← België

Arrest 140348 - - 09/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.348 Rolnummer: A. 153687/VII-32433 Zaak: Arrest 140348 - - 09/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-22 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 07:21 Fiche Arrest nr 140.348 van 9 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 140.348 van 9 februari 2005 in de zaak A. 153.687/VII-32.433 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. CAMERLYNCK, kantoor houdende te 8900 IEPER, Cartonstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 28 juni 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 mei 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 januari 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 27 mei 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-32.433-1/6 Gelet op de beschikking van 16 december 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. CAMERLYNCK, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 12 december 2003 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 20 januari 2004 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 19 mei 2004 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U, een Russisch staatsburger van Russische origine, werd gehoord in het kader van uw dringend beroep op het Commissariaat-generaal op 16 februari 2004 in het bijzijn van uw advocaat Mr. Jadin. Uw echtgenoot was zeeman en tweede adjunct van de kapitein. In mei 2003 merkte u dat uw echtgenoot zijn hobby, amateurfotografie, ernstiger begon te nemen. In juni 2003 kreeg hij bezoek van twee Japanners. Uw man verkocht hen negatieven van foto's. Toen u wou weten waarover dit ging zei hij dat dit uw zaken niet waren. Ongeveer een week later kwamen de Japanners terug, maar uw echtgenoot was niet thuis. Uw echtgenoot vertelde u niets over zijn activiteiten maar u merkte wel dat hij VII-32.433-2/6 veel filmrolletjes, negatieven en Engelse en Japanse magazines meebracht. Op 5 oktober 2003 was uw echtgenoot even thuis. Diezelfde dag vertrok hij terug. Sindsdien heeft u hem niet meer gezien. Op 1 november 2003 kreeg u bezoek van twee mannen die zich voorstelden als politie. Ze doorzochten uw huis en zeiden dat uw man gearresteerd was op basis van landsverraad. Hij had landsverraad gepleegd door spionage: het verkopen van nationale geheimen aan een ander land. Ze zeiden dat u uw man niet meer mocht zien. Na hun vertrek ging u uw man zoeken in de regionale gevangenissen maar overal zei men u dat men geen gevangene kende met zijn naam. Men raadde u aan naar de rechtbank te gaan. Rond 3 november 2003 ging u naar de rechtbank in Vladivostok. Ook daar kreeg u te horen dat men geen dossier had over uw man en dat niemand hem gearresteerd had. Na het bezoek bij de rechtbank stapte u een advocatenkantoor binnen. U vroeg advies aan een advocate die u verklaarde dat het nutteloos was om een advocaat te nemen indien er geen zaak is in de rechtbank. Ze legde u uit dat uw man misschien foto's nam van nucleaire stortplaatsen op de Koerillen. U begreep dat het voor de Russische Federatie gemakkelijker is om een persoon te laten verdwijnen dan een zaak te openen over bepaalde onderwerpen. Op 11 november 2003 kwamen de onbekende mannen opnieuw naar uw huis. U werd meegenomen naar een bureau waar u ondervraagd werd over de activiteiten van uw man. Ze toonden u foto's. U deed alsof u de twee Japanners niet herkende. Ze beschuldigden u ervan dat u voor die Japanners werkte. Na de ondervraging ging u naar huis. Op 12 november 2003 ging u naar uw regionale politieafdeling in Nachodka. U wou informeren naar uw echtgenoot en klagen over de mensen die u ondervraagd hadden. Men vertelde u daar dat uw echtgenoot nooit gearresteerd was, dat hij niet vermist was en dat niemand u ondervraagd had. Op 19 november 2003 werd u opnieuw meegenomen door dezelfde twee mannen en naar het bureau gebracht. Opnieuw zeiden ze u dat u de Japanners hielp. Ze namen foto's van u en hielden uw intern Russisch paspoort in. Ze zeiden dat ze u binnen een week officieel zouden beschuldigen op basis van landsverraad. Daarna lieten ze u gaan. U vreesde nooit een proces te krijgen maar gewoon te verdwijnen en u besloot samen met uw minderjarige zoon het land te verlaten. Op 20 november 2003 reisde u met uw zoon naar Vladivostok. Daar namen jullie met behulp van iemand die bij de vliegtuigmaatschappij werkte op 23 november 2003 het vliegtuig naar Moskou. Op 9 december 2003 verliet u Moskou en reisde u illegaal naar België. Op 12 december 2003 kwam u aan in België waar u diezelfde dag een asielaanvraag indiende bij de autoriteiten. U bent in het bezit van uw rijbewijs en de geboorteakte van uw zoon. Ter staving van uw asielaanvraag legde u ook enkele kaarten voor van de Koerillen en algemene internetartikels over nucleaire activiteiten en spionage in de Russische Federatie. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u de Russische Federatie heeft verlaten alvorens u alle mogelijkheden om bescherming te krijgen of om u problemen aan te klagen had uitgeput. Uit uw verklaringen blijkt dat u op 19 november 2003 besloot om de Russische Federatie te verlaten (DVZ, nr.42; CGVS, p.20-21). Op 19 november 2003 werd u een tweede en laatste keer meegenomen voor ondervraging en op 20 november 2003 verliet u uw woonplaats met de bedoeling het land te verlaten aangezien men u gezegd had dat men u officieel zou beschuldigen van landsverraad (DVZ, nr. 42; CGVS, p.20-21). Na 19 november 2003 heeft u geen enkele poging meer ondernomen om bescherming te krijgen tegen deze bedreigingen. In de periode voor 19 november 2003 heeft u zich slechts één keer tot de regionale politie-afdeling in Nachodka gewend, dit nadat u de eerste keer werd meegenomen op 11 november
  5. Toen men u daar niet wou helpen heeft u geen verdere stappen ondernomen (DVZ, nr.42; CGVS, p. 18-19). Aldus dient te worden vastgesteld dat u onvoldoende heeft getracht om bescherming te krijgen tegen deze bedreigingen. Met betrekking tot uw eerdere bezoeken bij diverse instanties (regionale gevangenissen, rechtbank Vladivostok en advocatenkantoor) dient te worden opgemerkt dat deze bezoeken verband hielden met uw zoektocht naar uw verdwenen echtgenoot en niet met de dreigementen ten aanzien van uw persoon. Ook blijkt nergens uit uw asielrelaas dat u omwille van redenen voorzien in de Conventie van Genève niet zou kunnen rekenen op een eerlijk proces indien u officieel beschuldigd zou worden van landsverraad. U verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat u vreesde niet op het proces te geraken omdat men u onderweg zou doen verdwijnen (CGVS, p.21). Na uw gesprek met de VII-32.433-3/6 advocate was het uw mening dat de Russische Federatie bepaalde zaken niet tot een proces wil laten komen en de mensen gewoon laat verdwijnen (CGVS, p. 17). Ter staving van uw asielaanvraag legde u echter zelf een internetartikel voor waarin de rechtszaak wordt besproken van iemand die ook officieel beticht werd van dergelijke spionage (CGVS, p.22-23). Aldus dient te worden vastgesteld dat u het Commissariaat-generaal geen afdoende reden kan geven waarom u -in geval van een officiële beschuldiging- niet zou kunnen rekenen op een proces. Verder dient te worden opgemerkt dat u het Commissariaat-generaal op geen enkel moment verduidelijking kan geven over de personen met wie u problemen heeft. Uit uw verklaringen blijkt dat u in de Russische Federatie problemen kende met de machtstructuren in Rusland die u onder druk zetten (DVZ, nr.42). Deze machtsstructuren worden vertegenwoordigd door twee mannen die zich volgens uw verklaringen voorstelden als agenten maar die zich nooit als dusdanig officieel gelegitimeerd hebben (DVZ, nr.42; CGVS, p. 13). Ook over het bureau waar u twee keer mee naar toe genomen werd kan u geen informatie geven (DVZ, nr.42; CGVS, p. 18). Aldus moet worden vastgesteld dat u geen enkele duidelijkheid kan brengen over de machtstructuren door wiens dreigementen u verplicht werd het land te verlaten. Ook over de precieze activiteiten van uw man heeft u weinig informatie. Zo blijkt uit uw verklaringen dat uw man u op geen enkel moment heeft ingelicht over zijn activiteiten (CGVS, p. 10-12) en dat uw kennis over de kern van zijn landsverraad, namelijk dat uw man geheime informatie over nucleaire stortplaatsen in de Koerillen zou verkocht hebben aan Japan, gebaseerd is op geen enkel concreet bewijs. Zo stelde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal dat de advocate veronderstelde dat uw echtgenoot misschien op de hoogte was van nucleaire stortplaatsen op de Koerillen en dat de Russische staat deze informatie niet publiek wou maken en uw man gemakkelijk zou doen verdwijnen (DVZ, nr.42; CGVS, p. 17). Verder verklaarde u dat u niet goed begreep wat uw man precies deed, maar dat u in België er wel bent achtergekomen via internetpublicaties over dergelijke zaken (CGVS, p.22-23). Dat uw man beschuldigd en gearresteerd werd omwille van landsverraad bent u enkel te weten gekomen uit gesprekken en ondervragingen met de onbekende mannen die onbekende machtstructuren vertegenwoordigen (DVZ, nr.42; CGVS, p. 13). Aldus dient te worden vastgesteld dat u de kern van uw problemen niet kan concretiseren en enkel baseert op veronderstellingen, algemene internetartikels en de woorden van onbekende personen. Ten slotte werden na grondig onderzoek van uw dossier volgende twee tegenstrijdigheden vastgesteld. Zo blijkt uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u uw echtgenoot ging zoeken in de regionale gevangenissen op 2 november 2003, de dag nadat u thuis was opgezocht door twee mannen die zich voorstelden als politieagenten (DVZ, nr.42). Voor het Commissariaat-generaal daarentegen verklaarde u echter dat, toen op 1 november 2003 u thuis door die twee mannen was opgezocht, u dezelfde dag na hun vertrek uw man ging zoeken in de gevangenissen (CGVS, p. 14). Verder stelde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u op 12 november 2003 naar de politieafdeling van Nachodka ging en dat u enkele dagen later naar de rechtbank in Vladivostok ging (DVZ, nr.42). Voor het Commissariaat-generaal echter verklaarde u dat u rond 3 november 2003 naar de rechtbank in Vladivostok ging en dat u pas naar het politiebureau van Nachodka bent gegaan na het bezoek aan de rechtbank (CGVS, p. 15-16). Deze tegenstrijdigheden, die betrekking hebben op de kern van uw asielrelaas (met name uw problemen met 2 onbekende personen en uw pogingen om dit aan te klagen), ondermijnen op ernstige wijze de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Bovenstaande vaststellingen zijn van die aard dat er in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden weerhouden. De door u neergelegde documenten zijn niet van die aard dat ze bovenstaande conclusie in een ander daglicht plaatsen. Uw rijbewijs en de geboorteakte van uw zoon bevatten louter persoonsgegevens. De drie kaarten van de Koerillen en de drie algemene internetartikels leveren geen verdere informatie over uw persoonlijke problemen. VII-32.433-4/6 C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
  6. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt aangevoerdvan de materiële motiveringsplicht; dat de verzoekende partij stelt dat de ingeroepen motieven de beslissing niet kunnen dragen en dat de beslissing kennelijk onredelijk is; dat in een eerste onderdeel kritiek wordt geleverd op de vaststelling van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de verzoekende partij niet alle mogelijkheden heeft uitgeput om de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten van haar land van herkomst; dat zij in een tweede onderdeel stelt dat de vastgestelde tegenstrijdigheden relatief onbelangrijk zijn en dat daaruit in redelijkheid niet kan worden afgeleid dat de asielaanvraag bedrieglijk is; Overwegende dat het oordeel dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is mede steunt op de vaststelling dat de verzoekende partij niet kon verduidelijken met welke personen zij problemen heeft en dat ze weinig of geen informatie kan geven over de activiteiten van haar echtgenoot; dat de verzoekende partij dit onderdeel van de bestreden beslissing niet aan kritiek onderwerp; dat die vaststelling in redelijkheid volstond om te oordelen dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond en dus niet ontvankelijk was; dat het tweede onderdeel, dat betrekking heeft op een bijkomend motief, niet tot nietigverklaring kan leiden; dat het middel niet gegrond is; 2.
  7. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van het recht van verdediging; dat de verzoekende partij stelt dat de notities die werden genomen van het verhoor bij de commissaris-generaal moeilijk leesbaar zijn; Overwegende dat het beginsel van het recht van verdediging als dusdanig niet van toepassing is op de administratieve procedure zoals voorzien door de artikelen 52 en 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het VII-32.433-5/6 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat het middel niet gegrond is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen februari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-32.433-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.348 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.