← België

Arrest 140413 - - 10/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.413 Rolnummer: A. 159742/IX-4783 Zaak: Arrest 140413 - - 10/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 07:21 Fiche Arrest nr 140.413 van 10 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing Het arrest nr 140.413 van 10 februari 2005 is gewijzigd door het arrest nr 140.502 van 14 februari

  1. RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.413 van 10 februari 2005 in de zaak A. 159.742/IX-
  2. In zake : XXXX tegen : de Politiezone Brussel-West, vertegenwoordigd door het politie- college, gevestigd te BRUSSEL, Briefdragerstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 4 februari 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 2 februari 2005 van het politiecollege van de politiezone Brussel-West waarbij hij met ingang van 7 februari 2005 preventief geschorst wordt voor een termijn van vier maanden, met inhouding van 25 % van zijn wedde; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 7 februari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 8 februari 2005, om 11.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DE SUTTER, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat M. FORET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-4783-1/6
  4. Overwegende dat verzoeker in het kader van een tegen hem gevoerde strafvordering preventief geschorst is geworden, eerst voor vier maanden vanaf 8 maart 2003, vervolgens tot vier maanden na de gerechtelijke eindbeslissing, de seponering of het verval van de strafvordering, telkens met inhouding van 25 % van zijn wedde; dat de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 oktober 2004 de opschorting van de veroordeling gedurende drie jaar uitgesproken heeft; Overwegende dat met het thans bestreden besluit van 2 februari 2005 het politiecollege van de politiezone Brussel-West besloten heeft verzoeker overeenkomstig artikel 61, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna : de tuchtwet), met ingang van 7 februari 2005 preventief te schorsen voor de duur van vier maanden, met inhouding van 25 % van zijn wedde; dat het bestreden besluit met een op 3 februari 2005 aangetekend verzonden brief ter kennis van verzoeker gebracht is;
  5. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; 3.
  6. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker betoogt dat, zo een voorlopige schorsing in beginsel vanwege haar tijdelijk en niet- tuchtrechtelijk karakter geen bron kan zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dergelijk nadeel uitzonderlijk toch aangenomen wordt wanneer de verzoekende partij het bestaan van bijzondere omstandigheden aantoont, zoals de kennelijke onwettigheid van de beslissing, de financiële moeilijkheden waarin de wedde-inhouding de betrokkene dreigt te brengen of de buitengewone morele druk die de betrokkene wegens de maatregel ondergaat; dat naar zijn oordeel er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die een nadeel berokkenen dat niet met een vernietigingsarrest goedgemaakt kan worden; dat hij in dat verband aanstipt: hij is reeds geschorst sinds maart 2003 en die schorsing wordt nu met vier maanden verlengd; de beslissing berokkent hem een “ernstig moreel nadeel (...) en IX-4783-2/6 blijvende rechtsonzekerheid”; zij is kennelijk onwettig en verwijdert hem langer dan noodzakelijk uit de dienst wat “buiten alle verhouding afbreuk doet aan zijn reputatie”; zijn reclasseringskansen, zowel buiten als binnen de politiedienst, worden -ondanks de beslissingen van de raadkamer en van de onderzoeksrechter in de strafzaak- tenietgedaan en hij wordt belet aan te tonen dat zijn aanwezigheid in het korps nog wel aanvaardbaar is, dat hij er nog naar voldoening kan werken en dat er ook geen vertrouwensbreuk met de collega’s bestaat; hij ondervindt een belangrijk financieel nadeel doordat de reeds 23 maanden durende inhouding op zijn wedde wordt verlengd waardoor de onzekerheid “niet langer draagbaar” is; als hij moet wachten op een vernietiging, dan zal het nadeel zich volledig gerealiseerd hebben; 3.
  7. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoeker niet aantoont dat hij een nadeel ondergaat dat niet hersteld zal kunnen worden na een vernietigingsarrest; dat zij toelicht dat verzoeker niet aantoont dat de preventieve schorsing hem een nadeel berokkent dat buiten het gewone ligt, dat een ordemaatregel geen afbreuk doet aan de opgelopen reputatie -die overigens voortvloeit uit de feiten die betrokkene gepleegd heeft- en dat de maatregel ook geen rechtsonzekerheid doet ontstaan, dat het moreel nadeel hersteld wordt door een vernietigingsarrest, dat niet aangetoond wordt dat de inhouding van wedde “onhoudbaar” wordt, dat de onwettigheid van de beslissing niet bij de beoordeling van het nadeel betrokken mag worden, dat verzoeker zich niet verzet heeft tegen de eerdere preventieve schorsingen die hem werden opgelegd, dat hij ook van buiten de dienst moet kunnen aantonen dat hij nog voort bij de politie kan functioneren en dat de beslissing van de raadkamer evident voor het bestuur geen reden moet zijn om hem terug in dienst te nemen; 3.
  8. Overwegende dat een preventieve schorsing, wegens haar tijdelijk en niet-tuchtrechtelijk karakter, in beginsel aan het betrokken personeelslid geen nadeel berokkent dat niet wordt hersteld door een vernietigingsarrest; dat het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel enkel aangenomen kan worden wanneer de verzoeker aantoont dat hij zich in een uitzonderingspositie bevindt doordat het nadeel dat hij aanvoert buiten het gewone valt; 3.3.
  9. Overwegende dat verzoeker verwijst naar het feit dat met het bestreden besluit zijn reeds 23 maanden durende schorsing nogmaals verlengd wordt, wat hem een moreel nadeel en blijvende rechtsonzekerheid berokkent en, IX-4783-3/6 wegens de inhouding van een deel van zijn wedde, hem ook op financieel vlak een onzekere toekomst doet verwachten; Overwegende dat een verlenging van een preventieve schorsing vanuit juridisch oogpunt geen andere gevolgen heeft dan de oorspronkelijke schorsing; dat dergelijke beslissing dan ook slechts geschorst kan worden wanneer de verzoeker aannemelijk maakt dat de feitelijke omstandigheden waarin hij wegens de verlenging terechtkomt, het oorspronkelijk nadeel danig vergroten of een bijkomend nadeel doen ontstaan dat nu wel als ernstig en moeilijk te herstellen beschouwd kan worden; Overwegende dat verzoeker de verergering of het ontstaan van een bijkomend nadeel niet aantoont; dat hij met name met geen concrete gegevens aannemelijk maakt waarom het moreel nadeel en de verwijzing naar de voortduren- de “rechtsonzekerheid” nu plots wel een schorsing zou verantwoorden; dat overigens de verwijzing naar de onzekerheid van zijn toekomst niet zozeer te maken heeft met zijn preventieve verwijdering uit de dienst, maar met het uitblijven van een beslissing over de tuchtvordering, wat hier niet ter discussie staat; dat hij ook met geen enkel concreet gegeven duidelijk maakt dat de verdere inhouding op zijn wedde hem voor onoplosbare financiële problemen plaatst; 3.3.
  10. Overwegende dat verzoeker verwijst naar het feit dat hij met een kennelijk onwettige beslissing langer dan strikt nodig buiten de dienst gehouden wordt; 3.3.2.
  11. Overwegende dat het onderzoek van de ernst van de middelen en van het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betrekking heeft op twee duidelijk afgescheiden schorsingsvoorwaarden die los van elkaar onderzocht moeten worden; dat, aldus, het ernstig karakter van een aangevoerd middel niet betrokken mag worden bij de beoordeling van het nadeel; 3.3.2.
  12. Overwegende evenwel dat aangenomen wordt dat in uitzonderlij- ke gevallen, waarin de verzoekende partij zich beroept op een middel waarvan de gegrondheid onmiddellijk aanwijsbaar is, de beoordeling van het moeilijk te herstellen karakter van het aangetoonde nadeel mede bekeken wordt vanuit de vraag of de verzoekende partij wel langer dan strikt noodzakelijk de nadelige werking van de bestreden beslissing moet ondergaan; IX-4783-4/6 3.3.2.
  13. Overwegende dat, blijkens zijn uiteenzetting, verzoeker het bestreden besluit om twee redenen kennelijk onwettig acht, met name omdat het met miskenning van artikel 61, tweede lid, van de tuchtwet, een preventieve schorsing heeft opgelegd waardoor de wettelijk voorgeschreven maximale termijn van één jaar overschreden wordt en omdat het besluit een nietszeggende en weinig verstaanbare motivering bevat waarin niet geantwoord wordt op het verweer dat hij aan het bestuur had voorgelegd; Overwegende dat, afgaande op de uiteenzetting van verzoeker, niet zonder nader onderzoek vastgesteld kan worden dat het eerste of het tweede onderdeel van het eerste middel tot de vernietiging van het bestreden besluit zal moeten leiden; dat immers artikel 59 van de tuchtwet verschillende mogelijkheden opsomt waarin een preventieve schorsing kan worden opgelegd en het derhalve niet meteen duidelijk is of de maximale termijn van één jaar gedurende dewelke een personeelslid preventief overeenkomstig artikel 61 van de wet geschorst kan blijven, ook geldt wanneer de betrokkene reeds het voorwerp uitgemaakt heeft van een schorsing gesteund op een ingestelde strafvordering; dat evenmin sprake is van een manifeste schending van de formele motiveringsverplichting aangezien het bestreden besluit een motivering bevat die duidelijk refereert aan het concrete geval van verzoeker en het bestuur er niet toe gehouden is formeel te antwoorden op alle argumenten die de betrokkene bij de voorbereiding van de beslissing aangebracht heeft; Overwegende dat, binnen het raam van het summier onderzoek waarmee de Raad van State een vordering tot schorsing bij hoogdringendheid dient af te handelen, vastgesteld wordt dat uit de uiteenzetting van verzoeker niet blijkt dat nu reeds vastgesteld kan worden dat de verwerende partij een onwettigheid begaan heeft die onmiskenbaar tot de vernietiging van het bestreden besluit zal leiden; 3.3.
  14. Overwegende dat niet wordt ingezien waarom de hier bestreden preventieve schorsing de reclasseringsmogelijkheden van verzoeker zou verminderen; dat er immers geen uitspraak wordt gedaan over zijn schuld aan de feiten die hem in het kader van het tuchtonderzoek ten laste worden gelegd, terwijl ook niet blijkt dat de schorsing bedoeld is als een stap die de latere verwijdering van verzoeker uit de dienst zou kunnen vergemakkelijken; IX-4783-5/6 Overwegende dat de onmogelijkheid om zijn ambt opnieuw op te nemen en aldus aan te tonen dat hij nog wel degelijk in de dienst aanvaard wordt en er naar behoren kan werken, een nadeel is dat inherent is aan elke verwijdering uit de dienst; 3.3.
  15. Overwegende dat verzoeker het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aantoont; dat de vordering om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
  16. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien februari 2000 en vijf, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4783-6/6 RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.502 van 14 februari 2005 in de zaak A. 159.742/IX-
  18. In zake : XXXX tegen : de Politiezone Brussel-West, vertegenwoordigd door het politie- college, gevestigd te BRUSSEL, Briefdragerstraat
  19. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 4 februari 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 2 februari 2005 van het politiecollege van de politiezone Brussel-West waarbij hij met ingang van 7 februari 2005 preventief geschorst wordt voor een termijn van vier maanden, met inhouding van 25 % van zijn wedde; Gelet op het arrest nr. 140.413 van 10 februari 2005; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker bij het instellen van zijn vordering met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State gevraagd heeft dat zijn identiteit bij de publicatie van het arrest niet zou worden opgenomen; dat het arrest de depersonalisatie niet bevolen heeft; dat er reden is om deze materiële vergissing recht te zetten, IX-4783-7/8 BESLUIT: Enig artikel. Het arrest nr. 140.413 wordt aangevuld met een artikel 3, luidend als volgt : “Artikel
  20. Bij de publicatie van het onderhavig arrest zal geen melding worden gemaakt van de identiteit van verzoeker”. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien februari 2000 en vijf, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4783-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.413 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.502 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.538 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.