← België

Arrest 140243 - - 07/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.243 Rolnummer: A. 134959/XIV-14496 Zaak: Arrest 140243 - - 07/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 07:18 Fiche Arrest nr 140.243 van 7 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.243 van 7 februari 2005 in de zaak A. 134.959/XIV-14.

  1. In zake : XXX, die woont te A., tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 3 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 maart 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 12 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-14.496-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN BELLINGEN, die loco advocaat W. DEJOSSE verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 8 oktober 2001 en zich de eerste maal vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 23 oktober 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 29 november 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; Overwegende dat de verzoekende partij zich de tweede maal vluchteling verklaart op 3 februari 2003; dat op 18 februari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 7 maart 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaart een Slavische moslim afkomstig uit Rozaje (Sandzak), Montenegro te zijn en vanaf 1996 met uw partner, A. A., en uw twee minderjarige kinderen in Vitomirice, Kosovo te hebben gewoond. Op 8 oktober 2001 vroeg u een eerste maal asiel in België. In het kader van een door u ingediend dringend beroep nam ik op 29 november 2001 een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. U diende hiertegen een vordering tot schorsing en nietigverklaring in, welke door de Raad van State bij arrest van 28 november 2002 werd verworpen. Op 3 februari 2003 diende u een tweede asielaanvraag in. U zou niet teruggekeerd zijn naar uw land van herkomst. U zou niet terug kunnen naar Kosovo. Albanezen zouden er u na uw vertrek bij uw schoonouders komen zoeken zijn. Uw partner zou er gezocht zijn omdat hij als taxichauffeur ooit Serviërs had vervoerd. Uw schoonouders zelf zouden omwille van bedreigingen en intimidaties Kosovo overigens verlaten hebben en naar Montenegro zijn gegaan. Naar Montenegro zou u evenmin terug kunnen keren. Als lid van de SDA zou u problemen kunnen krijgen met de autoriteiten. Een familielid zou u zou zo beschuldigd zijn geweest van illegaal wapenbezit en hardhandig aangepakt zijn door de politie. Uw partner zou bovendien gezocht en beschuldigd zijn omwille van zijn lidmaatschap bij de SDA. U bent in het bezit van een attest waaruit blijkt dat u zich tijdens de oorlog in Kosovo als ontheemde bij het Rode Kruis in Rozaje, Montenegro heeft aangeboden. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat ik in het kader van uw eerste asielaanvraag heb vastgesteld dat u geen elementen had aangehaald waaruit zou kunnen blijkend at u bij een eventuele terugkeer naar de Federale Republiek Joegoslavië; met name naar Montenegro; het risico liep om het slachtoffer te worden van een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. In het kader van uw tweede aanvraag brengt u onvoldoende elementen aan om de eerder door mij genomen weigeringsbeslissing alsnog te kunnen wijzigen. Wat uw vrees te zullen worden vervolgd omwille van uw lidmaatschap bij de SDA dient eerst te worden vermeld dat u deze bewering steunt op het feit dat uw partner omwille van zijn lidmaatschap beschuldigd is door de Montenegrijnse autoriteiten. In dit verband meen ik te XIV-14.496-2/7 moeten verwijzen naar het door mij genomen beslissing in het kader van het door uw partner ingediend dringend beroep, waarin ik heb vastgesteld dat niet het minste geloof gehecht kon worden aan de door hem beweerde vervolging door de Montengrijnse autoriteiten omwille van zijn vermeende vijandelijke activiteiten tegen de Joegoslavische staat. Ook de waarachtigheid van uw verklaringen komen hierdoor in het gedrang. Hierbij kan verder nog verwezen worden naar het feit dat uit informatie van het commissariaat-generaal die gevoegd werd in het administratief dossier blijkt dat de door het vorige regime in de hand gewerkte moeilijke en gespannen relatie tussen de verschillende etnische groepen in de Sandzak-regio sinds de verdwijning van het Milosevic-regime aanzienlijk verbeterd is. Alle daar aanwezige partijen, ook de SDA, zoeken toenadering tot elkaar en hebben de wil tot samenwerking met de autoriteiten. De hedendaagse politiek in Sandzak wordt weliswaar nog gekenmerkt door een onderlinge strijd tussen de verschillende partijen, daar waar het de invulling gekenmerkt door een onderlinge strijd tussen de verschillende partijen, daar waar het de invulling van de meest belangrijke (overheids)functie betreft, doch van een gerichte en systematische vervolging van SDA-leden is geen sprake. Het door u neergelegde attest doet geen afbreuk aan boven gedane vaststellingen. Het betreft uw verblijf in Montenegro in 1999, doch het bevestigt geenszins de door u beweerde vrees voor vervolging bij een eventuele terugkeer naar Montenegro. Aangezien duidelijk blijkt dat uw motieven die u aanhaalt ter ondersteuning van uw tweede asielaanvraag niet gebaseerd zijn op geloofwaardige elementen en kennelijk ongegrond zijn achtte ik het niet noodzakelijk u te horen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Genomen uit de schending van artikel 52, §1 en §2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 en 2 van de wet inzake de formele motivering van bestuurshandelingen van 29 juli 1991 en de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Doordat, eerste onderdeel, de bestreden beslissing oordeelt voor wat de vrees van verzoekster betreft om te worden vervolgd omwille van haar lidmaatschap bij de ‘SDA’, deze vrees gesteund is op de vervolging van haar echtgenoot, er niet het minste geloof kan gehecht worden aan deze vervolging, en er verwezen wordt naar de beslissing die genomen werd in het kader van het door haar echtgenoot indiende beroep. Terwijl, er geen enkele reden is om de bewijskracht van het vonnis met betrekking tot haar echtgenoot -waarvan het commissariaat-generaal op geen enkele andere wijze de vermeende valsheid aantoont - in twijfel te trekken. Het vonnis haalt uitdrukkelijk de regels aan waarop de Militaire Rechtbank bevoegd is, meer bepaald ‘artikel 2, 351 en 300 paragraaf 1 van de wet over de gerechtelijke behandeling’ en artikel 136, paragraaf 1 van het Strafwetboek van Joegoslavië. Dat het vonnis bovendien duidelijk vermeldt dat de echtgenoot van verzoekster legerplichtig was en ingeschreven was bij de Militaire afdeling in Rozaje, reden waarom de Militaire Rechtbank zich bovendien bevoegd achtte. Dat de bestreden beslissing inzake de echtgenoot van verzoekster trouwens vermeld: ‘U bent tevens in het bezit van uw geboorteakte, de geboorteaktes van uw kinderen en uw militair boekje’. Dat de Militaire Rechtbank wel degelijk bevoegd was. Dat het vonnis zowel onder de aanhef ‘in naam van het volk’ onder de titel ‘vonnis’, als onder de titel ‘uitleg’ - behoudens die ene uitzondering- de naam van de echtgenoot van verzoekster vermeldt. XIV-14.496-3/7 Dat het eenmalig vermelden van een andere naam, enkel kan gezien worden als een materiële vergissing, en een bewijs van de willekeur waarop de Militaire Rechtbank tewerk ging, doch geenszins de bewijskracht van het vonnis teniet doet. Uit het vonnis blijkt duidelijk dat de echtgenoot van verzoekster werd vervolgd omwille van ras, het behoren tot een bepaalde sociale groep en zijn - vermeende - politieke overtuiging. Verzoekster, eveneens lid van de ‘SDA’, dient dan ook te worden aanzien als een vluchteling in de zin van artikel 1 van de Geneefse conventie. Doordat, de bestreden beslissing oordeelt dat sinds de verdwijning van het Milosevic- regime de spanning tussen de verschillende etnische groepen aanzienlijk verbeterd zijn, dat de hedendaagse politiek weliswaar wordt gekenmerkt door een onderlinge strijd tussen de verschillende partijen, doch er van een gerichte en systematische vervolging van SDA-leden geen sprake zou zijn. Terwijl, het bovenstaande niets afdoet van het gegeven dat de echtgenoot van verzoekster net omwille van zijn lidmaatschap van het ‘SDA’ veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 4 jaar en er voor verzoekster dezelfde vrees bestaat.”; 2.1.
  4. Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij met andere woorden de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing verwijst naar de eerste asielaanvraag van de verzoekende partij en de vaststelling dat zij in haar tweede asielaanvraag geen voldoende elementen heeft aangebracht om de eerder door de commissaris-generaal genomen weigeringsbeslissing alsnog te kunnen wijzigen; dat de commissaris-generaal redelijkerwijze kon twijfelen aan het asielrelaas van de verzoekende partij omdat het veroordelend vonnis dat haar echtgenoot heeft voorgelegd ter staving van de hem betreffende asielaanvraag in het feitelijk gedeelte een tweede persoon vernoemt zonder diens hoedanigheid te bepalen, minstens omdat een dergelijke gezaghebbende akte bezwaarlijk zulk een “materiële vergissing” zou bevatten; dat de verzoekende partij niet concreet aantoont dat de informatie van de commissaris-generaal over de verhouding tussen verschillende etnische groepen in de Sandzak-regio onjuist is; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) is gegeven, heeft genomen; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; XIV-14.496-4/7 Overwegende dat verder de verzoekende partij niet verduidelijkt hoe de bestreden beslissing de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.) zou hebben geschonden; dat het eerste middel in die mate onontvankelijk is; 2.2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Genomen uit de schending van artikel 63/5 van de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de algemene motiveringswet’. Doordat, de bestreden beslissing oordeelt ‘dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn veiligheid in gevaar zou verkeren’. Terwijl, artikel 63/5 voorziet dat ‘in geval van bevestiging van de aangevochten beslissing (geeft) de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen of één van zijn adjuncten tevens uitdrukkelijk advies over de eventuele terugleiding van betrokkene naar de grens van het land dat hij is ontvlucht en waar volgens zijn verklaring zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. De wetgever heeft duidelijk geoordeeld dat ook wanneer een asielaanvraag onontvankelijk wordt verklaard en het voorwerp uitmaakt van een bevestigende beslissing, een terugleiding naar het land van herkomst niet automatisch is. De wetgever heeft er rekening mee gehouden dat een strikte toepassing van de wetgeving een schending van elementaire mensenrechten zou kunnen inhouden. Met name dient de commissaris-generaal hierbij te waken over een eventuele schending van artikel 3 E.V.R.M. De commissaris-generaal blijft in de bestreden beslissing volkomen in gebreke te motiveren waarom hij van oordeel is dat een terugleiding naar Joegoslavië zich opdringt, ondanks het feit dat verzoekster aldaar riskeert te worden vervolgd en gevangengenomen op dezelfde manier als haar echtgenoot. Door geen enkele reserve te formuleren met betrekking tot terugleiding naar de grens van Joegoslavië, heeft de bestreden beslissing tot gevolg dat het voor verzoekster wel bijzonder moeilijk wordt een eventuele schending van art. 3 op te werpen als een reden voor regularisatie of uitstel van vertrek in het kader van een aanvraag gericht tot het Ministerie van Binnenlandse Zaken.”; 2.2.
  6. Overwegende dat de uitspraak van de commissaris-generaal omtrent de terugleiding van niet-erkende kandidaat-vluchtelingen slechts een advies is over een feitelijke toestand dat de minister van Binnenlandse Zaken niet moet opvolgen en dat dus niet bindend is; dat dit onderdeel van de bestreden beslissing niet vatbaar is voor nietigverklaring, omdat het niet onder de toepassing valt van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het tweede middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het E.V.R.M., dat de verzoekende partij moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een XIV-14.496-5/7 dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M. en dat de verzoekende partij enkel verwijst naar het feit dat de commissaris-generaal dient “te waken over een eventuele schending van artikel 3 E.V.R.M.” en naar de bijzondere moeilijkheid die zij zou ondervinden om een eventuele schending van het voormeld artikel op te werpen “als een reden voor regularisatie of uitstel van vertrek in het kader van een aanvraag gericht tot het Ministerie van Binnenlandse Zaken”; dat, in de mate dat de verzoekende partij verwijst naar haar asielrelaas, de asielaanvraag met de bestreden beslissing bedrieglijk is bevonden en dat haar grieven daartegen blijkens de bespreking van het vorige middel ongegrond zijn; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt; Overwegende, wat de aangevoerde schending van de “algemene motiveringswet” betreft, dat dient te worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, XIV-14.496-6/7 staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.496-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.243 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.