id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.489 Rolnummer: A. 155987/VII-32815 Zaak: Arrest 140489 - - 11/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-14 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 07:22 Fiche Arrest nr 140.489 van 11 februari 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.489 van 11 februari 2005 in de zaak A. 155.987/VII-32.815. In zake : 1. Roland GAUDISSABOIS, 2. Ivan TRANGEZ, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roland GAUDISSABOIS en Ivan TRANGEZ op 27 september 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van "het ministerieel besluit van 16 juli 2004, verleend door de Vlaams minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, waarbij het beroep van o.m. verzoekers tegen het besluit (...) van 29 januari 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende het verlenen van de milieuvergunning, voor een termijn verstrijkend op 29 januari 2009, aan de n.v. van publiek recht Vlaamse Vervoermaatschappij, om een stelplaats voor autobussen gelegen te 9060 Destelbergen, Dendermondsesteenweg, 185 (kadastergegevens afd. 1, sectie A, perceelnr. 71/
- v)te veranderen (wijzigen en uitbreiden), als ongegrond wordt afgewezen en de beroepen beslissing voornoemd wordt bevestigd"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; VII-32.815-1/13 Gelet op de beschikking van 2 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 januari 2005, op welke datum de behandeling van de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 27 januari 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LIEBAUT die, loco Advocaat P. DEVERS verschijnt voor verzoekers, en van Advocaat F. DE BISSCHOP die, loco Advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak de volgende zijn: 1.1. De n.v. van publiek recht Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn (hierna "De Lijn" genoemd) exploiteert te Destelbergen aan de Dendermondsesteenweg een stel- en onderhoudswerkplaats voor autobussen. Verzoekers zijn omwonenden van die inrichting. 1.2. Op 16 april 2003 dient de Lijn bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een vergunningsaanvraag in voor de verandering (wijziging en uitbreiding) van deze inrichting. De stelplaats zal zodanig worden ingericht dat er een groter aantal bussen (van 60 naar 182) kunnen worden geplaatst. 1.3. Uit het proces-verbaal van het openbaar onderzoek, dat werd gehouden van 20 augustus tot 20 september 2003, blijkt dat 115 personen tegen de aanvraag bezwaar aantekenen. De bezwaren hebben onder meer betrekking op de geluidsoverlast tengevolge van de bewegingen van de bussen en het openen en sluiten van luidruchtige garagepoorten, nachtelijke activiteiten, de supplementaire VII-32.815-2/13 uitrit langs de Pasteurstraat en visuele hinder door het verwijderen van aanplantingen en het vervangen ervan door "dode" schermen. 1.4. In het kader van de vergunningsprocedure in eerste aanleg brengt het college van burgemeester en schepenen van Destelbergen op 1 oktober 2003 een ongunstig advies uit. In het advies wordt er op gewezen dat de site weliswaar gelegen is in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen, doch onmiddellijk en rondom grenst aan een woongebied, zonder enige buffer ertussen. De vroegere ambachtelijke en industriële activiteiten in de omgeving zijn grotendeels verdwenen, zodat de omgeving een meer uitgesproken residentieel karakter kreeg. Het college acht de activiteiten niet meer verenigbaar met het bestemmingsvoorschrift "gemeenschapsvoorzieningen", en nog minder met het onmiddellijk aangrenzende woongebied. Voorts overweegt het college dat het aanvraagdossier geen concrete gegevens noch simulaties bevat over de te verwachten geluidsemissies en - immissies, noch over de mogelijke reducties door de voorgestelde geluidswerende of geluidsbeperkende maatregelen. Het college stipt aan dat de geluidsschermen vermoedelijk onvoldoende hoog zijn, vooral als men rekening houdt met de nachtelijke activiteiten op het terrein. De activiteiten zullen vooral buiten de daguren plaatsvinden. In het aanvraagdossier wordt nergens aangetoond dat de geldende algemene en sectorale voorwaarden en normen m.b.t. geluid gerespecteerd zullen en kunnen worden. Een voorafgaande akoestische studie is absoluut noodzakelijk. Tenslotte wordt aangestipt dat geen afwijking werd gevraagd van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, hoewel 's avonds en 's nachts rustverstorende werkzaamheden zullen plaatsvinden. 1.5. In november 2003 maakt De Lijn aan de vergunningverlenende overheid een aanvullend schrijven over waarin enerzijds wordt aangevoerd dat het aantal bussen beperkt wordt tot 118, en anderzijds een afwijking wordt gevraagd op de in Vlarem II (art. 5.15.0.6, §1) vastgestelde exploitatie-uren aangezien het in- en uitrijden van de bussen en het wassen en tanken van de bussen ook tussen 19 en 7 u zal gebeuren. 1.6. Op 29 januari 2004 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen aan De Lijn een milieuvergunning om haar bestaande stelplaats te Destelbergen uit te breiden en te wijzigen, zodat er onder meer een vergunning wordt verleend voor 52 gelede bussen en 66 gewone bussen. Onder de bijzondere milieuvoorwaarden leest men m.b.t. de werktijden : "In VII-32.815-3/13 tegenstelling tot de mogelijke beperking van de exploitatie-uren in de sectorale voorwaarden mag de inrichting 24 uur op 24 worden geëxploiteerd.". Voorts wordt een geluidsstudie vereist binnen de zes maanden na de ingebruikname van de inrichting. Indien de geluidsnormen overschreden worden dient de studie vergezeld van een saneringsplan. 1.7. Tegen dit vergunningsbesluit wordt een administratief beroep ingesteld door 193 omwonenden en door de gemeente Destelbergen. Er wordt in het beroepschrift van de buurtbewoners onder meer op gewezen dat de bestendige deputatie zelf toegeeft dat de geluidsnormen niet zullen gerespecteerd worden, dat de deputatie een afwijking toestaat op artikel 5.15.0.6, §1, van Vlarem II hoewel de normen voor de nachtperiode zullen overschreden worden. 1.8. In het kader van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht die gunstig of voorwaardelijk gunstig zijn. In het advies van de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL leest men : "Overwegende dat de oorspronkelijke aanvraag, die ook het voorwerp heeft uitgemaakt van het openbaar onderzoek, sprak van een uitbreiding tot 180 stelplaatsen; dat dit aantal door de aanvrager zelf is teruggebracht tot 118; dat de geluidsschermen ook na het openbaar onderzoek toegevoegd werden; dat dit echter naar alle omwonenden toe alleen als een verbetering kan gezien worden."; 1.9. Op 16 juli 2004 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Deze is als volgt gemotiveerd : "Gelet op de ligging van de inrichting in gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen volgens het gewestplan (...) 'Gentse en Kanaalzone', goedgekeurd bij koninklijk besluit van 14 september 1977; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het uitbreiden en veranderen van een stelplaats voor autobussen, met onderhoudswerkplaats en wasinstallatie; dat de werkzaamheden het grotendeels herinrichten en moderniseren van de stelplaats omvatten; dat de onderhoudswerkplaats onveranderd blijft; dat de klinkerbestrating volledig vervangen wordt door geluidsarme asfaltbestrating; dat aan de zijkanten van de inrichting geluidsschermen voorzien worden, daar waar er geen gebouwen zijn die de functie van scherm kunnen vervullen; Overwegende dat de oorspronkelijke aanvraag, die ook het voorwerp heeft uitgemaakt van het openbaar onderzoek, sprak van een uitbreiding tot 180 VII-32.815-4/13 stelplaatsen; dat dit aantal door de aanvrager zelf is teruggebracht tot 118; dat de geluidsschermen ook na het openbaar onderzoek toegevoegd werden; dat dit echter naar alle omwonenden toe alleen als een verbetering kan gezien worden; Overwegende dat de inrichting omgeven is door woongebied; dat de bewoning tegenover de inrichting aan de Dendermondsesteenweg bestaat uit vrijstaande woningen met een grote voortuin en in twee gevallen een duidelijke bedrijfsruimte aan de voorzijde (dierenarts en bloemenwinkel); dat aan de zijkanten en achterzijde eerder oudere rijwoningen staan; dat aan de oostzijde ook nog een bedrijf gelegen is; Overwegende dat de huidige vergunning een stelplaats voor 60 bussen betreft, daar waar de uitbreiding het totaal aantal gestalde bussen op 118 zou brengen; dat dit een uitbreiding betekent met minder dan 100 %; dat volgens artikel 3.2.2.2, § 2 voor deze uitbreiding met minder dan 100 % de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van toepassing zijn op het gedeelte uitbreiding en de voorwaarden voor bestaande inrichtingen voor het bestaande gedeelte; Overwegende dat de bezwaren van de gemeente en de omwonenden hoofdzakelijk betrekking hebben op de geluidshinder; dat dit bezwaar ook kwantitatief besproken wordt in de geluidsstudie die in opdracht van de exploitant gemaakt is; dat gezien de meest problematische situatie zich voordoet tijdens de nacht-ochtendperiode en er aangenomen mag worden dat de meeste slaapkamers zich op de eerste verdieping bevinden er voor de beoordeling van het geluid uitgegaan is van de situatie op 4 meter hoogte; dat dit ongunstiger is dan de situatie op lagere punten aangezien het effect van de geluidsschermen (die maximaal 5 meter hoog zijn) hier beperkter is; Overwegende dat betreffende het geluid de richtwaarden van toepassing op het gebied in een zone 500 m rond een dienstverleningsgebied 50 dB(A) overdag bedragen en 45 dB(A) 's avonds en 's nachts; dat voor het gedeelte bestaande inrichting deze geluidsniveaus dienen gerespecteerd te worden; dat voor het gedeelte nieuwe inrichting, gezien de geluidsniveaus in de omgeving lager zijn dan de richtwaarde, de richtwaarde met 5 dB(A) verminderd moeten worden; dat uit de simulaties en berekeningen blijkt dat zowel voor de bestaande inrichting als voor de uitbreiding aan de geluidsnormen is voldaan, met uitzondering van het gedeelte voor de uitrit, meer bepaald de woningen tegenover de inrichtingen op de Dendermondsesteenweg; dat op deze plaats de totale geluidsbelasting tussen 50 en 55 dB(A) zou liggen, wat toch een waarde zou zijn die een sanering zou vereisen; dat hierbij echter dient opgemerkt dat deze belasting bijna uitsluitend afkomstig is van de bestaande inrichting (en dus nu ook aanwezig is en zelfs sterker, gezien de klinkerbedekking van de huidige parking); dat een hoger geluidsniveau ter hoogte van de uitgang toch moeilijk te vermijden is, gezien het uitrijden van de bussen aan deze zijde; dat de enig mogelijke sanering zou bestaan uit het voorzien van geluidsschermen aan de voorzijde; dat dit haalbaar lijkt, gezien de aanwezigheid van een groenscherm aan de voorzijde waar een scherm achter kan geplaatst worden; dat bijgevolg aan de exploitant gevraagd werd de simulatie nogmaals te laten uitvoeren met bijkomende geluidsschermen aan de voorzijde; dat telefonisch bevestigd werd dat met deze bijkomende geluidsmuren (4 meter hoog) er geen overschrijdingen van de richtwaarden meer zijn; Overwegende dat in vergelijking met de eerst ingediende plannen voor een stelplaats voor 182 voertuigen de stelplaats werd gereduceerd tot 118 voertuigen; dat daardoor meer plaats vrijkwam voor groen; dat de parking voor wagens van het personeel verder van de Pasteurstraat verwijderd zal liggen; dat aan de Dendermondsesteenweg maar één uit- en inrit meer zal zijn in plaats van 2 zoals oorspronkelijk gepland; dat deze veranderingen verbeteringen van het oorspronkelijk ontwerp inhouden, die zorgen dat de stelplaats beter in de woonkern kan geïntegreerd worden; VII-32.815-5/13 Overwegende dat de laatste aanvullende geluidsstudie aantoont dat mits plaatsen van bijkomende geluidsschermen langs de Dendermondsesteenweg en geperforeerde dwarse schermen langs de toegangspoort (beide 4 m hoog), het achteruit brengen van de toegangspoort (verder van de straat
- af)en het omleiden van het verkeer van de wasstraat, zodat dit niet langs de ingang moet, het mogelijk is om ook langs de zijde van de Dendermondsesteenweg te voldoen aan de eisen van titel II van het Vlarem; dat met deze ingrepen het geluid van de stelplaats zelfs significant lager zou zijn dan het geluid van de Dendermondsesteenweg zelf; Overwegende dat de bijkomende voorwaarde van het uitvoeren van een geluidsstudie na afwerking van de stelplaats behouden blijft aangezien het nodig is om de theoretische simulatie van het studiebureau in de praktijk na te meten; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen"; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.1. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoekers een derde middel putten uit de schending van de artikelen 1.2.2.l., 1.2.2.2. en 5.15.0.6 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzage milieuhygiëne (Vlarem II); dat zij terzake het volgende stellen: "17. Onder artikel 3, §3, pt. 21 van het besluit van 29 januari 2004, en derhalve overgenomen door het hier aangevochten ministerieel besluit van 16 juli 2004, wordt de afwijking van artikel 5.15.0.6 VLAREM II toegestaan, zodat 24 uur op 24 uur kan worden gewerkt in de desbetreffende stelplaats. Het betreft hier een individuele afwijking in de zin van artikel 1.2.2.1 van VLAREM II. 18. De reeds aangehaalde onwettigheid onder het eerste middel daar gelaten, dient te worden vastgesteld dat zulk een afwijking slechts kan worden toegestaan mits ze door de exploitant van de inrichting (bij de initiële milieuvergunningsaanvraag) wordt geformuleerd op de wijze zoals bepaald in artikel 1.2.2.2 van VLAREM II, d.i. met vermelding van de daar bedoelde vier cumulatieve voorwaarden. Het is evident dat de nota van de Vlaamse Vervoermaatschappij de Lijn van 26 november 2003, waarin impliciet, maar duidelijk de afwijking wordt gevraagd, aan geen enkele van deze voorwaarden voldoet."; VII-32.815-6/13 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij daartegenover het volgende stelt : "Strikt genomen hangt het al dan niet definitief worden van de in de bestreden beslissing toegekende individuele afwijking van sectorale normen met betrekking tot de 'normale' werkuren in de vergunning samen met het al dan niet 'slagen' van de exploitant in de verplicht gestelde geluidsstudie. De individuele afwijking kan maar definitief worden als blijkt dat onder de richtwaarden gebleven wordt tijdens de nachturen (tussen 19 en 7 uur) alsmede tijdens het weekeinde en op feestdagen. Wanneer zou blijken dat dit niet het geval is, zal eerst dienen te worden bekeken of hieraan te saneren valt. In het ontkennend geval (zal) op de exploitant dwang uitgeoefend worden opdat niet meer buiten de 'normale' werkuren wordt geëxploiteerd, ttz opdat niet meer tussen 19 en 7 uur en tijdens weekends en feestdagen overdreven geluidshinder wordt geproduceerd. De door de exploitant voorgebrachte geluidsstudie is - uiteraard - gebaseerd op een theoretische simulatie van de werkelijkheid door de erkende geluidsdeskundige. Het is juist daarom dat de Minister - zorgvuldigheidshalve - de bijzondere milieuvoorwaarde van de Bestendige Deputatie heeft hernomen waarbij de gegevens op basis van simulaties aan de praktijk zullen dienen te worden getoetst door middel van een binnen de zes maanden na de ingebruikname van de vernieuwde stelplaats voor te brengen volledige geluidsstudie en van een eventueel geluidssaneringsplan."; 2.1.3.1. Overwegende dat artikel 5.15.0.6, § 1, van Vlarem II als volgt luidt : "Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.5. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning."; dat overeenkomstig artikel 1.2.2.1 van hetzelfde besluit op deze milieuvoorwaarde afwijkingen kunnen worden toegestaan; dat de schriftelijke aanvraag tot afwijking van de exploitant krachtens artikel 1.2.2.2, § 1 volgende elementen moet omvatten : l/ de vermelding van de voorwaarden en de artikelen waarvoor de afwijking wordt aangevraagd; 2/ de technische redenen die de afwijking motiveren; 3/ een voorstel van maatregelen die van aard zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken; 4/ een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de beste beschikbare technieken."; VII-32.815-7/13 dat artikel 1.2.2.2., § 2 met betrekking tot de beslissing over die aanvraag het volgende bepaalt : "De Vlaamse minister doet binnen een termijn van drie maanden na de indiening ervan, uitspraak over de afwijkingsaanvraag. Voorafgaand aan deze uitspraak wint de minister het advies in van de Afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Wordt de afwijking toegestaan, dan maakt het besluit melding van de na te leven voorwaarden die van aard zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan de afwijking wordt toegestaan."; 2.1.3.2. Overwegende dat de bestreden beslissing integraal het besluit bevestigt van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 29 januari 2004; dat in dat besluit onder de bijzondere milieuvoorwaarden m.b.t. de werktijden te lezen staat dat "in tegenstelling tot de mogelijke beperking van de exploitatie-uren in de sectorale voorwaarden (...) de inrichting 24 uur op 24 (mag) worden geëxploiteerd"; dat niet is aangetoond dat daarvoor een afwijking werd gevraagd overeenkomstig de artikelen 1.2.2.1 en 1.2.2.2 van Vlarem II; dat er geen maatregelen worden voorgesteld die van aard zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en het leefmilieu als de voorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken, hoewel artikel 1.2.2.2, § 1, 3/, van Vlarem II dit nochtans vereist; dat in de beslissing van de bestendige deputatie, zoals bevestigd door de thans bestreden beslissing, geen enkele voorwaarde lijkt te zijn opgelegd inzake de aanpassing van de geluidsschermen; dat behoudens het moeten uitvoeren van een geluidsstudie en het eventueel opstellen van een saneringsplan, geen enkele voorwaarde wordt opgelegd ter beperking van de geluidshinder; dat het middel ernstig is; 2.2.1. Overwegende dat verzoekers, met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, volgende uiteenzetting geven : "De woning van de eerste verzoeker is gelegen in de Pasteurstraat, achteraan het perceel van De Lijn, gezien ten opzichte van de Dendermondsesteenweg, voorbij de wasplaats/tankplaats voor autobussen en ter hoogte van de eigenlijke garage, alwaar een nieuwe personeelsparking zal worden aangelegd. De eerste verzoeker woont er met zijn gezin, waaronder twee schoollopende kinderen, Ann (18 j aar) aan de Arteveldehogeschool en Marian (15 jaar) in het secundair onderwijs. Waar de woonst van de eerste verzoeker gelegen is voorziet De Lijn, zelfs in de nota van 26 november 2003, geen plaatsing van geluidsschermen. 20. De woning van de tweede verzoeker is gelegen aan de Dendermondsesteenweg, aan de voorkant van het perceel van De Lijn, recht tegenover de hoofdtoegang en -uitgang van dat perceel. VII-32.815-8/13 De tweede verzoeker woont er met zijn gezin, waaronder drie schoollopende kinderen, Nicolas (19 jaar) aan de Universiteit Gent, Mathieu (16 jaar) en Valerie (12 jaar) in het secundair onderwijs. Waar de woonst van de tweede verzoeker gelegen is voorziet De Lijn in haar nota van 26 november 2003 geen enkel geluidsscherm. Het is met betrekking tot deze plaats dat in het bestreden besluit de overweging geldt aangaande het plaatsen van (nog bijkomende) geluidsschermen, geperforeerde dwarse schermen langs de toegangspoort, het achteruit brengen van die toegangspoort en het omleiden van het verkeer van de wasstraat. Waarbij op te merken is dat voor dit alles geen stedenbouwkundige vergunning bestaat, noch bij weten van de verzoekers zulke vergunning is aangevraagd. 21. De hinder die de beide verzoekers aandienen als moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft in hoofdzaak geluidshinder, welke zich niet alleen situeert van 07 uur tot 19 uur (vgl. art. 5.15.0.6 VLAREM II), maar vooral juist buiten deze uren, te weten : - van 04.30 tot 07.00 : het warmdraaien (van in meerderheid 'oude' autobussen; met batterijen, zoniet met perslucht) en stelplaats verlaten van de autobussen; - van 19.00 tot 21.00 : het vervoegen door de autobussen van de stelplaats; - de volledige nacht : het wassen van de bussen in de wasplaats/tankplaats en het onderhouden/herstellen in de eigenlijke garage, telkens inbegrepen het in- en uitrijden in deze poortafgeschermde gebouwen. 22. Uit advies van de provinciale milieuvergunningscommissie van 16 oktober 2003 (p. 11-12) blijkt dat ook thans de geluidsnormen niet worden gehaald, met name niet 's nachts, vermits er overschrijdingen, gezien ten aanzien van de norm voor bestaande installaties, en in de eigen studie van De Lijn, gemeten werden tot 10 db(A), terwijl in dezelfde studie, ook na saneringsmaatregelen, een geluidstoename voorzien wordt. Uit het tweede advies van deze commissie van 16 december 2003 blijkt dat zeker aan de voorzijde van het perceel van De Lijn (waar aan de overkant van de Dendermondsesteenweg de tweede verzoeker woont) de voorstellen vervat in de nota van De Lijn van 26 november 2003 geen enkel soelaas brengen. Of dat wel het geval is met de, in graad van beroep, nog bijkomende voorzieningen (zie randnummers 14 en 20 hier voren), weet alleen De Lijn zelf, vermits deze zich ertoe beperkte om de resultaten van een zgn. bijkomende studie, dan wel simulatie, aan de overheid 'telefonisch' over te maken. Vaststaat wel dat er voor deze bijkomende voorzieningen niet alleen geen stedenbouwkundige vergunning (zelfs, bij weten van de verzoekers, aanvraag) bestaat, maar dat deze voorzieningen evenmin aan De Lijn als voorwaarde voor het afleveren van de vergunning werden opgelegd, hoewel de vergunningverlenende overheid er de noodzaak van erkende. Het plaatsen van bijkomende schermen kant Dendermondsesteenweg, waarbij de opening voor in- en uitrit zich pal tegenover de woning van de tweede verzoeker situeert, lijkt bovendien (een akoestische studie ligt niet voor) aanleiding te geven tot trechtervorming en dus op die plaats tot verdere geluidstoename. 23. Het nadeel van de verzoekers, specifiek ten gevolge van het beroepen en bestreden besluit, krijgt zijn volle omvang, en aldus de door Uw Raad vereiste ernst, doordat, zonder enige nuancering, afgeweken wordt -op onwettige wijze, zie de middelen- van art. 5.15.0.6 VLAREM II, zodat de hinderlijke activiteit, met inbegrip van de geluidsoverlast, zich gedurende 24 uur op 24 uur vermag voor te doen en zich 's morgens vroeg en in de avond, in acht genomen de thans geplande organisatie van de inrichting, ook effectief zal voordoen. VII-32.815-9/13 24. Door dit alles samen zullen de verzoekers, waarvan de woningen in woongebied gelegen zijn, beduidend (de vergunning betreft een quasi verdubbeling van aantal autobussen) meer dan voordien gestoord worden in het rustig genot waarop ze rechtens mogen rekenen, zodanig dat hun woonklimaat in belangrijke mate verder wordt aangetast, met inbegrip van de noodzakelijke nacht- en studierust van hun inwonende kinderen. Dat nadeel is moeilijk herstelbaar door een later tussen te komen vernietigingsarrest."; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij het bestaan van dit nadeel als volgt betwist : "Verwerende partij kan zeer goed begrijpen dat de omwonenden van de stelplaats van De Lijn bepaalde hinder lijden ten gevolge van de exploitatie van de stel- en onderhoudwerkplaats. Die hinderlijkheid is inherent aan de vergunde exploitatie van de hinderlijke inrichting klasse I. Om te vermijden dat de hinder, inherent aan de vergunde exploitatie van een hinderlijke inrichting klasse I, overdreven milieuhinder zou worden voor het leefmilieu in het algemeen en voor de omwonenden van de inrichting in het bijzonder, worden door de vergunning verlenende overheden milieuvoorwaarden opgelegd om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te herleiden. Daarom zijn ook de strengst mogelijke sectorale voorwaarden van Vlarem II verplicht van toepassing en worden ook een aantal bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd. Ook is er voor het lokale bestuur Gemeente Destelbergen na de vergunningverlening nog een taak van toezicht weggelegd om controle te houden op de naleving door de exploitant van de milieuvoorwaarden opgelegd in de vergunning. De gemeentelijke bevoegdheid op het vlak van milieuvergunningen houdt immers niet volledig op te bestaan nadat de vergunning definitief werd verleend. De uiteenzetting door verzoekende partijen van de moeilijke herstelbaarheid van het door hen beweerd te lijden moeilijk te herstellen ernstig nadeel is eerder beknopt te noemen en weinig concreet. Uit het verzoekschrift van verzoekende partijen blijkt vooral hun grote bezorgdheid naar de toekomst toe en zelfs een zekere argwaan naar de toezichthoudende overheid. Hoe begrijpelijk deze bezorgdheid ook is, zij is niet het rechtstreekse gevolg van de bestreden beslissing zelf, maar eerder van een groot wantrouwen in hoofde van verzoekende partij in de toekomstige naleving van de opgelegde algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden door exploitant De Lijn. Volgens abondante rechtspraak van Uw Raad moeten de aangevoerde nadelen rechtstreeks voorvloeien uit of verband houden met de bestreden beslissing. De verklaring daarvoor is dat de schorsing van de tenuitvoerlegging voor de verzoekende partij(
- en)een nuttig effect moet hebben. De schorsing moet meer bepaald tot gevolg hebben dat de aangevoerde nadelen ophouden te bestaan, want anders zou de procedure administratief kortgeding geen enkele zin hebben. Verzoekers vrezen als overdreven milieuhinder het meeste overdreven geluidshinder, voornamelijk dan (...) buiten de 'gewone' werkuren. Volgens hen zal het naar achteren verplaatsen van de toegangspoort langs de Dendermondsesteenweg , het aanbrengen van nog bijkomende VII-32.815-10/13 geluidsschermen en geperforeerde dwarse schermen eveneens langs deze toegangspoort en het omleiden van het verkeer van de wasstraat geen soelaas brengen voor de lawaaihinder die zij - naar hun zeggen althans - voornamelijk 's nachts en in de vroege ochtend zullen te lijden hebben. De definitieve resultaten van deze door de exploitant nog geplande bijkomende maatregelen tegen geluidshinder in de praktijk, ttz niet op uitsluitend basis van theoretische simulaties, zullen blijken bij de evaluatie van de opgelegde geluidsstudie. Het is pas nà het uitvoeren van de geluidsstudie en de evaluatie van het eventueel hieruit voort vloeiend nog door de exploitant naar voren te brengen saneringsplan dat zal kunnen blijken van welke reële overdreven geluidshinder nog sprake kan zijn. Strikt genomen hangt het al dan niet definitief worden van de individuele afwijking van de 'normale' werkuren in de vergunning samen met het al dan niet ‘slagen' van de exploitant in de verplicht gestelde geluidsstudie. De individuele afwijking kan maar definitief worden als blijkt dat onder de richtwaarden gebleven wordt tijdens de nachturen en tijdens het weekeinde. Er kan dan ook geen sprake zijn van een bewezen moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoekende partij als een rechtstreeks gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Aan de schorsingsvoorwaarde wordt niet voldaan. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen."; 2.2.3. Overwegende dat de door verzoekers gegeven uiteenzetting overtuigt; dat uit het ernstig bevinden van het derde middel blijkt dat de mogelijke geluidshinder, buiten de reglementair toegelaten exploitatie-uren, niet diepgaand werd onderzocht; 3. Overwegende dat deze vaststellingen volstaan om de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 16 juli 2004 van de Vlaams minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, waarbij het beroep dat o.m. Roland GAUDISSABOIS en Ivan TRANGEZ hadden ingesteld tegen het besluit van 29 januari 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende het verlenen van de milieuvergunning, voor een termijn verstrijkend op 29 januari 2009, aan de n.v. van publiek recht Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn, om een stelplaats voor autobussen gelegen te 9060 Destelbergen, Dendermondsesteenweg, VII-32.815-11/13 185, te veranderen door wijziging en uitbreiding, als ongegrond wordt afgewezen en het beroepen besluit wordt bevestigd. VII-32.815-12/13 Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf februari tweeduizend en vijf, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-32.815-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.489 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.908 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.996 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div