id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.005 Rolnummer: A. 125960/X-11094 Zaak: Arrest 140005 - - 02/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-08 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 07:12 Fiche Arrest nr 140.005 van 2 februari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.005 van 2 februari 2005 in de zaak A. 125.960/X-11.
- In zake :
- de v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU VLAANDEREN,
- Rachel VAN GIJSEGEM - DE MULDER, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen :
- het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128,
- de gemeente SINT-LIEVENS-HOUTEM. tussenkomende partijen :
- de n.v. FONCK-DEHENNIN (in vereffening),
- Walter DEHENNIN, die woonplaats kiezen bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Visserij 157 A. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU VLAANDEREN en Rachel VAN GIJSEGEM - DE MULDER op 26 augustus 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
- het besluit van 7 juni 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA zonevreemde bedrijven" genaamd van de gemeente Sint-Lievens-Houtem, bestaande uit twee plannen van de bestaande toestand, twee bestemmingsplannen met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften "beperkt tot de mate waarin het bedoeld BPA betrekking heeft op het deelplan 1.
- betreffende de NV FONCK-DEHENNIN";
- de beslissing van 18 juli 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Lievens-Houtem, waarbij aan de n.v. FONCK-DEHENNIN X-11.094-1/9 in vereffening de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor regularisa- tie
(1)van werken niet uitgevoerd conform de stedenbouwkundige vergunning van 24 oktober 1988,
(2)van onvergunde uitbreiding van de bedrijfsgebouwen,
(3)het slopen van een bijgebouw,
(4)het aanpassen van een opslagplaats voor mest,
(5)het opbreken van niet-vergunde verharde delen op een perceel gelegen te Sint-Lievens-Houtem, Meulestraat 16, kadastraal bekend Sectie C, nrs. 188k, 153e3, 153i3, 181b, 181a(deel), 191x, 198g(deel) en 195i; 3. de beslissing van 18 juli 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Lievens-Houtem, waarbij aan de n.v. FONCK-DEHENNIN in vereffening de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een waterzuiveringsinstallatie op een perceel gelegen te Sint-Lievens-Houtem, Meulestraat 16, kadastraal bekend Sectie C, nrs. 188k, 153e3, 153i3, 181b, 181a(deel), 191x, 198g(deel) en 195i; Gelet op het arrest nr. 117.681 van 28 maart 2003 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de n.v. FONCK-DEHENNIN in het administratief kort geding wordt ingewilligd, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt bevolen, de bekendmaking van het arrest wordt bevolen op dezelfde wijze als het eerste geschorste besluit, de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld en de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure ten laste van de tussenkomende partijen worden gelegd; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 25 april 2003 ingediend door de gemeente SINT-LIEVENS-HOUTEM; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 30 april 2003 ingediend door de n.v. FONCK-DEHENNIN (in vereffening) en Walter DEHENNIN; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 2 mei 2003 ingediend door het Vlaamse Gewest; Gelet op de beschikking van 17 juni 2003 die het verzoekschrift tot voortzetting van het geding, ingediend door de n.v. FONCK-DEHENNIN (in vereffening) en Walter DEHENNIN, voor het verdere verloop van de procedure X-11.094-2/9 tevens aanziet als een verzoek tot tussenkomst en die de tussenkomst van de n.v. FONCK-DEHENNIN, in vereffening, en van Walter DEHENNIN toelaat; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij; Gezien de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 21 november 2003 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 24 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN, Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat V. TOLLENAERE, die verschijnt voor de eerst verwerende partij, en van Advocaat B. ROELANDTS, die verschijnt voor de tussenkomende partijen,; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de door de tweede verwerende partij ingediende "laatste memorie" niet ter post aangetekend aan de Raad van State werd toegezon- den; dat zij geen vaste datum heeft verkregen binnen de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 14, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; dat zij uit de debatten wordt geweerd; X-11.094-3/9 Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord de ontvankelijkheid van het verzoek tot voortzetting van de eerste verwerende partij betwisten; dat zij stellen dat "(het) volgens art. 82 e.v. van de BWHI 8 augustus 1980 (...) de regering (
- is)die de Gemeenschap of het Gewest in rechte en buiten rechte vertegenwoordigt" en vragen dat "minstens een besluit van het bevoegde gewestelijk orgaan tot bekrachtiging van de voortzetting van de procedure dd. 2 mei 2003, zou worden overgelegd"; Overwegende dat het verzoek tot voortzetting vanwege de verwerende partij tot doel heeft te voorkomen dat het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 17, § 4bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt ingewilligd en het bestreden besluit uit kracht van de wet kan worden vernietigd; dat het verzoek tot voortzetting aldus een akte van verweer uitmaakt; dat het indienen van een zodanig verzoek derhalve niet gelijkstaat met het beslissen tot het instellen van een beroep; dat in onderhavig geding de eerste verwerende partij wordt vertegenwoordigd door haar advocaat; dat de advocaat die een memorie van antwoord, een laatste memorie of een verzoek tot voortzetting in de zin van artikel 17, § 4bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State indient voor het Vlaamse Gewest en het administratief dossier neerlegt, wordt vermoed rechtmatig als procesvertegenwoordiger op te treden; dat de verwerende partij geen gegevens bijbrengt die dat vermoeden weerleggen; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende, wat het in rechte treden van de eerste verzoekende partij betreft, dat artikel 21, § 2, van de statuten van de v.z.w. Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen bepaalt dat in dringende gevallen de voorzitter, bijgestaan door minstens twee andere bestuursleden, kan beslissen tot een dringende gerechtelijke actie, mits deze bekrachtigd wordt door de meerderheid van de leden van de raad van bestuur binnen de veertien dagen; dat te dezen conform voormeld artikel 21, § 2 op 22 augustus 2002 tot het instellen van onderhavig beroep werd beslist en dat deze beslissing op 4 september 2002 door de raad van bestuur werd bekrachtigd; dat, daargelaten de vraag of het indienen van een beroep tot nietigver- klaring een "dringende gerechtelijke actie" is in de zin van deze statutaire bepaling, uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat deze raad van bestuur niet in aantal was om rechtsgeldig te beslissen; dat dient te worden vastgesteld dat de beslissing van de eerste verzoekende partij om het beroep in te stellen niet rechtsgeldig is genomen; dat de verklaringen van 6 november 2002 van vier leden X-11.094-4/9 van de raad van bestuur die niet aanwezig waren op voormelde de raad van bestuur van 4 september 2002 waarin zij stellen akkoord te gaan met deze bekrachtiging "met ingang van 4 september 2002", niets afdoen aan de vaststelling dat de raad van bestuur van 4 september 2002 niet in aantal was en dus geen rechtsgeldige bekrachtigingsbeslissing heeft genomen; dat dit eveneens het geval is met het argument dat nadien is gebleken dat de meerderheid van de bestuursleden akkoord is gegaan met het instellen van het beroep tot nietigverklaring en met het feit dat de raad van bestuur meer dan acht maanden later, met name op 27 mei 2003 nogmaals de beslissing tot het instellen van het beroep tot nietigverklaring heeft bekrachtigd; dat het beroep in hoofde van de eerste verzoekende partij niet ontvankelijk is; Overwegende, wat het belang van de tweede verzoekende partij betreft, dat niet wordt betwist dat de tweede verzoekende partij woont in de onmiddellijke omgeving van het plangebied van het bestreden bijzonder plan van aanleg en dus ook van de percelen waarvoor de eveneens bestreden stedenbouwkun- dige vergunningen werden verleend; dat de tussenkomende partijen het belang van de tweede verzoekende partij bij de nietigverklaring van het tweede en het derde bestreden besluit, zijnde de bestreden stedenbouwkundige vergunningen, betwisten, maar niet haar belang bij de nietigverklaring van het eerste bestreden besluit, zijnde het bestreden sectoraal bijzonder plan van aanleg; dat het tweede en het derde bestreden besluit hun rechtsgrond vinden in het bestreden sectoraal bijzonder plan van aanleg; dat te dezen voormelde gegevens in hoofde van de tweede verzoekende partij alleen reeds volstaan om als nabuur te doen blijken van het rechtens vereiste belang, niet alleen bij de nietigverklaring van het bestreden sectoraal bijzonder plan van aanleg, maar ook van de op grond van dit plan verleende stedenbouwkundige vergunningen; dat de door de tussenkomende partijen aangevoerde argumenten ter betwisting van het belang van de tweede verzoekende partij bij de nietigverklaring van het tweede en het derde bestreden besluit aldus als niet ter zake dienend moeten worden verworpen; dat de door de tussenkomende partijen opgeworpen exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de tweede verzoekende partij betreffende de eerste bestreden beslissing in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 19, zevende lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat zij uiteenzet dat er in casu twee verschilpun- ten zijn tussen het ontwerp-bijzonder plan van aanleg en het op 5 september 2001 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, dat uit de gemeenteraadsbeslissing van X-11.094-5/9 5 september 2001 blijkt dat de stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot punt 2 van zone 3 en met betrekking tot punt 2 van zone 1 door deze beslissing werden gewijzigd, dat dit toevoegingen zijn aan de bestemmingsvoorschriften, dat de tweede verzoekende partij er belang bij heeft dat zij zich hierover kon uitspreken na een nieuw openbaar onderzoek; Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat bezwaarlijk kan worden gesteld dat deze toevoegingen als wijzigingen in de zin van voormeld artikel 19 kunnen worden beschouwd, dat deze toevoegingen zijn gedaan door het gemeentebestuur omwille van "de benarde toestand van het bedrijf FONCK-DEHENNIN (bedrijf in vereffening)" zodat de gemeenteraad exploitatiegaranties naar de toekomst wenste in te bouwen, dat het enerzijds de garantie van de aanplanting van de bufferzones betreft en anderzijds de garantie dat er aldaar geen verwerking of destructie van slachtafval of kadavers, afkomstig van derden, zou plaatsvinden, dat het toevoegingen zijn waarvan de verzoekende partijen geen nadeel kunnen ondervinden doch enkel voordeel, dat het onwaarschijn- lijk is dat de verzoekende partijen nog nieuwe bezwaren van een andere aard zouden doen gelden en dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel; dat de eerste verwerende partij het middel ten gronde niet beantwoordt; Overwegende dat de tweede verwerende partij geen memorie van antwoord heeft ingediend; Overwegende dat ook de tussenkomende partijen het belang bij het middel betwisten, stellende dat het bijkomende voorwaarden betreffen die er toe strekken een nog betere bescherming te bieden voor de omwonenden, dat verzoekers niet aantonen welk belang zij er bij zouden hebben zich over deze bijkomende voorwaarden uit te spreken nu het bijzonder plan van aanleg op hun vraag strenger werd gemaakt; dat zij ten gronde het middel niet beantwoorden; Overwegende, wat het belang bij het middel betreft, dat het gegrond bevinden van dit middel tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leidt; dat de omstandigheid dat een gewijzigd plan van aanleg zou tegemoet komen aan bepaalde bezwaren welke bij de eerste openbaarmaking werden geformuleerd, niet dienend is om het belang bij het middel te ontzeggen; dat immers het tegemoetkomen aan bepaalde bezwaren de mogelijkheid inhoudt dat het aangepaste ontwerp op zijn beurt nieuwe bezwaren van een andere aard zouden kunnen X-11.094-6/9 uitlokken; dat de loutere bewering van de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord dat "het (...) onwaarschijnlijk (
- is)dat de verzoekende partijen nog nieuwe bezwaren van een andere aard zouden doen gelden" en dat "het (...) bekend (
- is)dat de tegemoetkomingen naar de mening van de verzoekende partijen altijd ontoereikend zullen zijn", aan deze vaststelling geen afbreuk kan doen; dat het niet aan de Raad van State toekomt vooruit te lopen op de uitslag van een nieuw openbaar onderzoek; dat derhalve de tweede verzoekende partij belang heeft bij het aanvoeren van de miskenning van de in voornoemd artikel 19, zevende lid, bepaalde openbaarmaking; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat artikel 19, zevende lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, luidt als volgt : "Binnen de zestig daaropvolgende dagen neemt de gemeenteraad kennis van de uitslag van het onderzoek; hij kan het plan definitief aannemen dan wel beslissen het te wijzigen; in het laatste geval wordt een nieuw onderzoek gehouden in de vorm en binnen de termijnen, bepaald in dit artikel"; dat uit deze bepaling volgt dat indien de gemeenteraad na het openbaar onderzoek beslist het voorlopig aangenomen plan te wijzigen, een nieuw openbaar onderzoek moet worden gehouden in de vorm en binnen de termijnen bepaald in genoemd artikel; dat het houden van dit nieuw openbaar onderzoek een substantiële pleegvorm is; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de gemeenteraad van de gemeente Sint-Lievens-Houtem bij de definitieve aanneming op 5 september 2001 van het thans bestreden bijzonder plan van aanleg de stedenbouwkundige voorschriften van het deel bijzonder plan van aanleg nr. 1.2 betreffende n.v. FONCK-DEHENNIN heeft gewijzigd; dat niet blijkt en overigens ook niet wordt beweerd dat na deze wijziging een nieuw openbaar onderzoek is gehouden in de vorm en binnen de termijnen bepaald in artikel 19 van het stedenbouwdecreet; dat de in artikel 19, zevende lid, in fine bepaalde substantiële pleegvorm betreffende het openbaar onderzoek is miskend; dat noch het motief voor deze wijzigingen noch de omstandigheid dat de tweede verzoekende partij door deze "toevoegingen" geen nadeel kan ondervinden aan deze vaststelling afbreuk doet; dat het vierde middel gegrond is; dat het bijzonder plan van aanleg moet worden vernietigd; dat de bestreden stedenbouwkundige vergunningen die hun X-11.094-7/9 noodzakelijke rechtsgrond vinden in het onwettig bevonden bestreden bijzonder plan van aanleg eveneens dienen te worden vernietigd, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd worden : 1. het besluit van 7 juni 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA zonevreemde bedrijven" genaamd van de gemeente Sint-Lievens-Houtem, bestaande uit twee plannen van de bestaande toestand, twee bestemmingsplannen met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften "beperkt tot de mate waarin het bedoeld BPA betrekking heeft op het deelplan 1.2. betreffende de NV FONCK-DEHENNIN"; 2. de beslissing van 18 juli 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Lievens-Houtem, waarbij aan de n.v. FONCK-DEHENNIN in vereffening de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor regularisa- tie
(1)van werken niet uitgevoerd conform de stedenbouwkundige vergunning van 24 oktober 1988,
(2)van onvergunde uitbreiding van de bedrijfsgebouwen,
(3)het slopen van een bijgebouw,
(4)het aanpassen van een opslagplaats voor mest,
(5)het opbreken van niet-vergunde verharde delen op een perceel gelegen te Sint-Lievens-Houtem, Meulestraat 16, kadastraal bekend Sectie C, nrs. 188k, 153e3, 153i3, 181b, 181a(deel), 191x, 198g(deel) en 195i;
- de beslissing van 18 juli 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Lievens-Houtem, waarbij aan de n.v. FONCK-DEHENNIN in vereffening de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een waterzuiveringsinstallatie op een perceel gelegen te Sint- Lievens-Houtem, Meulestraat 16, kadastraal bekend Sectie C, nrs. 188k, 153e3, 153i3, 181b, 181a(deel), 191x, 198g(deel) en 195i. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit. X-11.094-8/9 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de eerste verzoekende partij voor de helft en van de verwerende partijen, ieder voor een vierde. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11.094-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.005 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.117.681 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div