← België

Arrest 139976 - - 01/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.976 Rolnummer: A. 125064/X-11071 Zaak: Arrest 139976 - - 01/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-08 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 07:11 Fiche Arrest nr 139.976 van 1 februari 2005 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.976 van 1 februari 2005 in de zaak A. 125.064/X-11.

  1. In zake : de b.v.b.a. ITEGEMS AUTOPARK, die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te 3001 HEVERLEE, IJzerenmolenstraat 105 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. ITEGEMS AUTOPARK op 7 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 mei 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Zonevreemde bedrijven" genaamd, van de gemeente Heist-op-den- Berg, bestaande uit dertien deelplannen van de bestaande toestand en dertien bestemmingsplannen met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, met uitsluiting van de met een blauwe rand omzoomde plandelen en de daarop betrekking hebbende stedenbouwkundige voorschriften, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juni 2002 "doch louter in zoverre het ertoe strekt de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Heist-op-den-Berg houdende de definitieve aanvaarding van het BPA zonevreemde bedrijven van 4 september 2001 niet goed te keuren wat betreft de met blauwe rand omzoomde plandelen inzake de percelen van de verzoekende partij kadastraal bekend, Sectie C, nummer 320c2"; Gelet op het arrest nr. 121.293 van 3 juli 2003 waarbij de vordering tot schorsing wordt verworpen, de bekendmaking van het arrest wordt bevolen op dezelfde wijze als het bestreden besluit en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; X-11.071-1/5 Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan verzoeker op 10 juli 2003; Gelet op de kennisgeving aan verzoeker, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gelet op het schrijven van de verzoekende partij van 16 september 2003, waarbij zij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 4 november 2003, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 21 november 2003, datum waarop de zaak sine die wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 20 juli 2004, waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat H.- K. CAREME, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker met een ter post aangetekende brief van 8 december 2003 een "nota hoorzitting" indient; dat dit stuk niet is voorzien in de procedure; dat het om deze reden uit de debatten wordt geweerd; Overwegende dat het arrest nr. 121.293 van 3 juli 2003 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft verworpen; dat dit arrest op 10 juli 2003 aan de verzoekende partij ter kennis is X-11.071-2/5 gebracht; dat zij op 22 juli 2003 een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend; dat in tegenstelling tot wat in het begeleidend schrijven wordt gemeld, de zegels niet zijn bijgevoegd; dat de verzoekende partij de zegels alsnog op 16 september 2003 heeft toegezonden; Overwegende dat de griffie bij brief van 12 september 2003, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding, aan de verzoekende partij heeft meegedeeld dat de afstand van geding zal worden uitgesproken tenzij zij vraagt om te worden gehoord; dat de verzoekende partij in haar verzoek om te worden gehoord aanvoert dat de ontstentenis om bij het verzoek tot voortzetting de nodige fiscale zegels te voegen niet mag worden gesanctioneerd met een arrest waarbij de afstand van geding wordt uitgesproken, dat zij toelicht dat de beroepen tot nietigverklaring en de vorderingen tot schorsing die niet zijn gezegeld niet ongeldig zijn, maar enkel niet op de rol worden ingeschreven, dat het verzoekschrift slechts ongeldig wordt wanneer de verzoekende partij die door de griffie wordt uitgenodigd de verschuldigde rechten te voldoen, hieraan geen gevolg heeft gegeven binnen een redelijke termijn; dat het koninklijk besluit van 17 februari 1997 geen verstrengde regeling ten opzichte van de kwijting van zegelrechten met zich meebrengt, dat integendeel tal van versoepelingen zijn voorzien, dat dezelfde rechtsgevolgen dienen te worden verbonden aan de afwezigheid van fiscale zegels op het verzoekschrift tot voortzetting als aan de afwezigheid van fiscale zegels op eender welk ander verzoekschrift, nl. dat de zaak niet op de rol wordt ingeschreven en dat de verzoekende partij binnen een redelijke termijn nadat zij hiertoe is aangemaand door de griffie de verschuldigde zegelrechten dient te kwijten, dat zij in casu vier dagen na ontvangst van het aangetekend schrijven het verzoekschrift tot voortzetting met een fiscale zegel heeft vervolledigd, dat dit derhalve binnen een manifest redelijke termijn is geschied; Overwegende enerzijds dat inzake de beroepen tot nietigverklaring welke niet gepaard gaan met een vordering tot schorsing of inzake die laatste vorderingen, uit de artikelen 70, § 1, eerste lid, 2/, en 71, eerste lid, b), van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, hierna "het algemeen procedurereglement", volgt dat het betrokken verzoekschrift gezegeld moet zijn en dat de vereiste zegels in principe moeten zijn aangebracht op het moment waarop het betrokken verzoekschrift bij de Raad van State wordt ingediend of uiterlijk vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen dat moet gebeuren; dat X-11.071-3/5 de griffier in deze gevallen de zaak niet op de rol brengt, zoals artikel 96 van het bij besluit van de Regent van 15 april 1949 goedgekeurd reglement van orde van de Raad van State voorschrijft wanneer de vereiste rechten niet zijn betaald; dat anderzijds, inzake de beroepen tot nietigverklaring waarbij voorafgaandelijk een vordering tot schorsing werd ingesteld, de zaak reeds op de rol is ingeschreven; dat dus, in het licht van de desbetreffende reglementaire bepalingen, de situatie van degene die een inleidend verzoekschrift tot schorsing of tot nietigverklaring indient, verschilt van die van de verzoeker wiens vordering tot schorsing werd verworpen en die de voortzetting vraagt; Overwegende dat uit het samen lezen van de artikelen 70, § 1, eerste lid, 2/, en 71, eerste lid, b) van het algemeen procedurereglement volgt dat de vereiste zegels in principe moeten zijn aangebracht op het moment waarop het verzoek tot voortzetting bij de Raad van State wordt ingediend en in elk geval vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen dat moet gebeuren; dat anders geen regelmatig, dat is onder meer behoorlijk gezegeld, verzoekschrift tot voortzetting van de procedure wordt ingediend binnen de gestelde termijn; dat bovendien artikel 70, § 1, tweede lid, het ogenblik aangeeft waarop, indien de vordering tot schorsing is verworpen, het recht van het verzoekschrift tot nietigverklaring moet worden betaald, namelijk bij het instellen van het verzoek tot voortzetting van de procedure; dat de hoofdgriffier van de Raad van State, telkens hij met toepassing van artikel 15ter, § 2, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State een verzoekende partij in kennis stelt van de wettelijke verplichting om, wanneer zij zulks wenst, de voortzetting van het geding te vragen, melding maakt van de verplichting om fiscale zegels te kleven; dat de verwittiging die de hoofdgriffier aan de verzoekende partij zendt ingeval zij bij het indienen van een verzoekschrift tot nietigverklaring of een verzoekschrift tot schorsing de vereiste zegels niet heeft aangebracht, ingeval van voortzetting van de procedure na verwerping van de vordering tot schorsing, reeds op voorhand wordt gegeven, met name op het ogenblik waarop het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing ter kennis van de verzoekende partij wordt gebracht; Overwegende dat de verzoekende partij niet betwist dat zij er uitdrukkelijk, persoonlijk en van tevoren op is gewezen dat bij het verzoek tot voortzetting voor 175 euro fiscale zegels moesten worden gevoegd en dat zij dit laattijdig heeft gedaan; dat het verzoek tot voortzetting niet regelmatig is; dat krachtens artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op X-11.071-4/5 12 januari 1973, een vermoeden van afstand van geding geldt ten aanzien van de verzoekende partij, die niet op regelmatige wijze de voortzetting van de procedure heeft gevraagd, BESLUIT: Artikel
  3. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  4. De kosten tot op heden, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Het door de verzoekende partij bij het verzoek tot horen gekweten recht ten belope van 175 euro, dient te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een februari 2005, door de Xe kamer die was samengesteld uit: de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter,staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11.071-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.976 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.121.293 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.