← België

Arrest 140079 - - 02/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.079 Rolnummer: A. 157064/XII-4299 Zaak: Arrest 140079 - - 02/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-07 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 07:13 Fiche Arrest nr 140.079 van 2 februari 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.079 van 2 februari 2005 in de zaak A. 157.064/XII-

  1. In zake : Gisèle GREDAY, die woonplaats kiest bij advocaten N. Devos en G. Van Den Eynde, kantoor houdende te Geel, Diestseweg 155 tegen : de STAD ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het 28 oktober 2004 gedateerde verzoekschrift dat Gisèle Greday heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de “beslissing van verwerende partij als inrichtende macht van het Centrum voor Volwassenen Onderwijs-birm waarbij lesopdrachten van de verschillende leerkrachten van het Centrum voor Volwassenenonderwijs - birm, te 2018 Antwerpen, Durletstraat 8 worden bepaald, in zoverre de lesuren waarop verzoekster recht heeft gelet op haar tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, haar niet toegekend worden”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht op grond van artikel 94 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; XII-4299-1/5 Gelet op de beschikkingen van 22 december 2004 houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2005; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Wynants, die loco advocaat G. Van Den Eynde verschijnt voor verzoekster, en van advocaat S. Verbist, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Tijdens de schooljaren 2001-2002 en 2002-2003 is verzoekster lesgever in het stedelijk onderwijs van de stad Antwerpen, deels als vastbenoemd leraar secundair of hoger onderwijs voor sociale promotie (SOSP / HOSP) aan het stedelijk Centrum voor Volwassenenonderwijs CVO-Birm en de nijverheidsschool CVO-N en deels in een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) aan diezelfde instellingen. Voor het schooljaar 2002-2003 was haar statutaire toestand de volgende: - vastbenoemd leraar SOSP: 5,5/20 (BIRM) en 3,5/20 (N) HOSP: 5,2/20 (BIRM) - TADD als leraar SOSP : 5/20 (BIRM) HOSP: 0,23/20 (BIRM), wat volgens verwerende partij neerkomt op een opdracht van 19,2/20 waarvan 14,2/20 vastbenoemd en 5,23/20 TADD. XII-4299-2/5 Blijkens drie op 2 december 2003 door het schoolbestuur opgestelde formulieren PERS worden aan verzoekster vanaf 1 september 2003 enkel nog de uren toegewezen waarvoor zij vastbenoemd is; haar TADD wordt zodoende niet verlengd. In de loop van de maanden april, mei en juni van 2004 dringt verzoekster meermaals aan om haar alsnog de uren TADD waarop ze recht meent te hebben, toe te wijzen, ook voor het volgende schooljaar. Verwerende partij antwoordt dat verzoekster de uren kreeg waarop zij in het modulair systeem van het onderwijs voor sociale promotie als vast benoemde recht heeft en dat haar voorrang op geen moment werd miskend. Blijkens niet gedagtekende en niet ondertekende formulieren PERS 2 wordt verzoekster voor het schooljaar 2004-2005 andermaal enkel aangesteld voor de uren waarvoor zij vast is benoemd; Overwegende dat volgens het auditoraatsverslag, op grond van de uiteenzetting in het verzoekschrift, zowel de beslissing betreffende het schooljaar 2003-2004 als de beslissing betreffende het schooljaar 2004-2005 tot het voorwerp van het beroep moet worden gerekend en dit, wegens de ontstentenis van betekening aan verzoekster, ratione temporis hoe dan ook op ontvankelijke wijze; dat verwerende partij zich hier ter terechtzitting niet tegen verzet; dat de Raad die omschrijving van het voorwerp en de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep naar de tijd dan ook bijvalt; Overwegende dat verzoekster als enig middel de schending aanvoert van artikel 23bis van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (hierna: rechtspositiedecreet) “doordat verzoekster de uren waarvoor zij een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur had, niet kreeg toegewezen en deze uren werden toegewezen aan een leerkracht die hierop geen rechten kon laten gelden [t]erwijl artikel 23bis van het [rechtspositiedecreet] bepaalt dat de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur een recht is onder de voorwaarden van dat artikel”; dat verzoekster toelicht te voldoen aan de voorwaarden opgesomd in het artikel 23bis, § 3, en dus niet opnieuw een aanvraag tot tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moest indienen omdat haar eerste effectieve aanstelling geldt “als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt”, dat het schoolbestuur overeenkomstig artikel 23bis, XII-4299-3/5 § 14, de beëindiging van een TADD steeds schriftelijk moet motiveren en meedelen aan het personeelslid en dat zulks nooit is gebeurd; Overwegende dat verwerende partij in de nota die zij neerlegt in de schorsingsprocedure terecht opmerkt dat op verzoekster niet artikel 23bis van het rechtspositiedecreet, maar wel artikel 23 van hetzelfde decreet toepasselijk is; dat verwerende partij in haar nota evenwel even terecht opmerkt dat “de indeling en de inhoud van beide artikels overeen [komen]”; dat de vergissing van verzoekster bijgevolg noch verwerende partij noch de Raad van State verhindert om de toepasselijke bepaling te identificeren; dat verwerende partij voorts in staat is gebleken in haar nota ten gronde op het middel te repliceren, zo het begrepen wordt als aanvoerende de schending van artikel 23; dat haar rechten van verdediging bijgevolg niet zijn geschonden; dat de verschrijving door verzoekster bijgevolg niet de ontvankelijkheid van het middel in het gedrang brengt; Overwegende dat verwerende partij niet betwist dat verzoekster de bescherming verdient van artikel 23 van het rechtspositiedecreet, als leraar met een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur; dat verwerende partij evenwel vanaf het schooljaar 2003-2004 aan verzoekster niet meer de uren TADD heeft toegekend die haar voordien in dat stelsel waren toegewezen; dat niet blijkt of zelfs maar wordt beweerd dat bedoelde uren, bijvoorbeeld omdat ze niet meer zijn ingericht of dat ze zijn afgeschaft, aan niemand meer kunnen worden gegeven; dat aangenomen wordt dat die uren, weze het in het lineair, weze het in het modulair stelsel, hoe dan ook worden gedoceerd; dat die personeelswijziging aan verzoekster nooit werd betekend, laat staan dat er haar een schriftelijke motivering voor is meegedeeld zoals artikel 23, § 14, van het rechtspositiedecreet het eist; dat verwerende partij in de nota overigens zelf schrijft dat “moet worden toegeven dat de vermindering van uren TADD niet schriftelijk werd meegedeeld”; dat de in de aangevoerde bepaling bedoelde statutaire voorrangsregeling kennelijk is miskend; dat het middel kennelijk gegrond is, Overwegende dat het annulatieberoep kennelijk gegrond is; Overwegende dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft, XII-4299-4/5 BESLUIT: Artikel
  2. Vernietigd worden de beslissingen van onbekende datum van de stad Antwerpen als bevoegd gezag van het Centrum voor Volwassenenonderwijs CVO-Birm waarbij de lesopdrachten worden bepaald van het CVO-Birm voor de schooljaren 2003-2004 en 2004-2005, inzoverre die niet de 5,23/20 lesuren toekennen aan Gysèle Greday waarop laatstgenoemde aanspraak kan maken voor een aanstelling van doorlopende duur krachtens artikel 23 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. Artikel
  3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De ten onrechte gekweten zegelrechten op het beroep tot nietigverklaring, ten bedrage van 175 euro, dienen aan verzoekster te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari 2005, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4299-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.