id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.039 Rolnummer: A. 134816/VII-29396 Zaak: Arrest 140039 - - 02/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 07:13 Fiche Arrest nr 140.039 van 2 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 140.039 van 2 februari 2005 in de zaak A. 134.816/VII-29.396 In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERGAUWE, kantoor houdende te 9940 EVERGEM, Belzeelsestraat 40 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Armeense nationaliteit, op 29 maart 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 februari 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 28 februari 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 7 april 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-29.396-1/8 Gelet op de beschikking van 30 november 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die, loco advocaat G. VERGAUWE, verschijnt voor de verzoekende partijen en van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen kwamen België binnen op 26 oktober 2000 en verklaarden zich op 27 oktober 2000 vluchteling. 1.
- Op 7 maart 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 26 februari 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen letterlijk als volgt : Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Armeens staatsburger van Armeense origine en bent u gehuwd met N. A. (OV 5.031.438). In 1998 werd u lid van de Armeense Volkspartij van Karen Demirchian. Bij de parlementsverkiezingen van 30 mei 1999 wilde u als kandidaat voor deze partij opkomen in uw wijk, Arabkir, te Yerevan. Toen op een kernvergadering van de Armeense Volkspartij besloten werd om in alliantie met de Republikeinse Partij en met Yerkrapah aan de verkiezingen deel te nemen, verzette u zich tevergeefs openlijk tegen deze alliantie. Op 5 mei 1999 vond er een laatste VII-29.396-2/8 vergadering van uw partij plaats vóór de verkiezingen, in aanwezigheid reeds van Yerkrapah. Op het einde van deze vergadering vroeg Vazgen Sarkisjan, de leider van Yerkrapah, u om uw kandidatuur in te trekken en uw plaats op de kieslijst af te staan aan Mehitar Ayvazjan, een Yerkrapah-lid. U weigerde dit te doen. Toen u die avond op weg naar huis was, werd u in een zwarte wagen gedwongen en meegenomen naar een bos, waar uw ontvoerders eisten dat u uw kandidatuur zou intrekken, en u daarna begonnen te slaan omdat u niet op hun eis inging. U diende hiervoor geen klacht in, maar belde op 6 mei 1999 wel naar het partijbureau, waar u uw verhaal vertelde aan de secretaresse, die u beloofde dat zij dit zou overmaken aan Karen Demirchian. Gedurende 10 dagen bleef u thuis en toen u op 15 mei 1999 toch terug een eerste maal buiten kwam, werd u bewusteloos geslagen door een 3 à 4 onbekende personen. U diende hiervoor geen klacht in en bleef wederom enkele dagen thuis. Op 20 mei 1999 werd u dan door 3 personen meegenomen naar het politiebureau. Daar werd u gedurende 6 dagen opgesloten en zwaar geslagen. Op 26 mei 1999 werd u vrijgelaten, en ging u naar huis. Er stonden daar een honderdtal mensen uit uw buurt die u wilden vragen wat er gebeurd was, maar nog voor u iets kon zeggen, werd u beschoten. U kon nog net uw huis binnen rennen en die zelfde avond bent u met uw gezin gevlucht naar de Russische Federatie. Daar werd u enkele keren opgepakt door de politie omdat u geen verblijfsvergunning had. In oktober 2000 verliet u samen met uw vrouw de Russische Federatie om op 26 oktober 2000 in België aan te komen, waar u op 27 oktober 2000 asiel aanvroeg. U bent in het bezit van uw paspoort, diploma, werkattest en lidkaart van de Armeense Volkspartij. B. Motivering U verklaart het Armeens staatsburgerschap te hebben (zie verhoorverslag CGVS, p. 2). Uw vrees voor vervolging dient dan ook te worden beoordeeld ten aanzien van Armenië. Aangezien in het kader van de toetsing van uw asielmotieven aan de Vluchtelingenconventie enkel de problemen ten opzichte van het land waarvan men het staatsburgerschap bezit, in casu Armenië, moeten worden beoordeeld, dienen de problemen die u hebt ondervonden in de Russische Federatie niet in aanmerking te worden genomen. Enkele ernstige tegenstrijdigheden tussen uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken, in uw aanvullende verklaringen bij uw aanvraag om de procedure verder te zetten en voor het Commissariaat-generaal, laten niet toe nog langer geloof te hechten aan uw verklaringen in het kader van uw asielaanvraag. Zo blijkt uit uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u zich op 5 mei 1999 reeds thuis bevond, toen u daar door enkele mannen naar buiten werd geroepen, die u vervolgens ontvoerden. U stelde namelijk voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat er op de deur werd geklopt en 4 à 5 mannen buiten stonden die u meenamen (zie verhoorverslag DVZ, pt. 42), terwijl u op het Commissariaat-generaal aanvankelijk verklaart dat u nog op weg was naar huis toen deze mannen u op straat aanspraken en u vervolgens ontvoerden (zie verhoorverslag CGVS, p. 11). Even later verklaart u dan weer voor het Commissariaat-generaal dat u niet meer zeker was of u op straat werd tegengehouden (verhoorverslag CGVS, p. 12). Het is echter ongeloofwaardig als zou u zich de juiste omstandigheden van dergelijke ingrijpende gebeurtenis (ontvoerd en geslagen) niet meer zou kunnen herinneren. Verder stelt u in uw aanvullende verklaringen bij uw aanvraag om de procedure verder te zetten dat u enkele dagen na deze aanval van 5 mei 1999 een uitnodiging kreeg van de politie om u aan te bieden (zie aanvullende verklaringen, p. 9), terwijl u op het Commissariaat-generaal uitdrukkelijk en herhaaldelijk ontkent enige oproeping van de politie te hebben ontvangen vóór uw arrestatie op 20 mei 1999 (zie verhoorverslag CGVS, p. 14-15). Ook beweert u nog in uw aanvullende verklaringen uw hand gebroken te hebben bij de aanval op 5 mei 1999 (zie aanvullende verklaringen, p. 9), terwijl u op het Commissariaat-generaal ontkent enige breuk te hebben opgelopen bij die aanval, en uitdrukkelijk verklaart dat u uw hand niet toen hebt gebroken, maar bij de aanval van 20 mei 1999 (zie verhoorverslag CGVS, p. 15). Gelet op het feit dat u in uw aanvullende schriftelijke verklaring stelt dat de breuk in uw hand juist één van de redenen was waarom u zich enkele dagen na 5 mei 1999 niet aanbood bij de politie naar aanleiding van de convocatie kan bovenstaande tegenstrijdigheid niet als een vergissing van u worden gezien. VII-29.396-3/8 Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen geloof meer worden gehecht aan uw verklaringen en kan niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Ten slotte dient nog te worden opgemerkt dat ook in hoofde van uw vrouw, N. A., een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen. De door u neergelegde documenten zijn niet van die aard dat zij afbreuk kunnen doen aan deze vaststellingen. Uw paspoort, werkattest en diploma bevatten louter persoonsgegevens en houden geen verband met de door u aangehaalde problemen. Uw lidkaart van de Armeense Volkspartij bevestigt misschien uw politiek engagement, maar bevat geen elementen die betrekking hebben op de concrete problemen die u aanhaalt naar aanleiding van uw politieke activiteiten en zijn evenmin van die aard dat ze bovenstaande tegenstrijdigheden kunnen rechtzetten. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2).". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: "A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen en deze van uw echtgenoot S. E. (OV 5.031.438) bent u een Armeens staatsburger van Armeense origine. In 1998 werd uw man lid van de Armeense Volkspartij van Karen Demirchian. Bij de parlementsverkiezingen van 30 mei 1999 wilde hij als kandidaat voor deze partij opkomen in uw wijk, Arabkir, te Yerevan. Toen op een kernvergadering van de Armeense Volkspartij besloten werd om in alliantie met de Republikeinse Partij en met Yerkrapah aan de verkiezingen deel te nemen, verzette uw man zich tevergeefs openlijk tegen deze alliantie. Op 5 mei 1999 vond er een laatste vergadering van zijn partij plaats vóór de verkiezingen, in aanwezigheid reeds van Yerkrapah. Op het einde van deze vergadering vroeg Vazgen Sarkisjan, de leider van Yerkrapah, uw man om zijn kandidatuur in te trekken en zijn plaats op de kieslijst af te staan aan Mehitar Ayvazjan, een Yerkrapah-lid. Uw man weigerde dit te doen. Toen hij die avond op weg naar huis was, werd uw man in een zwarte wagen gedwongen en meegenomen naar een bos, waar zijn ontvoerders eisten dat hij zijn kandidatuur zou intrekken, en hem daarna begonnen te slaan omdat hij niet op hun eis inging. Uw man diende hiervoor geen klacht in, maar belde op 6 mei 1999 wel naar het partijbureau, waar hij zijn verhaal vertelde aan de secretaresse, die hem beloofde dat zij dit zou overmaken aan Karen Demirchian. Gedurende 10 dagen bleef uw man thuis en toen hij op 15 mei 1999 toch terug een eerste maal buiten kwam, werd hij bewusteloos geslagen door een 3 à 4 onbekende personen. Uw man diende hiervoor geen klacht in en bleef wederom enkele dagen thuis. Op 20 mei 1999 werd hij dan door 3 personen meegenomen naar het politiebureau. Daar werd hij gedurende 6 dagen opgesloten en zwaar geslagen. Op 26 mei 1999 werd uw man vrijgelaten, en ging hij naar huis. Er stonden daar een honderdtal mensen uit uw buurt die uw man wilden vragen wat er gebeurd was, maar nog voor hij iets kon zeggen, werd hij beschoten. Uw man kon nog net uw huis binnen rennen en die zelfde avond bent u met uw gezin gevlucht naar de Russische Federatie. Daar werden u en uw man enkele keren opgepakt door de politie omdat u geen verblijfsvergunning had. In oktober 2000 verliet u samen met uw man de Russische Federatie om op 26 oktober 2000 in België aan te komen, waar u op 27 oktober 2000 asiel aanvraag. U bent in het bezit van uw legerboekje. B. Motivering VII-29.396-4/8 U verklaart het Armeens staatsburgerschap te hebben (zie verhoorverslag CGVS, p. 2). Uw vrees voor vervolging dient dan ook te worden beoordeeld ten aanzien van Armenië. Aangezien in het kader van de toetsing van uw asielmotieven aan de Vluchtelingenconventie enkel de problemen ten opzichte van het land waarvan men het staatsburgerschap bezit, in casu Armenië, moeten worden beoordeeld, dienen de problemen die u hebt ondervonden in de Russische Federatie niet in aanmerking te worden genomen. U verklaart dat al uw problemen te maken hebben met de problemen van uw man en dat u in Armenië geen persoonlijke problemen heeft meegemaakt die los staan van de problemen van uw man (zie verhoorverslag CGVS, p. 2). Aangezien in zijn hoofde werd besloten tot het nemen van een bevestigende beslissing van weigering van verblijf omwille van het bedrieglijk karakter van zijn asielaanvraag, kan ook voor u niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Het door u neergelegde legerboekje bevat louter persoonsgegevens en houdt geen verband met de door u aangehaalde problemen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2).". Dit zijn de bestreden beslissingen. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 1, (A), 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen (Conventie van Genève) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder van de zorgvuldigheidsplicht; dat de verzoekende partijen stellen dat de door hen aangebrachte feiten wel degelijk wijzen op een gegronde vrees voor vervolging en dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hier niet op antwoordt; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met enige bepaling van voornoemd verdrag; dat de verzoekende partijen nalaten de aangevoerde schending van de zorgvuldigheidsplicht verder uit te leggen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel aanvoeren dat de algemene motiveringsplicht en het recht van verdediging geschonden zijn VII-29.396-5/8 doordat de commissaris-generaal tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van eerste verzoeker besloten heeft zonder dat bedrog in zijnen hoofde bewezen werd en tot de kennelijke ongegrondheid wat betreft de aanvraag van de tweede verzoekende partij, hoewel zij zich steunde op dezelfde feiten; Overwegende dat het recht van verdediging niet van toepassing is op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris- generaal toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat het bedrieglijk karakter onder meer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene tegenstrijdig zijn of niet overeenstemmen met geloofwaardige gegevens waarover de commissaris-generaal beschikt; dat de stelling van de verzoekende partijen dat de commissaris-generaal enkel kan besluiten tot de bedrieglijkheid indien er bedrog is aangetoond in hoofde van de aanvragers, niet kan worden gevolgd; Overwegende dat niet ingezien wordt hoe het besluiten tot de bedrieglijkheid in hoofde van de eerste verzoekende partij en tot de kennelijke ongegrondheid in hoofde van de tweede verzoekende partij tegenstrijdig is nu de tweede verzoekende partij erkent dat zij haar vrees voor vervolging baseert op dezelfde motieven als haar echtgenoot; dat de commissaris-generaal ten aanzien van deze laatste in alle redelijkheid tot de bedrieglijkheid van zijn aanvraag besloten heeft op grond van een aantal tegenstrijdigheden; dat de commissaris-generaal derhalve in alle redelijkheid tot de kennelijke ongegrondheid ten aanzien van tweede verzoekende partij kon besluiten; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een derde middel de schending van het redelijkheidsbeginsel wordt ingeroepen doordat de aangevoerde tegenstrijdigheden te verklaren zijn door de spanning waaronder de geïnterviewde staat en het probleem van de vertaling waardoor sommige nuances verloren zouden gaan; Overwegende dat van de kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag; dat de commissaris-generaal in het huidige geval op VII-29.396-6/8 redelijke gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de verzoekende partijen ondermijnen; dat deze tegenstrijdigheden, die geput werden uit de verklaringen van de verzoekende partijen, in de bestreden beslissing werden weergegeven; dat deze beslissing naar behoren formeel is gemotiveerd, nu zij de feitelijke en juridische elementen aangeeft waarop de commissaris-generaal zich te dezen heeft gesteund om de asielaanvraag bedrieglijk te verklaren; dat de verzoekende partijen voor het overige niet aantoont dat de bestreden beslissingen steunen op onjuiste feitelijke gegevens of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat het derde middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een vierde middel de schending aanvoeren van artikel 57, 4 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partijen betogen dat nergens uit blijkt tot welke taalrol de adjunct-commissaris die de bestreden beslissingen heeft genomen behoort en dat deze laatste niet het bewijs heeft geleverd van kennis van de Nederlandse taal; Overwegende dat uit de voorbereidende werken van de Vreemdelingenwet blijkt dat de adjunct-commissarissen geen rijksambtenaren zijn in de zin van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, wat inhoudt dat zij niet worden ingedeeld bij een taalrol, in die zin dat zij enkel rechtsgeldige beslissing zouden kunnen nemen in de taal van de taalrol waarbinnen zij benoemd zouden zijn; dat artikel 57, 9 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de bevoegdheden worden uitgeoefend door de commissaris-generaal of, als deze verhinderd is, door één van zijn adjuncten, wat betekent dat zij hem ten alle tijde kunnen vervangen, ook voor het ondertekenen van een beslissing zoals deze waarvan sprake, ongeacht hun talenkennis; dat het vierde middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- VII-29.396-7/8 De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-29.396-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.039 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.