← België

Arrest 140264 - - 07/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.264 Rolnummer: A. 137615/XIV-15428 Zaak: Arrest 140264 - - 07/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 07:19 Fiche Arrest nr 140.264 van 7 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.264 van 7 februari 2005 in de zaak A. 137.615/XIV-15.

  1. In zake : XXX alias XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX alias XXX, van Iraanse nationaliteit, op 5 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 november 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 8 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 16 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 1 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-15.428-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 26 oktober 2002 en zich vluchteling verklaart op 28 oktober 2002; dat op 5 november 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 5 mei 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “A. Vluchtrelaas U verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Tabriz. Sinds 1367 (Perzische kalender; omzetting: 1988-1989) zong u op feesten. Af en toe werd u tijdens optredens lastiggevallen door Bassidiji. U werd tweemaal gearresteerd en gedurende twee dagen door de Bassidj opgesloten omdat u geen revolutionaire liedjes zong of een stropdas droeg tijdens het optreden. Sinds een jaar had u ook een liedje, gericht tegen de mollahs. Op 05/02/1381 (25 april 2002) ging u samen met uw vier muzikanten de muzikale omlijsting verzorgen op het verjaardagsfeest van Mohammad Mahtabi. Na een optreden van twee uur vroeg men u om nog twee uur langer te zingen. U zong onder andere het liedje tegen de mollahs. Een week later moest u opnieuw gaan optreden. Toen u een van de muzikanten, Bahram Djalali, opbelde, hoorde u van zijn broer Ali dat hij niet thuis was. De volgende dag kwam Ali bij u thuis om u te zeggen dat Bahram gearresteerd was door Ettela’at omwille van dit lied tegen de mollahs. Tijdens het feestje op 05/02/1381 (25 april 2002) had iemand jullie gefilmd en de videoband bij Ettela’at afgegeven. Op 15/02/1381 (5 mei 2002) hebt u Iran verlaten. U verbleef gedurende vijf maanden in Istanbul en werd daar gezocht door de agenten van Ettela’at. Toen ze u daar probeerden te arresteren, kon u ontkomen. U kwam in België aan op 21 oktober 2002 en vroeg hier asiel aan op 28 oktober
  3. Na uw vertrek zouden leden van de Ettela’at u zowat elke week bij u thuis zijn komen zoeken en uw broer zou twee à drie keer gearresteerd zijn opdat hij uw verblijfplaats zou prijsgeven. U legt uw identiteitsboekje, een CD-rom, een kopie van een foto, een reçu van het versturen van documenten vanuit Iran, evenals twee originele oproepingsbrieven en een kopie van een oproepingsbrief voor. B. Motivering Er dient vooreerst te worden vastgesteld dat u niet altijd consequent geweest bent in de loop van uw asielprocedure. Zo hebt u een aantal zaken aan uw asielrelaas toegevoegd. In dringend beroep (DB) verklaarde u dat Ettela'at u tot in Istanbul achtervolgde en dat u bijna gearresteerd werd door een agent (gehoorverslag CGVS, p. 6). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) hebt u hier echter geen melding van gemaakt. Dat u toen moe en bang was (gehoorverslag CGVS, p.6), is geen afdoende verklaring voor deze lacune. In DB verklaarde u twee keer voor twee dagen gearresteerd te zijn door de Bassidj (gehoorverslag CGVS, pp. 12-13). Voor DVZ hebt u hier geen melding van gemaakt, sterker nog, toen er u naar eventuele opsluitingen gevraagd werd, hebt u uitdrukkelijk verklaard niet te zijn opgesloten (gehoorverslag DVZ, p. 14). Het niet eerder vermelden van deze feiten, die uw vrees om naar Iran terug te keren versterken, ondermijnt uw geloofwaardigheid. Voor DVZ verklaarde u dat er tijdens het feestje in een andere kamer mannen en vrouwen betrekkingen met elkaar hadden (gehoorverslag DVZ, p. 13), maar u maakte hier geen melding meer van in DB. Ook dient te worden vastgesteld met betrekking tot de door u neergelegde oproepingsbrief (op datum van 1210811381, komt overeen met 3 november 2002): gelet op de in het administratief dossier beschikbare resultaten van het onderzoek naar de authenticiteit van dit XIV-15.428-2/6 door u voorgelegde document kan geconcludeerd worden dat deze oproepingsbrief vals is. Zo is het dossiernummer foutief en is de plaats waar u zich moest aanbieden niet voldoende gespecifieerd. Bovendien heeft u tweemaal dezelfde oproepingsbrief afgegeven, waarbij in de tweede versie meer zaken ingevuld waren dan in de eerste versie. Aan de andere door u voorgelegde kopie van een oproepingsbrief kan als gevolg van deze opmerkingen nog maar weinig geloof gehecht worden. Voorts hebt u voor DVZ een valse naam opgegeven. Uit uw verklaringen in DB blijkt uw echte naam XXX te zijn. U zou deze valse naam opgegeven hebben uit vrees voor de Iraanse autoriteiten en omdat u reeds achtervolgd was tot in Turkije. Bovenstaande opmerkingen doen echter enigszins twijfelen aan de waarachtigheid van uw vrees. Dit opgeven van een valse naam wijst eerder op een poging de Belgische asielinstanties te misleiden. Gelet op bovenstaande vaststellingen kan er geen verder geloof gehecht worden aan uw asielrelaas. De overige documenten die u voorlegt tonen uw identiteit en het feit dat u zanger was aan, maar zijn niet van die aard dat ze bovenstaande opmerkingen in positieve zin kunnen wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een ander beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 1910511993: artikel 17, par. 2, aL2.).”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de materiële motiveringsplicht en van de beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partij aanvoert “dat de commissaris- generaal in haar bestreden beslissing toegeeft dat het enkel gaat om niet altijd consequent te zijn geweest, dat enkel beslissingen die manifest bedrieglijk zijn, geweerd dienen te worden in de ontvankelijkheidsfase, dat twijfel steeds in het voordeel van de asielzoeker speelt, dat een tegenstrijdigheid nog niet wil zeggen dat er ernstig moet worden getwijfeld aan de oprechtheid van de verklaringen, dat zo er een kleine tegenspraak zou zijn aangetoond, quod non, deze geen aanfluiting inhoudt van de geloofwaardigheid van de essentiële gegevens van het verhaal van de aanvrager gezien dit in het geheel van de verklaringen moet bekeken worden”; dat de verzoekende partij, met betrekking tot de vaststelling van de commissaris-generaal dat ze op de dienst Vreemdelingenzaken geen melding heeft gemaakt van het feit dat ze door het Ettela’at is opgepakt in Istanbul en dat ze twee maal voor twee dagen is aangehouden, aanvoert dat ze zich voor het interview op het commissariaat-generaal gewoon meer comfortabel voelde en daarom ook meer in detail is getreden; dat, wat betreft de vaststelling van de commissaris-generaal dat de neergelegde oproepingsbrief vals is en dat zij twee maal dezelfde oproepingsbrief heeft neergelegd, de verzoekende partij aanvoert dat het twee verschillende documenten betreft die absoluut niet identiek en zeker niet vals zijn; dat, wat betreft de vaststelling van de commissaris-generaal dat zij een valse naam heeft opgegeven op de dienst Vreemdelingenzaken, de verzoekende XIV-15.428-3/6 partij aanvoert “dat de commissaris-generaal toegeeft dat zij reeds op de dienst Vreemdelingenzaken liet weten welke haar echte naam was en dat zij deze valse naamdracht heeft gedaan uit angst voor de autoriteiten”; dat de verzoekende partij verder verwijst naar bepaalde rechtspraak en rechtsleer; 2.
  5. Overwegende dat de commissaris-generaal, wanneer hij in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag, op basis van artikel 52, §2, van de Vreemdelingenwet kan oordelen dat een vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van die wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten wordt in die hoedanigheid in het rijk te verblijven wanneer de aanvraag bedrieglijk is; Overwegende dat van de kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de verzoekende partij met de verklaringen post factum dat zij op de dienst Vreemdelingenzaken te moe en te bang was om het gehele verhaal toe te lichten en dat zij zich bij de commissaris-generaal meer comfortabel voelde en bijgevolg meer in detail is getreden, niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal op kennelijk onredelijke wijze heeft vastgesteld dat de verzoekende partij pas bij het verhoor voor het commissariaat-generaal een aantal essentiële elementen heeft toegevoegd aan haar eerder relaas, waardoor de geloofwaardigheid van dat asielrelaas ondermijnd wordt; Overwegende dat de verzoekende partij de vaststelling van de commissaris-generaal “dat zij twee maal dezelfde oproepingsbrief heeft afgegeven en dat uit onderzoek blijkt dat de oproepingsbrief vals is”, betwist doch niet in concreto weerlegt; dat echter uit het administratief dossier blijkt dat het wel degelijk twee keer om dezelfde oproepingsbrief gaat; Overwegende dat de verzoekende partij betoogt “dat een tegenstrijdigheid nog niet wil zeggen dat er ernstig moet getwijfeld worden aan de oprechtheid van de verklaringen, dat zo er toch een kleine tegenspraak zou aangetoond zijn, quod non, deze geen aanfluiting inhoudt van de geloofwaardigheid van de essentiële gegevens van de aanvrager gezien dit in het geheel van de verklaringen moet worden bekeken”; dat de verzoekende partij haar betoog tracht te staven met een verwijzing naar bepaalde rechtspraak van de Raad van State, zonder dit in concreto op haar eigen verklaringen te betrekken; XIV-15.428-4/6 Overwegende dat de verzoekende partij niet betwist dat zij een valse naam heeft opgegeven op de dienst Vreemdelingenzaken, doch dat zij aanvoert dit louter uit angst voor de Iraanse autoriteiten gedaan te hebben; dat deze verklaring niet kan overtuigen; dat elke kandidaat-vluchteling gehouden is zijn volledige medewerking te verlenen aan de overheid die zijn asielaanvraag behandelt; dat dit onder meer inhoudt dat hij de waarheid dient te vertellen en geen valse verklaringen mag afleggen; Overwegende dat het voordeel van de twijfel pas kan worden verleend aan een vluchteling indien uit het verhaal van de kandidaat-vluchteling blijkt dat hij onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève valt; dat uit het voorgaande dat de commissaris-generaal terecht heeft geoordeeld dat dit niet het geval is; dat, wat betreft de aangevoerde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de verzoekende partij nalaat aan te geven welk beginsel van behoorlijk bestuur zou zijn geschonden; dat het niet aan de Raad van State toekomt dit te onderzoeken; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de commissaris-generaal krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet beschikt; dat het enige middel ongegrond is;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.428-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.428-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.264 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.