← België

Arrest 140130 - - 03/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.130 Rolnummer: A. 77271/VII-16342 Zaak: Arrest 140130 - - 03/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-16 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-02 07:14 Fiche Arrest nr 140.130 van 3 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.130 van 3 februari 2005 in de zaak A. 77.271/VII-16.

  1. In zake : de c.v. REGIONALE MILIEUZORG, die woonplaats kiest bij Advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. VANDEPUT, kantoor houdende te HASSELT, Leopoldplein
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v. REGIONALE MILIEU- ZORG op 26 januari 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 26 november 1997 houdende schorsing van de lopende milieuvergunningen verleend aan de verzoekende partij, gevestigd Centrum-Zuid 2098, te 3530 Houthalen-Helchteren voor de exploitatie van haar te Houthalen-Helchteren gelegen huisvuilverbrandings- installatie; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 24 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-16.342-1/6 Gelet op de beschikking van 23 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. GEELEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat M. VANDEPUT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Op 26 november 1997 besluit de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu de lopende milieuvergunningen verleend aan de verzoekende partij inzake haar te Houthalen-Helchteren gelegen huisvuilverbrandingsinstallatie te schorsen. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat overeenkomstig het artikel 5.2.3.3.4.3/ van titel II van het VLAREM de bedoelde huisvuilverbrandingsinstallatie sedert 1 januari 1997 moet voldoen aan een emissienorm voor dioxines van 0,1 nanogram TEQ/m³; dat overeenkomstig het artikel 5.2.3.3.6, § 1, 1/, c) met ingang van 1 januari 1996 de parameter dioxinen ten minste één keer per jaar op initiatief en op kosten van de exploitant dient gemeten; Overwegende dat door de Milieu-inspectie bij proces-verbaal van overtre- ding PVO/97/0085/149 werd vastgesteld dat met betrekking tot de bedoelde huisvuilverbrandingsinstallatie de voorgeschreven emissiemeting van dioxinen in 1996 niet is uitgevoerd; dat uit het voormelde advies van de Afdeling Milieu- inspectie blijkt dat met betrekking tot de dioxine-uitstoot door de verbrandings- installatie enkel de resultaten bekend zijn van de emissiemetingen die in 1993 werden uitgevoerd door de Milieu-inspectie; dat tijdens de 3 meetdagen, met name 5, 14 en 17 mei 1993, concentraties aan dioxinen in de rookgassen werden gemeten van respectievelijk 2,89, 2,72 en 2,94 nanogram TEQ/m³; dat de exploitant sedertdien een nieuwe rookgaszuiveringsinstallatie van het halfnatte type heeft geïnstalleerd en de beide electrofilters heeft vernieuwd; dat evenwel geen specifieke dioxineverwijderingsinstallatie werd geplaatst; VII-16.342-2/6 Overwegende dat de exploitant bij fax van 26 november 1997 kennis geeft van de volgende resultaten van de dioxine-metingen, uitgevoerd in de periode van 3 tot 7 november : - zonder injectie van actieve kool : 2,02 nanogram TEQ/m³: - met injectie actieve kool : 0,064 nanogram TEQ/m³; dat uit deze resultaten blijkt dat de van toepassing zijnde emissienorm van 0,1 nanogram TEQ/m³ ernstig (met een factor van meer dan 20) wordt overschreden met de bestaande rookgasbehandelingsinstallaties; dat op basis van de ene recente meting niet zonder meer kan gesteld worden dat de tijdelijke installatie die door de exploitant wordt overwogen voor injectie van actieve kool een voldoende waarborg inhoudt of kan inhouden voor de naleving van de voormelde emissienorm; Overwegende dat rekening houdend met het hoog risico dat volgens de huidig beschikbare kennis potentieel wordt toegeschreven aan een te grote dioxine-emissie, het onmisbaar is hier het voorzorgsprincipe te laten gelden; dat in die geest een verdere exploitatie met risico's op ernstige overschrijding van de dioxine-emissienorm niet langer toelaatbaar is; dat het bijgevolg noodzake- lijk is de lopende milieuvergunningen te schorsen; Overwegende dat een verdere exploitatie van de verbrandingsinstallatie slechts opnieuw kan worden toegelaten in de mate dat voldoende technische waarborgen bestaan dat de sedert 1 januari 1997 van toepassing zijnde dioxine- emissienorm kan en zal worden nageleefd; dat de beoordeling van het feit of de bestaande en/of voorziene installaties van aard zijn de nodige technische waarborgen te bieden om deze dioxines-emissienorm te kunnen naleven, in deze best wordt toevertrouwd aan een commissie van deskundigen, onvermin- derd de toezichtsbevoegdheid ter zake van de in het artikel 58 van titel I van het VLAREM toezichthoudende ambtenaren; dat het bijgevolg noodzakelijk is de eventuele opheffing van de met onderhavig besluit gedane schorsing van de lopende milieuvergunningen te verbinden aan een voorafgaand advies van voormelde commissie van deskundigen". In artikel 2, § 1, van het besluit wordt het volgende bepaald : "De in artikel 1 vermelde schorsing kan slechts worden opgeheven nadat een commissie van deskundigen advies heeft uitgebracht over de technische haalbaarheid van de van toepassing zijnde dioxine-emissienorm met de in de inrichting bestaande en/of beschikbare installaties". Artikel 2, § 2, bepaalt de samenstelling van de commissie van deskundigen. 1.
  5. Bij besluit van 22 december 1997, dus geruime tijd vóór het instellen van het onderhavig annulatieberoep, wordt de door de bestreden beslissing opgelegde schorsing opgeheven -na advies van de commissie van deskundigen waarvan sprake in het bestreden besluit- mits naleving van een aantal bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarden. Dit besluit werd blijkbaar niet aangevochten door de verzoekende partij; VII-16.342-3/6
  6. De ontvankelijkheid van het beroep 2.
  7. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat de verzoekende partij geen belang meer heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit : "Aangezien de schorsing van de lopende milieuvergunning opgelegd door het bestreden besluit dd. 26.11.1997 werd opgeheven bij besluit van concluante dd. 22.12.1997 heeft verzoekende partij geen belang meer bij de vernietiging van het bestreden besluit. Cfr. DEBERSAQUES, G., Raad van State Afdeling Administratie,
  8. Ontvankelijkheid, Die Keure, Brugge, 1996, 249 : Dit geldt a fortiori daar de opheffing van de schorsing reeds gekend was door verzoekende partij op het ogenblik van het instellen van het annulatiebe- roep. Indien verzoekende partij zich niet kon verzoenen met de aanvullende voorwaarden zoals opgelegd bij het besluit van concluante dd. 22.121997, had zij hiertegen beroep dienen in te stellen. Dit heeft zij evenwel nagelaten. Het verzoek tot vernietiging van het bestreden besluit is dan ook onontvankelijk"; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt repliceert : "De verwerende partij stelt dat het verzoekschrift onontvankelijk is, omdat de verzoekende partij geen belang meer zou hebben bij het aanvechten van het bestreden besluit gelet op het feit dat het bestreden besluit werd opgeheven bij besluit van 22 december 1997, tegen welke opheffing er geen vernietigingsberoep werd neergelegd. Terzake verwijst verwerende partij naar het doctrinaal werk van de Heer Debersaques om te stellen dat een verzoekende partij in principe geen belang meer heeft om een opgeheven beslissing aan te vechten. De verzoekende partij moet vaststellen dat de verwerende partij zeer selectief is in het citeren van het werk van de Heer Debersaques, aangezien deze auteur het hoger vermeld principe in de regels volgend op het principe als volgt nuanceert : Doet de verzoeker daarentegen blijken van een nadeel ten gevolge van de uitvoering van de opgeheven beslissing, dan behoudt de verzoeker een belang bij haar annulatieberoep voor de periode dat de beslissing op haar werd toegepast of haar nadeel heeft berokkend tot aan de datum van de inwerkingtreding van het opheffingsbesluit. ... De Raad van State gaat ambtshalve na of de verzoekende partij nog belang heeft bij de vernietiging van de bestreden akte voor zover deze in het verleden uitwerking heeft gehad : onderzocht wordt of de opgeheven beslissing, gedurende de tijdspanne dat ze verbindende kracht had, specifiek en in concreto nadeel heeft toegebracht aan de verzoekende VII-16.342-4/6 partij. Zo ja, dan heeft de verzoekende partij nog een belang, aangezien door de eventueel tussen te komen vernietiging iedere rechtskracht ab initio wordt ontnomen aan de bestreden beslissing, als ook aan de beslissing tot opheffing ervan'. Derhalve dient het annulatieberoep van verzoekende partij als ontvankelijk te worden beschouwd en heeft verzoekende partij een voldoende belang indien zij aantoont dat zij -in de periode dat het bestreden besluit bindend was - nadeel heeft geleden bij de bestreden beslissing. Daarover kan geen discussie bestaan. Het is evident dat verzoekende partij nadeel heeft geleden ten gevolge van de uitvoering van het Besluit van 26 november 1997 in de periode tot 22 december
  10. Door de schorsing werd zij immers niet alleen gedwongen haar exploitatie tijdelijk stil te leggen, zodat zij geen exploitatie-opbrengsten had, terwijl het grootste deel van de kosten (personeelskosten etc.) gewoon doorliepen. Doch was zij ingevolge haar opdracht als intercommunale verplicht in te staan voor de verdere verwerking van het huisvuil van haar leden, gemeentes van de intercommunale. Aangezien de verzoekende partij dit huisvuil niet kon verbranden was zij verplicht om dit vuil te storten op de stortplaats geëxploiteerd door de N.V. REMO. Voor deze stortingen diende zij hoge stortheffingen te betalen. Het exploitatieverlies geleden tijdens de periode dat de oven stillag wordt geraamd op 1.000.000,- BEF. Per dag. De verzoekende partij heeft trouwens een vordering in schadevergoeding ingeleid bij de Rechtbank van Eerste Aanleg ten einde de omvang van de geleden schade te laten vaststellen en de verwerende partij te verplichten tot vergoeding van deze schade. Het belang van verzoekende partij is dan ook voldoende aangetoond"; 2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie er bij blijft dat zij wel degelijk belang heeft bij haar annulatieberoep, daar de bestreden beslissing haar nadeel heeft berokkend; dat zij opmerkt dat zij eveneens moreel eerherstel beoogt; 2.4.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord uitsluitend haar belang zag in de financiële schade die zij door de bestreden beslissing heeft geleden en waaromtrent zij een vordering tot schadevergoeding heeft ingeleid bij de Rechtbank van Eerste Aanleg; dat in de memorie van wederantwoord er geen sprake was van enig moreel belang, en dat pas na lezing van het auditoraatsverslag, waarin wordt gesteld dat de verzoekende partij in haar toelichting haar nadeel heeft beperkt tot de financiële schade met als conclusie dat de verzoekende partij geen rechtstreeks belang heeft bij haar vordering, zij het aspect van haar belang uitbreidt tot een moreel belang; dat die laattijdige uitbreiding niet kan worden aangenomen; 2.4.
  13. Overwegende dat een belang dat erin bestaat de bestreden beslissing bij arrest onwettig te horen verklaren, om vervolgens, op grond van deze met gezag van gewijsde beklede uitspraak, een vordering tot schadevergoeding voor VII-16.342-5/6 de gewone rechter te kunnen ondersteunen geen belang is dat is verbonden aan de nietigverklaring en derhalve aan het doen verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde, maar een belang dat er uitsluitend in bestaat één of meerdere middelen gegrond te horen verklaren; dat een dusdanig belang een onrechtstreeks belang is; dat een onrechtstreeks belang niet volstaat om een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring in te stellen; dat overigens ook de gewone rechter die gevat is om uitspraak te doen over de vordering tot schadevergoeding de fout van de overheid kan vaststellen, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie februari tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.342-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.130 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.