G. Scottlaan 34 te Koksijde; dat het project zich in de directe omgeving van haar eigendom bevindt en dat zij rechtstreeks zicht heeft op het bouwwerk; dat zij X-8459-4/9 hierdoor alleen reeds van het rechtens vereiste belang doet blijken; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de eerste verwerende partij, hierin bijgevallen door de tweede verwerende partij en de tussenkomende partij, voorts opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is ratione temporis; dat zij stelt dat de afbraakwerken een aanvang namen op 23 juni 1998, zodat eerste verzoekende partij, gelet op de omvang van het project, minstens op dat ogenblik op de hoogte was van de afgeleverde bouwvergunning, dat minstens eerste verzoekende partij zelf toegeeft dat zij einde juli het kwestieuze dossier ging inkijken en zij zich derhalve op dat moment onmiddellijk een voldoende en juist oordeel heeft kunnen vormen over de omvang en de inhoud van de bouwvergunning, dat het zeer redelijk is te vermoeden dat eerste verzoekende partij al langer op de hoogte was van de verkregen bouwvergunning, gelet op de naambekendheid van het project in kwestie, dat wie beroep instelt, behoort te bewijzen dat zijn beroep binnen de beroepstermijn is ingesteld, en dat het niet in de macht van de potentiële verzoeker mag liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij in rechte wenst te bestrijden, die kennisneming uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten het weten zowel van de overheid van wie zij uitgaat als van alle andere belanghebbenden in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien, dat de verzoekende partij zelf stelt dat zij op 25 augustus 1998 in het bezit was van alle relevante stukken ter zake, zodat het geenszins redelijk is, dat zij tot 6 oktober 1998 heeft gewacht met het indienen van het verzoekschrift; Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoek tot voortzetting stelt dat ze schriftelijk kopijen heeft besteld van de bouwplannen en dat ze deze schriftelijke vraag is gaan afgeven op de technische dienst, dat de gemeente niet bewijst dat zij die dag ook het dossier heeft ingekeken; dat zij diezelfde dag haar raadsman heeft gecontacteerd, die haar meedeelde dat er nog andere afschriften dienden besteld te worden, dat de vraag tot het verkrijgen van bijkomende afschriften op 31 juli 1998 werd opgestuurd, dat de aanvang van de afbraakwerken haar onbekend was, dat het bericht van de aanvang van de afbraakwerken niet werd uitgehangen en dat zij hiervan niet verwittigd werd, dat zij slechts per brief, verzonden op 26 augustus 1998, van de gemeente heeft vernomen dat het college in zitting van 5 augustus 1998 heeft beslist dat een afschrift van de gevraagde stukken mocht worden afgegeven, dat zij enkele dagen vóór 26 augustus 1998 telefonisch X-8459-5/9 heeft vernomen dat zij de toelating had gekregen tot het verkrijgen van afschriften en dat zij deze stukken op de gemeente is gaan afhalen op 25 augustus 1998; Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat de verzoekende partij erkent dat zij eind juli 1998 naar het gemeentehuis is gegaan om inlichtingen en afschriften te vragen, dat zij op dat ogenblik binnen een redelijke termijn inzage heeft gevraagd en gekregen, dat de termijn uiterlijk op 31 juli 1998 begon te lopen, dat het naast de kwestie is te weten wanneer ze afschriften heeft ontvangen, dat de beroepstermijn niet begint te lopen vanaf de datum dat men een tweede maal van zijn inzagerecht gebruik maakt, dat er anders over oordelen zou impliceren dat de burger voor zichzelf de termijn verschillende malen zou kunnen verschuiven; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie in essentie betoogt dat verzoekster zelf toegeeft dat zij eind juli 1998 bij de technische dienst van de gemeente Koksijde heeft aangeklopt om alle nuttige stukken van het administratief dossier te bestellen, dat daaruit volgt dat verzoekster eind juli 1998 kennis had van de bestreden bouwvergunning en dat zij op dat ogenblik, eventueel vergezeld van haar raadsman en de andere verzoekers, deze bouwvergunning kon gaan inzien bij de technische dienst van de gemeente Koksijde teneinde zich met voldoende feitelijke kennis van zaken een juist oordeel te vormen over de omvang en de inhoud van de bouwvergunning, dat verzoekster er ten onrechte van uitgaat dat de termijn van zestig dagen pas ingaat op het ogenblik dat zij het volledig administratief dossier heeft ontvangen van de technische dienst van de gemeente Koksijde en niet op het ogenblik dat zij redelijkerwijze kennis kon krijgen van de bestreden beslissing; Overwegende dat bouwvergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden; dat voor derden belanghebbenden de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalde termijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning of ervan kennis konden hebben, gebruik makend van de hen door artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw geboden mogelijkheid om er ten gemeentehuize inzage van te nemen; dat op derden belanghebbenden de verplichting rust om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van het hen wettelijk toegekende inzagerecht; dat deze termijn X-8459-6/9 ingaat de dag waarop zij, aan de hand van wat zij kunnen vaststellen op de plaats waar de vergunde bouwwerken worden uitgevoerd, zich ervan rekenschap dienen te geven dat krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, voor de uitvoering van die werken een bouwvergunning vereist is, en dat zij bijgevolg redelijkerwijze moeten of kunnen veronderstellen dat een vergunning is afgegeven; dat het niet in de macht van een potentiële verzoeker mag liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel in rechte wenst te bestrijden, die kennisneming uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten het weten zowel van de overheid van wie zij uitgaat als van alle andere belanghebbenden in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien; dat die termijn alleszins niet begint te lopen de dag dat de belanghebbende kennis krijgt van het grievend karakter van de vergunning; Overwegende dat eerste verzoekende partij betoogt dat, toen zij einde juli 1998 haar voorbereidingen trof om samen met haar gezin de maand augustus in hun buitenverblijf in Koksijde door te brengen, zij bemerkte dat de koppelvilla op de percelen 1043 en 1044 was afgebroken, dat zij zich alsdan zelf naar de technische dienst heeft begeven en "alle nuttige stukken van het administratief dossier (heeft) besteld", dat zij deze stukken "na diverse telefoons naar de Gemeente wegens het lang uitblijven op 25 augustus 1998" heeft ontvangen, dat zij zich pas vanaf deze datum met voldoende feitelijke kennis van zaken een juist oordeel kon vormen over de omvang en de inhoud van de bestreden bouwvergunning, en dat de bouwwerken tot dan nog geen aanvang hadden genomen; Overwegende dat eerste verzoekende partij naar eigen zeggen einde juli 1998 heeft vastgesteld dat de op het bouwperceel bestaande koppelvilla was afgebroken en dat zij alsdan zelf naar de technische dienst van de gemeente is geweest en aldaar "alle nuttige stukken van het administratief dossier heeft besteld"; dat aldus blijkt dat zij op dat ogenblik reeds wist dat er een bouwvergunning was afgegeven; dat zij toen ten gemeentehuize ook kennis had kunnen nemen van de bestreden bouwvergunning; dat de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te stellen op dat ogenblik is beginnen lopen; dat de stelling van eerste verzoekende partij dat zij zich pas met voldoende feitelijke kennis van zaken een juist oordeel heeft kunnen vormen over de omvang en de inhoud van de bestreden X-8459-7/9 bouwvergunning, nadat zij in het bezit was gesteld van een afschrift van de door haar bestelde stukken van het bouwdossier niet opgaat; dat zij immers krachtens voornoemd artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 gerechtigd is ten gemeentehuize inzage te nemen van de bouwvergunning en zich derhalve alleszins reeds op dat ogenblik een oordeel had kunnen vormen over de omvang en de inhoud van de bouwvergunning; dat het verkrijgen van een afschrift van "alle nuttige stukken van het bouwdossier" hiervoor geen noodzakelijke vereiste is; dat het beroep tot nietigverklaring is ingesteld op 6 oktober 1998, d.i. alleszins meer dan 60 dagen nadat eerste verzoekende partij einde juli 1998 kennis had of alleszins had kunnen hebben van de bestreden bouwvergunning; dat de vordering tot nietigverklaring in haren hoofde buiten termijn is ingesteld; dat de exceptie van niet- ontvankelijkheid gegrond is, BESLUIT: Artikel
  11. De afstand van het geding wordt vastgesteld ten aanzien van de tweede en de derde verzoekende partij. Artikel
  12. Het beroep tot nietigverklaring van de eerste verzoekende partij wordt verworpen Artikel 3 De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een derde De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de eerste verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123.95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-8459-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een februari 2005, door de Xe kamer die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad C. ADAMS, staatsraad mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8459-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.973 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.81.424 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.