← België

Arrest 140398 - - 09/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.398 Rolnummer: A. 103835/XIV-3733 Zaak: Arrest 140398 - - 09/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-01 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 07:21 Fiche Arrest nr 140.398 van 9 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.398 van 9 februari 2005 in de zaak A. 103.835/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. MAENAUT, kantoor houdende te 1082 BRUSSEL, Selliers de Moranvillelaan 84 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 23 oktober 1975 en van XXX nationaliteit, op 19 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 22 mei 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-3733-1/8 Gelet op de beschikking van 26 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 januari 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. KECHICHE, die loco Advocaat J. MAENAUT verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 12 juni 2000 en verklaart zich vluchteling op 13 juni
  6. 1.
  7. Op 18 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 20 maart 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 27 februari 2001 op de zetel van het Commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de R. taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. Ter Meert Joyce. Betrokkene, een XXX staatsburger van XXX origine, verliet op 6 juni 2000 haar land en kwam op 9 juni 2000 in België aan. Op 13 juni 2000 vroeg betrokkene het statuut van vluchteling aan bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Betrokkene zou van 1 april 1995 tot 4 april 2000 bij een toeristische firma, R., hebben gewerkt als administratieve kracht. Op 6 juni 1999 zouden 5 mannen naar betrokkenes werk zijn gekomen en zouden van de directeur geëist hebben dat hij 5000 $ betaalde. Betrokkenes baas zou gezegd hebben dat de mannen van de politie waren. Vervolgens zouden de mannen een firmawagen en 2 chalets in brand hebben gestoken. De directeur zou hebben betaald en de mannen zouden hebben gezegd dat ze zouden terugkomen. Ze zouden 5 à 6 keer, telkens naar het einde van de maand, zijn teruggekomen om het geld op te halen. De directeur zou nooit klacht hebben ingediend uit angst voor de gevolgen. Bij het bezoek van de mannen begin april 2000 zouden ze betrokkene en de andere bedienden hebben opgesloten in een aparte kamer en hen hebben bedreigd en geslagen. Betrokkenes chef zou hebben gezegd dat het teveel XIV-3733-2/8 was en dat hij niet meer zou betalen waarna de mannen in het been van de directeur zouden hebben geschoten. De directeur zou gedurende twee maanden in het ziekenhuis hebben gelegen. Na dit incident zouden de mannen nog meerdere keren naar betrokkenes huis zijn gekomen en 1000 dollar hebben geëist. Op 4 april 2000 zou betrokkene haar job hebben opgegeven en zou ze uit angst bij een vriendin, Y., zijn gaan wonen. Toen betrokkene reeds vertrokken was naar België zou haar moeder verschillende keren het bezoek hebben gekregen van de politie die op zoek was naar betrokkene. Betrokkene zou dit van haar moeder hebben vernomen toen ze haar in oktober 2000 twee keer zou hebben gebeld i.v.m. haar documenten. Betrokkenes moeder zou haar de tweede keer hebben gezegd dat de politie wist dat ze in België was. Betrokkenes moeder zou een pakje met betrokkenes documenten op de post hebben gedaan maar die zouden daar zijn onderschept door de politie. Er dient te worden opgemerkt dat er belangrijke tegenstrijdigheden zijn tussen de diverse verklaringen (op DVZ en voor het Commissariaat-generaal) van betrokkene die toelaten de oprechtheid van haar beweringen in twijfel te trekken. Voor het Commissariaat-generaal verklaart betrokkene dat de politiemannen een dienstwagen en twee chalets zouden hebben in brand gestoken (CGVS, verhoorverslag, p. 1). Op de Dienst Vreemdelingenzaken maakte zij hiervan geen melding. Zij verklaarde er enkel dat de politiemannen bij hun eerste bezoek hadden gedreigd een dienstwagen te zullen meenemen indien zij het geld niet krijgen (kregen) (DVZ vraag 42). Verder beweert betrokkene voor het Commissariaat-generaal dat ze, samen met de andere bedienden tijdens het bezoek van de politiemannen in april 2000 zou zijn opgesloten en geslagen (CGVS, verhoorverslag, p. 2). In haar verzoekschrift tot dringend beroep verklaard(e) zij bovendien samen met twee andere vrouwelijke collega's te zijn verkracht. Op DVZ maakte betrokkene geen melding van deze opsluiting of enige aanslag op haar lichamelijke (integriteit) door de politiemannen (DVZ vragen 42-45). Vervolgens verklaart betrokkene voor het Commissariaat-generaal dat ze, nadat de directeur in het been zou zijn geschoten, verschillende keren thuis het bezoek zou hebben gekregen van de politiemannen. Zij zouden van betrokkene geëist hebben dat ze 1000 $ betaalde. De politiemannen zouden in een periode van twee weken vijf keer zijn langs geweest (CGVS, verhoorverslag, p. 2). Op DVZ heeft betrokkene niets gezegd over het feit dat de politieagenten bij haar thuis zouden zijn gekomen (DVZ vraag 42). Door bovenstaande tegenstrijdigheden wordt de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas ernstig ondermijnd. Bovendien moet er worden op gewezen dat de feiten die betrokkene aanhaalt ter ondersteuning van haar asielaanvraag (afpersing - mishandeling) van gemeenrechtelijke aard zijn zonder dat ze enige connotatie hebben met één van de criteria van de Conventie van Genève, met name ras, nationaliteit, godsdienst, het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging. Bovendien heeft betrokkene niet aangetoond dat zij omwille van één van de hierboven opgesomde criteria geen beroep kon doen op de bescherming van de (hogere) XXX autoriteiten. Betrokkene heeft in haar eigen land geen enkele poging ondernomen om bescherming te bekomen. Gezien het bovenstaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken zijn appreciatiebe- voegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken op 18 oktober
  9. De Commissaris-generaal meent dat de betrokkene vreemdeling in de huidige omstandig- heden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
  10. Overwegende dat de eerste verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid aanvoert omdat de vordering tot schorsing geen uiteenzetting bevat van de feiten die het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantonen; XIV-3733-3/8 Overwegende dat het niet vereist is hierover uitspraak te doen, aangezien artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt toegepast en de zaak ten gronde wordt behandeld; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt beslecht; Overwegende dat de eerste verwerende partij tevens aanvoert dat “in het verzoekschrift de middelen onvoldoende (worden) uitgewerkt”; dat verzoekster in haar verzoekschrift (onder “V. Middelen”) wel degelijk een uiteenzetting van de middelen geeft; dat deze middelen voldoende duidelijk zijn opdat de Raad van State er zou kunnen op antwoorden; dat de exceptie wordt verworpen; 3.
  11. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 52, § 2, 2/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingen- wet) en van artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat in de ontvankelijkheidsfase van de asielaanvraag, aldus verzoekster, enkel wordt vereist dat de betrokkene een coherente uiteenzetting van de feiten geeft; dat de motieven van de bestreden beslissing echter elementen bevatten die thuishoren in de gegrondheidsfase; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat haar asielrelaas volgende tegenstrijdighe- den bevat die de geloofwaardigheid ervan ernstig ondermijnen: - op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde verzoekster dat de politiemannen een dienstwagen en twee chalets in brand hadden gestoken. Op de Dienst XIV-3733-4/8 Vreemdelingenzaken liet zij dit feit onvermeld en sprak enkel over de bedreiging om een dienstwagen mee te nemen als de politiemannen het geld niet kregen; - op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde verzoekster dat zij samen met andere bedienden tijdens het bezoek van de politiemannen in april 2000 werd opgesloten en geslagen. In haar verzoekschrift in dringend beroep verklaarde zij echter samen met twee vrouwelijke collega’s te zijn verkracht. Op de Dienst Vreemdelingenzaken maakte verzoekster geen melding van een opsluiting of een aanslag op haar lichamelijke integriteit; - op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde verzoekster dat ze verschillende keren thuis het bezoek heeft gekregen van politiemannen, met name vijf keer in twee weken, en dat ze van verzoekster geld zouden hebben geëist. Op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verzoekster niets verteld over het feit dat politiemannen bij haar thuis zouden zijn gekomen; Overwegende dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem of haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat de feiten die verzoekster aanhaalt ter ondersteuning van haar asielaanvraag van gemeenrechtelijke aard zijn en geen verband houden met de criteria van de Conventie van Genève, en omdat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij geen beroep kon doen op de bescherming van de hogere XXX autoriteiten omwille van één van de criteria van voornoemde Conventie; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat de Commissaris- generaal op correcte wijze de criteria heeft toegepast die worden aangewend om een asielaanvraag al dan niet ontvankelijk te verklaren; dat hij geen onderzoek ten gronde heeft gevoerd; dat verzoekster niet aantoont in welk opzicht “de bedoeling van de wetgever niet geëerbiedigd wordt”; dat het eerste middel ongegrond is; 3.
  1. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en volgende van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de XIV-3733-5/8 uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 3.2.
  2. Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel aanvoert dat de Commissaris-generaal onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke situatie; dat verzoekster uiteenzet dat haar relaas geen tegenstrijdigheden bevat; dat zij voor de Dienst Vreemdelingenzaken niet haar volledig asielrelaas heeft verteld omdat zij angstig was en dat hierdoor tevens de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden; dat zij op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bijkomende informatie heeft gegeven; dat zij niet heeft gezegd dat zij verkracht werd tijdens haar opsluiting maar dat zij met “kracht” werd bedreigd; Overwegende dat uit de verhoorverslagen die zich in het administratief dossier bevinden, blijkt dat verzoekster tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verschillende zaken heeft verteld waarvan zij geen melding had gemaakt tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat de angst van verzoekster tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken geen verklaring kan inhouden voor de fundamentele tegenstrijdigheden in haar relaas; dat van een asielzoeker mag worden verwacht dat hij of zij reeds van bij de aanvang van de asielprocedure een zo volledig mogelijk asielrelaas naar voor brengt, zeker wat de essentiële elementen daarvan betreft; dat een brandstichting, een opsluiting met een aanslag op de lichamelijke integriteit of een zware bedreiging, en herhaalde bezoeken van politiemensen bij verzoekster thuis, dermate zwaarwichtige elementen zijn, dat de Commissaris-generaal in redelijkheid kon vaststellen dat het niet vermelden van deze feiten tijdens het eerste verhoor, de geloofwaardigheid van het relaas van verzoekster ernstig ondermijnt; dat verzoekster niet uiteenzet op welke wijze de zorgvuldigheidsplicht werd miskend; dat het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond is; 3.2.
  3. Overwegende dat verzoekster in een tweede onderdeel uiteenzet dat zij niet in de mogelijkheid verkeerde om bescherming te vragen aan de autoriteiten; dat zij aanvoert dat het niet opgaat om te overwegen dat de door haar ingeroepen feiten van gemeenrechtelijke aard zijn; dat zij meent dat zij wel degelijk werd vervolgd wegens haar behoren tot een bepaalde sociale groep, met name werknemers van een bloeiend bedrijf in een arm land; Overwegende dat verzoekster niet ontkent dat zij geen bescherming heeft gezocht bij de hogere XXX autoriteiten; dat haar uiteenzetting dat zij werd afgeperst en vervolgd omwille van haar behoren tot een welbepaalde groep, met name werknemers van een succesvolle onderneming, niet van aard is om afbreuk te doen aan de vaststelling van de Commissaris-generaal dat het om feiten gaat van gemeenrechtelijke aard die geen verband XIV-3733-6/8 houden met verzoeksters ras, nationaliteit, godsdienst of het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging; dat het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond is;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-3733-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen februari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-3733-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.398 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.