id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.347 Rolnummer: A. 132702/VII-28952 Zaak: Arrest 140347 - - 09/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-22 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 07:20 Fiche Arrest nr 140.347 van 9 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 140.347 van 9 februari 2005 in de zaak A. 132.702/VII-28.952 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Palestijnse origine, op 10 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 oktober 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 11 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 16 december 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 januari 2005; VII-28.952-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. LAMOOT, die, loco advocaat F. LANDUYT, verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 19 oktober 2002 en verklaarde zich op 23 oktober 2002 vluchteling. 1.
- Op 23 oktober 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 11 december 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, die beweert van Palestijnse origine te zijn en afkomstig van het vluchtelingenkamp Jenin op de Westelijke Jordaanoever, zou nooit politiek actief zijn geweest. U zou van 1997 tot 25 juni 2001 in Israël hebben gewerkt in de bouwsector alsook in een handel van auto-onderdelen. Hierna zou u opnieuw in Jenin hebben gewoond. Er zouden geruchten zijn verspreid dat u door collaboratie met Israël rijkdom zou hebben vergaard. U zou bevriend zijn geweest met leden van de Islamitische verzetsbeweging "Jihad El lslami". U zou hen informatie hebben verschaft over bepaalde plaatsen in Israël waar u zou gewerkt hebben. U zou hen ook onderdak, geld en voedsel hebben aangeboden. Tijdens de Israëlische aanval op uw vluchtelingenkamp in april 2002 zou uw huis zijn vernield. Uw vader zou hierbij zijn omgekomen. U zou geld hebben ingezameld bij Israëlische Arabieren om de getroffen VII-28.952-2/6 Palestijnse families bij te staan. De Israëlische politie zou na de arrestatie van een Israëlische Arabier u ervan beschuldigd hebben Palestijnse activisten te ontmoeten. Men zou u er ook hebben van verdacht gestolen wagens uit Israël te smokkelen voor het plegen van zelfmoordaanslagen. De Israëlische politie zou de garage en het huis van uw broer doorzocht hebben. Ze zouden u daar gezocht hebben. U zou zijn ondergedoken bij een vriend die u naar Gaza zou hebben gebracht. U zou uit vrees door de Israëlische politie gearresteerd te worden naar Jordanië zijn gevlucht. Van daaruit zou u naar België zijn afgereisd teneinde er zich vluchteling te verklaren. Er dient opgemerkt dat er ernstig getwijfeld kan worden aan uw beweerde afkomst uit de Bezette Gebieden. En dit omwille van de volgende redenen. Zo verklaart u dat de Palestijnse identiteitskaart altijd een lichtgrijze kleur heeft gehad en de vorm had van een ongevouwen document dat slechts uit één blad bestond. en geenszins de vorm aannam van een boekje (zie gehoorverslag CGVS, p.2, p. 2 bis). Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal (CGVS) beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd blijkt dat de Palestijnse identiteitskaart een gevouwen kartonnen boekje is, een groene kleur heeft (voorheen oranje/rood) en dat er een bijlage van 3 à 4 pagina's gehecht is aan de binnenkant van het document. Bovengaande vaststelling laat ernstige twijfels rijzen omtrent uw beweerde afkomst. Verder dient aangestipt dat u een verkeerdelijke beschrijving van de Palestijnse vlag heeft gegeven, nl. een rechthoek ingedeeld in drie kleuren, zwart (bovenaan), wit met een adelaar als symbool (in het midden) en groen (onderaan), (zie gehoorverslag CGVS, p. 3 bis). Dit terwijl uit de informatie, toegevoegd aan het administratief dossier, blijkt dat de linkerkant van de vlag voorzien is van een rode driehoek en dat er geen sprake is van een adelaar. Voorts verklaarde u enkel een autorisatiedocument en identiteitskaart nodig te hebben gehad om toegang te krijgen tot het Israëlisch grondgebied voor uw werk (zie gehoorverslag CGVS, p.5 bis). Dit terwijl elke Palestijn die de bezette Palestijnse gebieden wil verlaten, hetzij om Israël binnen te treden, hetzij om door Israël te trekken of naar het buitenland te gaan over drie documenten dient te beschikken. nl. zijn identiteitskaart. een geïnformatiseerde kaart (nodig voor lsraëlische controle) en een reisvergunning (zie informatie CGVS, waarvan eveneens een kopie bij het administratief dossier is gevoegd). Gezien u verklaarde gedurende vier jaar, nl. van 1997 tot juni 2001 in Israël te hebben gewerkt (zie gehoorverslag CGVS, p. 4 bis) mag van u verwacht worden dat u op de hoogte bent van deze noodzakelijke reisdocumenten. Ook dient aangestipt dat u als Palestijn afkomstig van de Westbank het antwoord moest schuldig blijven op de vraag wanneer de tweede (en recente) intifadah onder de Palestijnen is uitgebroken (gehoorverslag CGVS, p.4). Op de hiermee gerelateerde vraag wat de directe aanleiding was tot het uitbreken van deze tweede Palestijnse opstand, kwam u niet verder dan te stellen dat "een belangrijke Israëli naar de al-Aqsa-moskee ging". Wat de identiteit van deze Israëli was, kon u niet verduidelijken. Dit terwijl het een algemeen bekend gegeven is dat het bezoek van premier Ariël Sharon de onmiddellijke aanleiding vormde tot de tweede intfadah (gehoorverslag CGVS, p.5). Bovengaande vaststellingen laten niet toe nog verder geloof te hechten aan uw verklaring uit de Bezette Gebieden afkomstig te zijn. Bijgevolg kan evenmin geloof kan worden gehecht aan de door u ingeroepen vluchtmotieven. Uw asielaanvraag is bijgevolg ontvankelijk.". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat verzoeker een enig middel inroept, dat luidt als volgt: "Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991). en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te VII-28.952-3/6 Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980; Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 11.12.2002 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 23.10.
- In de motivering stelt de Heer Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat de feiten onjuistheden bevatten, die aan de geloofwaardig van zijn verhaal doen twijfelen. Zo verklaarde mijn verzoeker dat een Palestijnse identiteitskaart altijd een lichtgrijze kleur heeft gehad en de vorm had van een ongevouwen document dat slechts uit één blad bestond. en geenszins de vorm aannam van een boekje (zie gehoorverslag CGVS, p. 2, p. 2 bis). De informatie waarover het Commissariaat-Generaal (CGVS) beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd is correct en daaruit blijkt dat de Palestijnse identiteitskaart een gevouwen kartonnen boekje is, een groene kleur heeft (voorheen oranje/rood) en dat er een bijlage van 3 a 4 pagina's gehecht is aan de binnenkant van het document. Bovengaande vaststelling laat geen ernstige twijfels rijzen omtrent zijn beweerde afkomst, gezien hij duidelijk verklaard heeft dat hij kleurenblind is en dus geen verschillen ziet in de kleuren. Daaromtrent dient aangestipt dat hij, om dezelfde reden van kleurenblindheid, een verkeerdelijke beschrijving van de Palestijnse vlag heeft gegeven, nl. een rechthoek ingedeeld in drie kleuren, zwart (bovenaan), wit met een adelaar als symbool (in het midden) en groen (onderaan), (zie gehoorverslag CGVS, p. 3 bis), Dit terwijl uit de informatie, toegevoegd aan het administratief dossier, blijkt dat de linkerkant van de vlag voorzien is van een rode driehoek en dat er geen sprake is van een adelaar. Voorts verklaarde hij enkel een autorisatiedocument en identiteitskaart nodig te hebben gehad om toegang te krijgen tot het Israëlisch grondgebied voor uw werk (zie gehoorverslag CGVS, p.5 bis). Dit terwijl elke Palestijn die de bezette Palestijnse gebieden wil verlaten, hetzij om Israël binnen te treden, hetzij om door Israël te trekken of naar het buitenland te gaan over drie documenten dient te beschikken. nl. zijn identiteitskaart, een geïnformatiseerde kaart (nodig voor lsraëlische controle) en een reisvergunning (zie informatie CGVS, waarvan eveneens een kopie bij het administratief dossier is gevoegd). Mijn verzoeker heeft duidelijk gesteld in zijn verhaal dat hij geen reisvergunning nodig had, gezien hij dagelijks vier keer de controlepost moest passeren en men hem kende CGVS, p. 4 bis). Ook dient aangestipt dat hij as Palestijn afkomstig van de Westbank het antwoord moest schuldig blijven op de vraag wanneer de tweede (en recente) intifadah onder de Palestijnen is uitgebroken (gehoorverslag CGVS, p. 4). Op de hiermee gerelateerde vraag wat de directe aanleiding was tot het uitbreken van deze tweede Palestijnse opstand, kwam hij niet verder dan te stellen dat "een belangrijke Israëli naar de al-Aqsa-moskee ging". Wat de identiteit van deze Israëli was, kon hij niet verduidelijken. De reden daaromtrent heeft mijn verzoeker in zijn verhoor duidelijk gezegd, nl. dat hij politiek niet actief was en hij zich niet interesseert in de politieke kwestieslag CGVS, p. 1 en 5). In zijn beslissing dd. 11.12.2002 heeft de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in zijn motivering deze feiten niet besproken, noch eventueel weerlegd. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoeker in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen. R. v. St. nr. 44.801, 3 november 1993, T Vreemd., 1994, 95, T. Vreemd., 1994, 56; Rev. Dr. Etr., 1994, 29;"; Overwegende dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die VII-28.952-4/6 overheid, wanneer de asielzoeker geen documenten kan overleggen waaruit zijn herkomst blijkt, tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan de verzoekende partij, ongeacht haar opleiding, terzake de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris-generaal uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis van die streek in redelijkheid mocht afleiden dat de verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde herkomst; dat de loutere beweringen van de verzoekende partij, die door geen enkel bewijskrachtig gegeven worden gestaafd, daaraan geen afbreuk doen; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- VII-28.952-5/6 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen februari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-28.952-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.347 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div