id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.493 Rolnummer: A. 106215/XIV-5102 Zaak: Arrest 140493 - - 11/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-28 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-02 07:22 Fiche Arrest nr 140.493 van 11 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.493 van 11 februari 2005 in de zaak A. 106.215/XIV-5102. In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. VAN HOECKE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 25-27 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 28 januari 1972, en XXX, geboren op 2 december 1977, beiden van XXX nationaliteit, op 20 juni 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 mei 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 21 mei 2001; Gelet op de beschikking van 12 juli 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; XIV-5102-1/9 Gelet op de beschikking van 5 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 januari 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat P. VAN HOECKE verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partijen komen België binnen op 26 maart 2001 en verklaren zich vluchteling op 30 maart 2001. 1.2. Op 17 april 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 21 mei 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van XXX, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 7 mei 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de A. taal machtig is. Volgens zijn verklaringen zou betrokkene een etnisch A. zijn afkomstig uit K., meerbepaald uit G. In 1968 zou betrokkenes vader gehuwd zijn met een S. vrouw afkomstig uit Z. (B.). Betrokkenes vader zou sedert 1974 gewerkt hebben als politieagent in P. Vanaf 1981 zou betrokkenes vader gewerkt hebben als kapitein van de politie van G. Vanaf 1983 zou betrokkenes vader gecollaboreerd hebben met de S., meerbepaald zou hij actief deelgenomen hebben aan huiszoekingen en achtervolgingen bij A. In 1993 stierf betrokkenes moeder ten gevolge van een ziekte. In januari 1998, bij het uitbreken van de oorlog in K., trok betrokkene naar een vriend in G., waar hij geen contacten onderhield noch met zijn vader, noch met zijn verloofde. In oktober 1999 zou betrokkene uit G. teruggekeerd zijn. Op weg naar huis zouden de buren betrokkene hebben verteld dat zijn vader door het K. Bevrijdingsleger (UÇK) was vermoord. In december 1999 zouden 4 personen bij betrokkene thuis zijn gekomen en hem gezegd hebben dat zij zijn vader hadden omgebracht. Betrokkene werd geslagen en er werd gesteld dat hij naar S. diende te gaan. In januari 2000 zouden dezelfde personen zijn teruggekeerd en werd betrokkene opnieuw zwaar geslagen. Zij zouden eveneens op betrokkene geschoten hebben om hem schrik aan te jagen. Betrokkene zou de boodschap gekregen hebben XIV-5102-2/9 om binnen 2 weken K. te verlaten. Eind februari, begin maart 2000 zou betrokkene zijn verloofde op de hoogte gebracht hebben van al zijn problemen. Zij was tot dan nog niet op de hoogte van de collaboratie van betrokkenes vader en de S. afkomst van zijn moeder. De volgende dag zouden betrokkene en zijn verloofde naar S. (K.) getrokken(
- e)zijn alwaar zij introkken bij een vriend van betrokkenes vader, A. In april 2000 zou deze vriend ervoor gezorgd hebben dat hun huwelijk voltrokken werd. In S. zou betrokkenes echtgenote haar familie hebben gecontacteerd en hen op de hoogte gebracht (hebben) van de ganse situatie waarin zij en haar echtgenoot zich bevonden. De familie van betrokkenes echtgenote zou echter bijzonder slecht gereageerd hebben en betrokkene bedreigd hebben. Op 21 maart 2001 zou betrokkene samen met zijn echtgenote K. verlaten hebben. Op 26 maart 2001 kwam betrokkene België binnen en hij diende hier op 30 maart 2001 een asielaanvraag in. Betrokkene is in het bezit van zijn huwelijksakte, afgeleverd door U., dd. 7 april 2000. Vooreerst dient er gewezen te worden op een aantal tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van betrokkene afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken en deze afgelegd op het Commissariaat-generaal. Zo verklaarde betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken dat zijn vader in 1974 aan de slag ging als politieagent in G. Daarna zou hij zo'n 7 à 8 jaar in P. hebben gewerkt en vanaf 1988 zou hij opnieuw bij de politie van G. zijn tewerkgesteld (vraag 42 verhoorverslag DVZ). Op (het) Commissariaat-generaal beweerde betrokkene dat zijn vader in 1981, na een periode gewerkt te hebben in P., aan de slag ging (
- in)G. (verhoorverslag CGVS p. 4). Vervolgens verklaarde betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij in 1994 zijn huidige echtgenote leerde kennen en dat zij op de hoogte was van zijn situatie. Meerbepaald wist zij dat zijn vader voor de politie werkte (verhoorverslag DVZ vraag 42). Op het Commissariaat-generaal stelde betrokkene dat hij zijn echtgenote in 1993 leerde kennen en dat zij niks afwist van zijn situatie. Hij zou haar pas eind februari, begin maart 2000 hebben ingelicht (verhoorverslag CGVS (p). 5 -6). Verder beweerde betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij in oktober 1999 van G. naar G. terugkeerde. Toen betrokkene thuis aankwam, trof hij een lege woning aan. Daarom besloot betrokkene na 4 dagen naar de buren te gaan. Op weg naar de buren zou hij echter zijn uitgescholden, waardoor hij naar P. trok (verhoorverslag DVZ vraag 42). Op het Commissariaat-generaal verklaarde betrokkene dat hij in oktober 1999 op weg van G. naar G. zijn buren tegenkwam die hem zeiden dat zijn vader was vermoord door het U. (verhoorverslag CGVS p. 6). Verder dient te worden opgemerkt dat betrokkene tijdens zijn verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken nergens melding heeft gemaakt van het feit dat zijn vader zou zijn vermoord door het U. Ook bracht hij zijn problemen met zijn schoonfamilie nergens ter sprake (verhoorverslag DVZ vraag 42). Daarnaast dient er gewezen te worden op een tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van betrokkene afgelegd op het Commissariaat-generaal en deze in dringend beroep afgelegd door zijn echtgenote, XXX. Betrokkene verklaarde namelijk dat zijn echtgenote in S. contact opnam met haar familie en hen op de hoogte bracht van hun situatie (verhoorverslag XXX CGVS p. 6). Betrokkenes echtgenote daarentegen beweerde dat zij vanuit S. telefonisch contact had met haar familie en dat zij reeds op de hoogte waren. Betrokkenes echtgenote wist niet wie haar familie op de hoogte had gebracht (verhoorverslag echtgenote CGVS p. 3). Gelet op bovenstaande tegenstrijdigheden dient te worden opgemerkt dat de geloofwaardigheid van betrokkenes vluchtrelaas ernstig is aangetast. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat hij K. in maart 2001 verlaten heeft uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Na de twee incidenten in december 1999 en januari 2000 verbleef betrokkene nog tot 21 maart 2001, hetzij meer dan één jaar in K. zonder noemenswaardige problemen. De door betrokkene aangehaalde beledigingen van de buren in S. zijn niet ernstig genoeg om gelijk gesteld te worden met daden van vervolging. Wat de eventuele problemen met zijn schoonfamilie betreft, dient te worden opgemerkt dat deze zich situeren in de privé-sfeer. Betrokkene heeft geen feiten of elementen aangehaald waaruit zou blijken dat hij in geval van problemen, omwille van redenen zoals voorzien in de Conventie van Genève, geen beroep zou kunnen doen op de in K. aanwezige lokale en internationale autoriteiten. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 17 april 2001. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en XIV-5102-3/9 waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van XXX, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Betrokkene werd verhoord op 7 mei 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de A. taal machtig is. Volgens haar verklaringen zou betrokkene een etnisch A. zijn afkomstig uit K., meerbepaald uit H. (gemeente P.). Betrokkenes schoonvader zou werkzaam geweest zijn bij de politie, betrokkenes schoonmoeder zou van S. afkomst zijn. Hierdoor zou betrokkenes echtgenoot problemen hebben gekend. In januari 2000 zou betrokkene sporen van verwondingen bij haar echtgenoot hebben geconstateerd. Hij zou in januari 2000 bezoek gekregen hebben van 'zwarte gemaskerden' die hem hadden geslagen en die hem twee weken tijd hadden gegeven om K. te verlaten, zoniet zou haar echtgenoot vermoord worden (zo)als zijn vader. In maart 2000 zou betrokkene door haar echtgenoot op de hoogte gebracht geweest zijn van al zijn problemen, waarna zij samen naar S. (K.) trokken bij een vriend van haar schoonvader, A. Vanuit S. zou betrokkene haar familie gecontacteerd hebben die echter reeds op de hoogte waren (was) van hun situatie. Betrokkene zou door haar familie verbannen zijn. Betrokkene zou in maart 2001 K. verlaten hebben samen met haar echtgenoot. Qp 26 maart 2001 kwam betrokkene België binnen en zij diende hier op 30 maart 2001 een asielaanvraag in. Betrokkene is in het bezit van haar huwelijksakte, afgeleverd door U., dd. 7 april 2000. Er dient te worden opgemerkt dat betrokkene onvoldoende feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat zij K. in maart 2001 verlaten heeft uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Zo verbleef betrokkene (
- na)van eind februari, begin maart 2000 tot maart 2001, hetzij ongeveer één jaar in S. zonder noemenswaardige problemen. Wat de verbanning door haar familie betreft omwille van haar huwelijk met de zoon van een zogenaamde collaborateur dient te worden opgemerkt dat deze zich situeren in de privé-sfeer. Betrokkene heeft geen feiten of elementen aangebracht waaruit blijkt dat bij eventuele problemen zij, omwille van redenen zoal voorzien in de Conventie van Genève, geen beroep zou kunnen doen op de bescherming van de in K. aanwezige lokale en internationale autoriteiten. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris- generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 17 april 2001. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1. Overwegende dat verzoekers een enig middel afleiden uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 57/6, in fine van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); XIV-5102-4/9 2.2. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet betreft, dit artikel de bevoegdheden van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de gegrondheidsfase van de asielprocedure omschrijft; dat de bestreden beslissingen er slechts toe strekken verzoekers al dan niet voorlopig toe te laten op het grondgebied teneinde een grondig onderzoek te voeren over de eventuele toekenning van het statuut van vluchteling, en derhalve werd genomen in de ontvankelijkheidsfase, zodat voormeld artikel niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat, wat de formele motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.3. Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker uit het dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoeker heeft besloten op grond van de motieven, die integraal worden weergegeven in de eerste bestreden beslissing onder punt 1.3. van huidig arrest en die samengevat als volgt luiden: - er zijn een aantal tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal. Deze tegenstrijdigheden hebben XIV-5102-5/9 betrekking op de professionele loopbaan van zijn vader, het tijdstip waarop hij zijn echtgenote, XXX, leerde kennen en haar inlichtte over zijn situatie, en zijn ontmoeting met de buren in oktober 1999. Voorts heeft verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding gemaakt van de moord op zijn vader door het U. en van de problemen met zijn schoonfamilie; - er is een tegenstrijdigheid in de verklaringen van verzoeker en die van zijn echtgenote op het Commissariaat-generaal met betrekking tot de vraag of haar familie al dan niet op de hoogte was van hun situatie; - na de incidenten in december 1999 en januari 2000 verbleef verzoeker nog meer dan één jaar in K. zonder noemenswaardige problemen. De aangehaalde beledigingen van de buren in S. zijn niet ernstig genoeg om als vervolging te worden aangemerkt; - de problemen met verzoekers schoonfamilie behoren tot de privé-sfeer; - verzoeker haalt geen elementen aan waaruit blijkt dat hij geen beroep zou kunnen doen op de in K. aanwezige lokale en internationale autoriteiten, wegens redenen, voorzien in de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat de Commissaris-generaal tot de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten, op grond van de volgende overwegingen die samengevat als volgt luiden: -verzoekster verbleef nog meer dan één jaar in K. (van maart 2000 tot maart 2001) zonder noemenswaardige problemen; - de problemen met verzoeksters schoonfamilie behoren tot de privé-sfeer; - verzoekster haalt geen elementen aan waaruit blijkt dat zij bij eventuele problemen geen beroep zou kunnen doen op de aanwezige lokale en internationale autoriteiten, om redenen zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie; 2.4. Overwegende dat verzoekers vooreerst enkele tegenstrijdigheden trachten te weerleggen; dat zij tevens opmerken dat verzoeker niet heeft kunnen nagaan of zijn verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken correct zijn weergegeven, wat hij betwijfelt gezien de werkwijze van de tolk die tien minuten naar verzoeker zou hebben geluisterd en daarop diens relaas neerschreef; 2.4.1. Overwegende dat vooreerst uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker geen opmerkingen heeft geformuleerd over eventuele problemen met de tolk of over de vertaling; dat verzoeker bovendien, door zijn handtekening, bevestigde dat het verhoorverslag overeenstemt met de verklaringen die hij heeft afgelegd; dat hij evenmin tijdens het verhoor voor de Commissaris-generaal problemen met de tolk heeft gemeld; dat de grief van verzoeker in verband met de vertaling bijgevolg geen afbreuk doet aan de wettigheid van de eerste bestreden beslissing; XIV-5102-6/9 2.4.2. Overwegende dat verzoekers, wat de eerste tegenstrijdigheid betreft, aanvoeren dat verzoeker te jong was om een gedetailleerde kennis te hebben van de tewerkstelling van zijn vader in de jaren zeventig en tachtig; Overwegende dat deze argumentatie niet verklaart waarom verzoeker op het Commissariaat-generaal en op de Dienst Vreemdelingenzaken verschillende versies gaf omtrent de loopbaan van zijn vader; dat verzoeker, indien hij niet (voldoende) op de hoogte was van voornoemd onderwerp omdat hij destijds te jong was, dit aan de bevoegde asielinstanties had kunnen melden; dat de tegenstrijdigheid steun vindt in het administratief dossier en door verzoekers niet wordt weerlegd; 2.4.3. Overwegende dat verzoekers wat betreft de tegenstrijdigheid omtrent het tijdstip waarop verzoeker zijn echtgenote leerde kennen en haar inlichtte over zijn situatie, aanvoeren dat ze elkaar eind 1993, begin 1994 leerden kennen en dat zijn echtgenote pas op de hoogte was van de collaboratie van zijn vader en van de S. afkomst van zijn moeder in februari - maart 2000; Overwegende dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoeker daar verklaarde dat hij zijn echtgenote leerde kennen in 1993, dat ze toen nog niet op de hoogte was van de situatie, en dat hij haar pas de waarheid over zijn ouders vertelde vóór ze vertrokken (in 2000) naar S. (K.); dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij daar beweerde dat hij zijn vrouw in 1994 leerde kennen en dat ze zijn situatie kende: ze wist namelijk dat zijn moeder overleden was en dat zijn vader voor de politie werkte; dat verzoeker evenwel vervolgt: “Ik had haar wel niet verteld hoe zijn karakter was en welke activiteiten hij erop nahield”; dat hij daarop verklaart dat hij haar bij zijn terugkeer naar P. (in 2000) zijn “geheim” vertelde; dat uit wat voorafgaat volgt dat het motief van de eerste bestreden beslissing geen steun vindt in de gegevens van het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal bijgevolg onterecht uit verzoekers opeenvolgende verklaringen een tegenstrijdigheid heeft afgeleid; dat de motivering van de eerste bestreden beslissing evenwel niet enkel stoelt op deze tegenstrijdige verklaring, maar op meerdere motieven; dat niettegenstaande voornoemd motief niet draagkrachtig is, het niet tot de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing kan leiden, gelet op de overige draagkrachtige motieven, zoals blijkt uit wat volgt; Overwegende dat verzoekers niet weerleggen dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding heeft gemaakt van de moord op zijn vader door het U. en van de problemen met zijn schoonfamilie; dat zij evenmin de weerhouden tegenstrijdigheid in hun onderlinge relaas ontkrachten; dat de Commissaris-generaal bijgevolg deze motieven kon weerhouden om de eerste bestreden beslissing te onderbouwen; XIV-5102-7/9 2.5. Overwegende dat verzoekers ten slotte aanvoeren dat de twee incidenten van januari 1999 en december 2000 wel ernstig genoeg zijn om te worden gelijkgesteld met daden van vervolging, gelet op de gespannen verhouding tussen etnische A. en S.; Overwegende dat de Commissaris-generaal in de eerste bestreden beslissing enkel overweegt dat verzoeker, na de twee incidenten nog tot 21 maart 2001, - dit is meer dan één jaar - in K. verbleef zonder noemenswaardige problemen; dat hij vervolgens opmerkt dat de door verzoeker aangehaalde beledigingen van de buren in S. niet ernstig genoeg zijn om gelijk gesteld te worden met daden van vervolging; dat verzoekers niet aantonen dat de beoordeling van de Commissaris-generaal feitelijke grondslag mist; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van dit motief alleen reeds kon beslissen dat verzoeker “niet (heeft) aangetoond dat hij K. in maart 2001 verlaten heeft uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie”; dat de Commissaris-generaal ten aanzien van verzoekster hetzelfde overweegt; 2.6. Overwegende dat verzoekers de overige motieven (problemen met de (schoon)familie die behoren tot de privé-sfeer, de mogelijkheid om beroep te doen op de internationale autoriteiten) niet aanvechten, zodat vaststaat dat zij ze niet betwisten; 3. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat, hoewel niet alle motieven van de eerste bestreden beslissing draagkrachtig zijn, de Commissaris-generaal kon besluiten tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag van verzoeker; dat het besluit dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is, wordt gedragen door meerdere pertinente en afdoende motieven, zodat de onwettigheid van één motief aan de wettigheid van de eerste bestreden beslissing geen afbreuk doet; dat de eerste bestreden beslissing bovendien steunt op het determinerende motief dat verzoekers asielaanvraag kennelijk ongegrond is, wat door verzoekers niet wordt weerlegd; dat de Commissaris-generaal ten aanzien van verzoekster eveneens een bevestigende beslissing kon nemen omdat haar asielaanvraag kennelijk ongegrond is; dat verzoekers geen concrete elementen aanvoeren die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. XIV-5102-8/9 De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf februari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-5102-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.493 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div