id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.338 Rolnummer: A. 125544/VII-27574 Zaak: Arrest 140338 - - 09/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-23 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-02 07:20 Fiche Arrest nr 140.338 van 9 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 140.338 van 9 februari 2005 in de zaak A. 125.544/VII-27.574 In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VAN GASSEN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Albanese nationaliteit, op 16 augustus 2002 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van het Commissariaat-Generaal van 25/07/2002, houdende de bevestigende beslissing van weigering van verblijf” en van “de beslissing van de Algemene Directie van de Dienst Vreemdelingenzaken van 14/08/2002 houdende het bevel om het grondgebied te verlaten”; Gezien het beroep tot nietigverklaring; Gelet op de beschikking van 17 september 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op het administratief dossier en gezien de nota van de verwerende partij; VII-27.574-1/4 Gezien het voorlopig advies opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 7, §2 van het hoger genoemde koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit voorlopig advies aan de partijen; Gelet op de beschikking van 16 december 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VAN GASSEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen werden op 29 juni 2002 aangetroffen aan boord van een oplegger op de parking van de E40 te Groot-Bijgaarden, samen met hun twee minderjarige kinderen. 1.
- Op 8 juli 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 25 juli 2002 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de minister. 1.
- Op 2 augustus 2002 dienen de verzoekende partijen een nieuwe asielaanvraag in. Op 14 augustus 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen houdende de weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. VII-27.574-2/4 1.
- Op 10 oktober 2002 bracht de advocaat van de verzoekende partijen de Raad van State per brief ervan op de hoogte dat de verzoekende partijen “(...) eind augustus 2002 op gedwongen wijze het land zijn uitgezet. Een eventuele oproeping tot persoonlijke verschijning voor de Raad van State is bijgevolg zonder voorwerp.(...)”.
- Overwegende dat wordt opgeworpen dat de vordering niet ontvankelijk zou zijn wegens gebrek aan belang; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zich slechts zouden opdringen indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing van de bestreden beslissing vervuld zijn; 4.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende dat de verzoekende partijen hun nadeel als volgt uiteen zetten: “Overwegende dat voorgaande feiten aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing genomen door het Commissariaat-Generaal en de Dienst Vreemdelingenzaken, een ernstig te herstellen nadeel aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op verzoekers kantoor houdende te berokkenen (artikel 8, lid 1, 5/ van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State). Het nadeel dat zou kunnen ontstaan is ernstig, gezien ze bij een mogelijke terugkeer naar Albanië weer het slachtoffer zullen worden van aldaar, zowel bij de autoriteiten als bij de bevolking, anti-democratische gevoelens. Er wordt immers uitdrukkelijk door de gemeente gesteld dat (Stuk B:1): ‘Enkele bepaalde anti-democratische groepen [...] bedreigen hem en zijn familie met de dood. Daarom is het leven van de Heer XXX en zijn familie onzeker.’ Daaruit volgt onmiskenbaar dat er inderdaad een ernstig te herstellen nadeel kantoor houdende te berokkend worden aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op verzoekers bij de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen door het Commissariaat-Generaal en de Dienst Vreemdelingenzaken. De laatste beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken werd genomen zonder dat verzoekers, noch hun raadsman werden verwittigd van hun komst. Bovendien heeft de Dienst Vreemdelingenzaken de nieuwe stukken, welke in copie hierbij zijn gevoegd, niet grondig onderzocht. Minstens is er een grondiger onderzoek noodzakelijk.”; Overwegende dat gelet op het feit dat de verzoekende partijen werden gerepatrieerd en zij in de uiteenzetting van hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel zich beperken tot het nadeel dat erin bestaat te worden gerepatrieerd, de schorsing van de VII-27.574-3/4 bestreden beslissing hieraan niet langer tegemoet kan komen en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als dusdanig niet meer kan worden aanvaard;
- Overwegende dat niet is voldaan aan een van de twee door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen februari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-27.574-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.338 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.