id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.398 Rolnummer: A. 103835/XIV-3733 Zaak: Arrest 140398 - - 09/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-01 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 07:21 Fiche Arrest nr 140.398 van 9 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.398 van 9 februari 2005 in de zaak A. 103.835/XIV-
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat in de ontvankelijkheidsfase van de asielaanvraag, aldus verzoekster, enkel wordt vereist dat de betrokkene een coherente uiteenzetting van de feiten geeft; dat de motieven van de bestreden beslissing echter elementen bevatten die thuishoren in de gegrondheidsfase; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat haar asielrelaas volgende tegenstrijdighe- den bevat die de geloofwaardigheid ervan ernstig ondermijnen: - op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde verzoekster dat de politiemannen een dienstwagen en twee chalets in brand hadden gestoken. Op de Dienst XIV-3733-4/8 Vreemdelingenzaken liet zij dit feit onvermeld en sprak enkel over de bedreiging om een dienstwagen mee te nemen als de politiemannen het geld niet kregen; - op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde verzoekster dat zij samen met andere bedienden tijdens het bezoek van de politiemannen in april 2000 werd opgesloten en geslagen. In haar verzoekschrift in dringend beroep verklaarde zij echter samen met twee vrouwelijke collega’s te zijn verkracht. Op de Dienst Vreemdelingenzaken maakte verzoekster geen melding van een opsluiting of een aanslag op haar lichamelijke integriteit; - op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde verzoekster dat ze verschillende keren thuis het bezoek heeft gekregen van politiemannen, met name vijf keer in twee weken, en dat ze van verzoekster geld zouden hebben geëist. Op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verzoekster niets verteld over het feit dat politiemannen bij haar thuis zouden zijn gekomen; Overwegende dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem of haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat de feiten die verzoekster aanhaalt ter ondersteuning van haar asielaanvraag van gemeenrechtelijke aard zijn en geen verband houden met de criteria van de Conventie van Genève, en omdat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij geen beroep kon doen op de bescherming van de hogere XXX autoriteiten omwille van één van de criteria van voornoemde Conventie; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat de Commissaris- generaal op correcte wijze de criteria heeft toegepast die worden aangewend om een asielaanvraag al dan niet ontvankelijk te verklaren; dat hij geen onderzoek ten gronde heeft gevoerd; dat verzoekster niet aantoont in welk opzicht “de bedoeling van de wetgever niet geëerbiedigd wordt”; dat het eerste middel ongegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en volgende van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de XIV-3733-5/8 uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 3.2.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel aanvoert dat de Commissaris-generaal onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke situatie; dat verzoekster uiteenzet dat haar relaas geen tegenstrijdigheden bevat; dat zij voor de Dienst Vreemdelingenzaken niet haar volledig asielrelaas heeft verteld omdat zij angstig was en dat hierdoor tevens de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden; dat zij op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bijkomende informatie heeft gegeven; dat zij niet heeft gezegd dat zij verkracht werd tijdens haar opsluiting maar dat zij met “kracht” werd bedreigd; Overwegende dat uit de verhoorverslagen die zich in het administratief dossier bevinden, blijkt dat verzoekster tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verschillende zaken heeft verteld waarvan zij geen melding had gemaakt tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat de angst van verzoekster tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken geen verklaring kan inhouden voor de fundamentele tegenstrijdigheden in haar relaas; dat van een asielzoeker mag worden verwacht dat hij of zij reeds van bij de aanvang van de asielprocedure een zo volledig mogelijk asielrelaas naar voor brengt, zeker wat de essentiële elementen daarvan betreft; dat een brandstichting, een opsluiting met een aanslag op de lichamelijke integriteit of een zware bedreiging, en herhaalde bezoeken van politiemensen bij verzoekster thuis, dermate zwaarwichtige elementen zijn, dat de Commissaris-generaal in redelijkheid kon vaststellen dat het niet vermelden van deze feiten tijdens het eerste verhoor, de geloofwaardigheid van het relaas van verzoekster ernstig ondermijnt; dat verzoekster niet uiteenzet op welke wijze de zorgvuldigheidsplicht werd miskend; dat het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoekster in een tweede onderdeel uiteenzet dat zij niet in de mogelijkheid verkeerde om bescherming te vragen aan de autoriteiten; dat zij aanvoert dat het niet opgaat om te overwegen dat de door haar ingeroepen feiten van gemeenrechtelijke aard zijn; dat zij meent dat zij wel degelijk werd vervolgd wegens haar behoren tot een bepaalde sociale groep, met name werknemers van een bloeiend bedrijf in een arm land; Overwegende dat verzoekster niet ontkent dat zij geen bescherming heeft gezocht bij de hogere XXX autoriteiten; dat haar uiteenzetting dat zij werd afgeperst en vervolgd omwille van haar behoren tot een welbepaalde groep, met name werknemers van een succesvolle onderneming, niet van aard is om afbreuk te doen aan de vaststelling van de Commissaris-generaal dat het om feiten gaat van gemeenrechtelijke aard die geen verband XIV-3733-6/8 houden met verzoeksters ras, nationaliteit, godsdienst of het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging; dat het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-3733-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen februari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-3733-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.398 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div