← België

Arrest 140507 - - 14/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.507 Rolnummer: A. 155790/IX-4690 Zaak: Arrest 140507 - - 14/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-25 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 07:23 Fiche Arrest nr 140.507 van 14 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.507 van 14 februari 2005 in de zaak A. 155.790/IX-

  1. In zake : Jean-Pierre VERVONDEL, wonende te DE HAAN, Weststraat 21 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Pierre VERVONDEL op 9 september 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het ministerieel besluit van 7 juli 2004 waarbij hij met ingang van 1 juli 2004 van ambtswege wordt ontslagen uit zijn functies van adjunct-adviseur bij de diensten van de Gouverneur van het administratief arrondissement Brussel- Hoofdstad; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 december 2004, datum waarbij de zaak tot de openbare terechtzitting van 17 januari 2005 wordt uitgesteld; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-4690-1/13 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van attaché C. VANDERBORGHT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. Verzoeker is adjunct-adviseur bij de diensten van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. In de loop van 1998 worden ten zijnen laste een aantal onregelmatigheden vastgesteld in het beheer van de dienst “paspoorten” van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. Bij ministerieel besluit van 29 juni 1999 wordt hij in het belang van de dienst geschorst. Hij wordt niettemin in dienst gehouden door de gouverneur. De secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken laat de gouverneur in dat verband weten dat verzoeker “in geen enkele hoedanigheid zijn ambt verder kan uitoefenen” en dat “indien hij zich bij uw diensten aanbiedt, (...) hij onmiddellijk (dient) weggestuurd te worden”. Bij arrest van 15 januari 2003 acht het hof van beroep te Brussel verzoeker schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten van valsheid in geschriften en verduistering als openbaar ambtenaar en schort de uitspraak van de veroordeling op gedurende vijf jaar “ten einde de verdere professionele toekomst van de beklaagde niet in het gedrang te brengen en rekening houdend met de termijn die is verstreken sedert het plegen van de feiten, de gezondheidstoestand van de beklaagde, de zware burgerrechtelijke nadelige gevolgen van zijn misstap die hij moet ondergaan en met de vaststelling dat hij met de misdadige aspecten van zijn verleden blijkt te hebben gebroken en bereid blijkt te zijn de aangerichte schade te herstellen en zich in de toekomst voorbeeldig te gedragen”. Volgens verzoeker heeft hij dezelfde dag nog de gouverneur mondeling op de hoogte gebracht van het arrest. Dezelfde dag ook brengt de raads- man van de verwerende partij deze laatste op de hoogte van het dictum van het IX-4690-2/13 arrest maar vermeldt niet duidelijk welk het lot is van de door de eerste rechter uit- gesproken ontzetting uit de burgerlijke en politieke rechten. Op 22 januari 2003 vraagt de verwerende partij een kopie van het arrest teneinde de volledige draagwijdte van dit arrest op de toestand van verzoeker, meer bepaald wat de uitoefening van zijn burgerlijke en politieke rechten betreft, te kunnen inschatten. Op 10 februari 2003 maakt de raadsman van de verwerende partij een kopie van het arrest over aan de verwerende partij die er op 14 februari 2003 een exemplaar van overmaakt aan de gouverneur. Op 30 april 2003 laat de verwerende partij aan de gouverneur weten dat de tuchtvordering moet worden ingesteld binnen de zes maanden na de datum waarop het departement in kennis werd gesteld van de draagwijdte van het arrest van het hof van beroep van 15 januari 2003 en dat dit moet gebeuren door de betrokkene op te roepen voor een verhoor in het kader van een tuchtprocedure. Bij brief van 22 juli 2003 wordt verzoeker uitgenodigd om door de adjunct-kabinetschef van de gouverneur te worden gehoord op 29 juli
  4. In bijlage bij deze brief gaat een brief van dezelfde datum waarbij de gouverneur haar adjunct-kabinetschef machtigt om verzoeker te horen. Een eerste verhoor vindt plaats op 29 juli
  5. Verzoeker verklaart hierbij dat hij akkoord gaat met het feit dat de adjunct-kabinetschef gelast werd hem te horen. Op de vraag om het relaas van de feiten te geven verwijst verzoeker naar de uitspraken in de strafzaak die tegen hem werd gevoerd. Hij wordt nogmaals gehoord op 1 oktober
  6. Op 3 oktober 2003 maakt de gouverneur het verslag van dit verhoor over aan de verwerende partij. Zij stelt dat zij op grond van dat verslag het ontslag van ambtswege moet voorstellen maar zij meent dat er nog een bijkomende persoon moet worden gehoord in verband met de verklaring van verzoeker dat er op hem vrijwel geen toezicht werd uitgeoefend. Dit geschiedt op 23 oktober
  7. Op dezelfde datum stelt de gouverneur aan de verwerende partij voor om verzoeker van ambtswege te ontslaan. Verzoeker wordt ook van dat voorstel ingelicht. Hij wordt op 26 november 2003 gehoord door het directiecomité van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken dat definitief voorstelt om aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit voorstel wordt hem op 22 december 2003 samen met de motivering ervan betekend. Met een schrijven van 24 december 2003 tekent verzoeker beroep aan tegen dit definitief voorstel bij de interdepartementale raad van beroep. De interdepartementale raad van beroep behandelt verzoekers beroep in zijn zitting van 27 januari
  8. Verzoekers raadsman dient een omstandige verweernota in waarin IX-4690-3/13 hij aanvoert dat de vertrouwensband tussen verzoeker en zijn werkgever niet onherroepelijk was verbroken aangezien hij ondanks zijn schorsing in het belang van de dienst verder door de gouverneur tewerkgesteld bleef, dat de termijn van 6 maanden waarbinnen de tuchtprocedure kon worden gestart was verstreken, dat het proces-verbaal van het verhoor van 20 juli 2003 door verzoeker niet werd ondertekend en dat de individuele fiche van verzoeker in het dossier ontbreekt. Hij voert ook aan dat de voorgestelde sanctie overdreven is rekening gehouden met de voornoemde elementen, met het feit dat verzoeker reeds afdoende werd gestraft door zijn veroordeling en mede gelet op zijn leeftijd. De interdepartementale raad van beroep besluit in zijn advies dat de tuchtvordering tijdig werd ingesteld en oordeelt met 9 stemmen tegen 4 dat de voorgestelde tuchtstraf gerechtvaardigd is. Bij brief van 23 maart 2004 stuurt de minister van Binnenlandse Zaken aan verzoeker een afschrift toe van het advies van de interdepartementale raad van beroep. Hij deelt eveneens mee dat hij zich bij dat advies aansluit. Deze brief vermeldt ook dat verzoeker een beroep tot nietigverklaring kan instellen. Bij ministerieel besluit van 7 juli 2004 wordt verzoeker dan van ambtswege ontslagen met ingang van 1 juli
  9. Dit is de door verzoeker bestreden beslissing;
  10. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota opwerpt dat de bestreden beslissing niet vatbaar is voor vernietiging en dus ook niet voor schorsing omdat zij niets anders doet dan de beslissing van de minister van 23 maart 2004 te formaliseren; dat het ministerieel besluit van 7 juli 2004 weliswaar de datum vaststelt waarop het ontslag ingaat maar dat een beslissing die alleen bepaalt wanneer de opgelegde straf ingaat slechts een maatregel is ter uitvoering van de straf en dat dergelijke maatregel op zich niet aanvechtbaar is voor de Raad van State; Overwegende dat over die exceptie slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is; IX-4690-4/13 3.Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.
  11. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de eerste voor- waarde in een eerste middel de schending aanvoert van een aantal bepalingen van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijks- personeel; dat, eerste onderdeel, artikel 81, § 5, van voornoemd besluit is geschonden omdat de tuchtprocedure meer dan zes maanden na de betekening aan de minister van het eindarrest in de strafvordering werd opgestart; dat het arrest van het hof van beroep van Brussel dateert van 15 januari 2003 en dat hij de gouverneur, die zijn hiërarchische meerdere was, nog dezelfde dag mondeling op de hoogte heeft gebracht van de uitspraak; dat ook de administratie reeds op 16 januari 2003 op de hoogte was van het arrest aangezien zij op diezelfde datum reeds een kosteloos afschrift van het arrest heeft aangevraagd; dat zij trouwens door haar raadsman op 15 januari 2003 op de hoogte is gebracht van het arrest; dat de oproepingsbrief van 22 juli 2003 waarmee de tuchtprocedure is opgestart derhalve laattijdig was omdat hij buiten de termijn van zes maanden is opgestuurd; dat, tweede onderdeel, artikel 78, § 2, van het genoemde besluit is geschonden aangezien verzoeker niet werd gehoord door de gouverneur zelf maar slechts door diens afgevaardigde; dat immers voornoemd artikel 78, § 2, bepaalt dat de tuchtstraffen worden uitgesproken na een voorlopig voorstel door de bevoegde hiërarchische meerdere die vooraf de ambte- naar hoort over de feiten; dat, derde onderdeel, artikel 78, § 4, van meergenoemd koninklijk besluit is geschonden, doordat het voorlopig tuchtvoorstel aan verzoeker niet is betekend binnen de vijf dagen volgend op de beëindiging van de termijn die aan een verhoorde wordt gegeven om de notulen van het verhoor te viseren; dat hij hierbij uiteenzet dat na het verhoor van 1 oktober 2003 de gouverneur bij brief van 3 oktober haar voorstel heeft overgemaakt aan de voorzitster van het directiecomité zonder dat hij daar kennis van heeft gekregen; dat hij evenmin de motivering heeft ontvangen van het tuchtvoorstel dat hij bij brief van 23 oktober 2003 kreeg toegestuurd wat ook een schending inhoudt van zijn rechten van verdediging; dat, vierde onderdeel, de termijnen die zijn vermeld in artikel 79, § 1, van voornoemd besluit niet werden gerespecteerd; dat, vijfde onderdeel, artikel 94 van het IX-4690-5/13 koninklijk besluit is geschonden doordat de minister niet heeft beslist binnen de termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het advies van de raad van beroep; dat immers de uiteindelijke beslissing pas genomen is op 7 juli 2004, dit is 4 maand en 13 dagen na de betekening van het voormelde advies; 3.1.
  12. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt, op het eerste onderdeel, dat een kopie van het arrest aan de juridische dienst werd overgemaakt met brief van 10 februari 2003 maar dat het niet de juridische dienst is die bevoegd is om de tuchtprocedure te starten; dat de uitslag van de strafprocedure aan de stafdienst van het departement en aan de gouverneur gemeld is met schrijven van 23 januari 2003; dat een kopie van het arrest hen bezorgd is met schrijven van 14 februari 2003; dat de tuchtprocedure is gestart met de oproepingsbrief van 22 juli 2003, dit is binnen de zes maanden; op het tweede onderdeel, dat de tuchtprocedure moet worden gevoerd in de taal van de taalrol waartoe de betrokken ambtenaar behoort; dat aangezien de gouverneur behoort tot de Franse taalrol en verzoeker tot de Nederlandse taalrol het verhoor in het Nederlands moest plaatsvinden en dat het niet door de gouverneur kon worden afgenomen maar wel door diens adjunct- kabinetschef die tot de Nederlandse taalrol behoort en die daartoe uitdrukkelijk door de gouverneur was gemachtigd; dat verzoeker zich trouwens uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard met deze manier van werken; op het derde onderdeel, dat het voorlopig voorstel slechts werd geformuleerd op 23 oktober 2003 en dat verzoeker daarvan dezelfde dag nog kennis heeft gekregen; dat verzoeker ten onrechte beweert dat hij geen kennis heeft gekregen van de motivering ervan, dat hij immers zeer goed op de hoogte was van de feiten waarvoor hij tuchtrechtelijk werd aangeklaagd zoals blijkt uit de nota van de gouverneur van 22 juli 2003, dat artikel 78, § 4, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 enkel de betekening oplegt van het tucht- voorstel en niet van de motivering ervan en dat verzoeker ten slotte moeilijk kan voorhouden dat hij niet op de hoogte was van de motivering aangezien hij met het oog op de voorbereiding van zijn verhoor door het directiecomité geruime tijd de mogelijkheid heeft gehad en heeft benut om zijn persoonlijk dossier te raadplegen; dat bijgevolg noch zijn rechten van de verdediging noch het voorschrift met betrekking tot de termijn van vijf dagen, voorzien bij voornoemd artikel 78, § 4, zijn geschonden; dat die termijn trouwens een termijn van orde is en derhalve niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven; op het vierde onderdeel, dat de termijnen van artikel 79, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven en dat het directiecomité verzoeker heeft opgeroepen bij schrijven van 27 oktober 2003 daar waar het zelf pas was gevat door een brief van 23 oktober 2003; op het vijfde onderdeel, dat het advies van de interdeparte- IX-4690-6/13 mentale raad van beroep op 1 maart 2003 werd toegezonden aan de minister en dat deze op 23 maart 2003 beslist heeft zich bij dat advies aan te sluiten; dat die eindbeslissing bijgevolg is genomen na een beraad van een drietal weken wat niet onredelijk is gelet op de zwaarte van de voorgestelde straf; dat overigens de termijn van artikel 94 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 eveneens een termijn van orde is; 3.1.3.
  13. Overwegende, met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel, dat uit het dossier blijkt dat de raadsman van de verwerende partij bij brief van 15 januari 2003 het resultaat van de strafprocedure aan de verwerende partij heeft medegedeeld, dat de verwerende partij op 22 januari 2003 haar raadsman verzocht heeft om een afschrift van het arrest te verkrijgen, meer speciaal om de gevolgen van de einduitspraak op de uitoefening door verzoeker van zijn burgerlijke en politieke rechten te kunnen beoordelen, en dat deze raadsman bij brief van 10 februari 2003 een afschrift van het arrest heeft overgemaakt aan de verwerende partij; dat artikel 81, § 5, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel als volgt luidt : "§
  14. De tuchtvordering mag alleen betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan binnen een termijn van zes maanden voorafgaande aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld. In geval van strafvordering en indien het openbaar ministerie de eind- uitspraak van het gerecht ter kennis heeft gebracht van de minister onder wiens gezag de ambtenaar staat, moet de tuchtvordering ingesteld worden binnen zes maanden na de datum van de kennisgeving"; dat uit het tweede lid van voornoemde bepaling moet worden afgeleid dat de tuchtoverheid dient te beschikken over informatie die uitgaat van de gerechtelijke overheid zelve en dat informatie uit tweede of derde hand niet volstaat om de verjaringstermijn van zes maanden te doen ingaan; dat derhalve noch de mededeling door verzoeker aan de gouverneur, noch de mededeling door de raadsman van de verwerende partij aan deze partij van het loutere resultaat van de strafvordering, de vervaltermijn van zes maanden heeft doen ingaan; dat die termijn is ingegaan op 10 februari 2003 door de overmaking van een officieel afgeleverd afschrift van het arrest van het hof van beroep dat de voornoemde vervaltermijn is beginnen lopen; dat de tuchtprocedure is gestart door de brief van 22 juli 2003 waarbij verzoeker is uitgenodigd om door de adjunct-kabinetschef van de gouverneur te worden gehoord zodat de termijn van voornoemd artikel 81, § 5, is nageleefd; dat het eerste onderdeel niet ernstig is; IX-4690-7/13 3.1.3.
  15. Overwegende, met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel, dat de verwerende partij terecht opmerkt dat de tuchtprocedure moet worden gevoerd in de taal van de ambtenaar die tuchtrechtelijk wordt vervolgd; dat aangezien op het eerste zicht de gouverneur van de andere taalrol was dan verzoeker, zij als hiërarchische meerdere niet vermocht verzoeker zelf te horen overeenkomstig artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937; dat de adjunct-kabinetschef van de gouverneur blijkbaar wel behoorde tot de taalrol van verzoeker; dat hij vanwege de gouverneur een bijzondere delegatie had gekregen om verzoeker in zijn eigen taal te horen; dat in dit geval de vraag rijst of die bij artikel 78, § 2, toegewezen opdracht tot voorafgaand verhoor door de gouverneur in deze kon worden gedelegeerd aan de adjunct-kabinetschef; dat het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel geen oplossing biedt voor het geval de hiërarchische meerdere om een wettige reden niet vermag de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar te verhoren; dat bezwaarlijk kan worden aangevoerd dat de uitgeoefende bevoegdheid zo belangrijk was dat die bevoegdheid of opdracht hiermee automatisch delegatie aan een ambtenaar uitsluit voor het geval een wettelijk beletsel bestaat om de opdracht zelf uit te voeren; dat te dezen de adjunct-kabinetschef geen beslissingsbevoegdheid heeft gekregen en slechts een “instrumentum” is geweest bij het opmaken van een beslissing die door de bevoegde overheid is genomen; dat de bijzondere en beperkte delegatiebeslissing bijgevolg geen schending lijkt in te houden van artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en evenmin als het verhoor door die ambtenaar van verzoeker in zijn taal; dat het tweede onderdeel niet ernstig is; 3.1.3.
  16. Overwegende, met betrekking tot het derde onderdeel van het middel, dat blijkens artikel 78, § 4, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 de hiërarchische meerdere de voorgestelde tuchtstraf dient te betekenen binnen de vijf dagen nadat de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar de notulen van het verhoor heeft geviseerd; dat bij gebrek aan een sanctie bij het overschrijden van die termijn, die termijn een termijn van orde is; dat bovendien niet ingezien wordt in welke mate het de overschrijding ervan verzoekers rechten zou hebben geschaad zodat een gebeur- lijke overschrijding niet tot vernietiging kan leiden; dat ten slotte de omstandigheid dat de motieven bij het voorstel aan verzoeker niet werden betekend, verzoeker geen enkel nadeel heeft opgeleverd aangezien, vooraleer de zaak is behandeld door het directiecomité, hij ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om het volledige tuchtdossier te raadplegen; dat het derde onderdeel niet ernstig is; IX-4690-8/13 3.1.3.
  17. Overwegende, met betrekking tot het vierde onderdeel van het middel, dat het voorlopig tuchtvoorstel op 23 oktober 2003 aan de voorzitster van het directiecomité is overgemaakt; dat verzoeker daarop bij brief van 27 oktober 2003 opgeroepen is om voor het directiecomité te verschijnen op 19 november 2003, dat die verschijning daarop is verschoven naar 26 november 2003; dat verzoeker aldus is gehoord net buiten de termijn van 30 dagen; dat die in artikel 79, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 vastgestelde termijn niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en overigens niet wordt ingezien welk nadeel verzoeker door de minieme overschrijding zou hebben geleden; dat het vierde onderdeel niet ernstig is; 3.1.3.
  18. Overwegende, met betrekking tot het vijfde onderdeel van het middel, dat luidens artikel 94 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 de minister, binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het advies van de raad van beroep, beslist; dat die termijn evenwel slechts een termijn van orde is; dat te dezen niet wordt ingezien hoe een lichte overschrijding van de termijn voor verzoeker enig nadeel heeft opgeleverd gelet op de zwaarwichtigheid van de voorgestelde straf; dat het vijfde onderdeel niet ernstig is; 3.2.
  19. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel aanvoert dat zijn individuele fiche, met inbegrip van het feitenrelaas over de zaak waarover de tuchtprocedure werd ingesteld, niet bij het dossier was gevoegd; dat hij hierbij verwijst naar 's Raads “arresten nrs. 35.679, 47.349, 47.658 en 47.659” waaruit zou moeten blijken dat die documenten een essentieel onderdeel van een tuchtdossier zijn; 3.2.
  20. Overwegende dat de verwerende partij daarop terecht antwoordt dat de individuele fiche geen deel moet uitmaken van het tuchtdossier omdat, enerzijds, geen enkele bepaling van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 dit oplegt en, omdat, anderzijds, de arresten waarnaar verzoeker verwijst niet dienstig zijn aangezien zij alleen verband houden met de beoordeling van de ambtenaar doch niet met een tuchtprocedure; dat overigens een individuele fiche inderdaad een essentieel document is bij de beoordeling van een ambtenaar doch dat dit niet zo blijkt te zijn bij tuchtaangelegenheden; dat verzoeker bovendien in het kader van de tuchtprocedure tot tweemaal toe is gehoord over de hem ten laste gelegde feiten; dat hij afschrift heeft ontvangen van het proces-verbaal van verhoor; dat hij tijdens die tuchtprocedure hieromtrent nooit opmerkingen heeft gemaakt; dat bij het tucht- dossier ook het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 januari 2003 was IX-4690-9/13 gevoegd; dat hij derhalve bezwaarlijk kan beweren dat hij niet op de hoogte was van de tegen hem aangevoerde tenlasteleggingen; dat het middel niet ernstig is; 3.3.
  21. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de rechten van de verdediging; dat hij hierbij uiteenzet dat er een eerste voorlopig voorstel van 3 oktober 2003 is tot stand gekomen vooraleer een getuige werd gehoord; dat die getuige de beweringen van verzoeker als zou er vrijwel geen toezicht zijn geweest op de verrichtingen van de paspoortendienst zou bevestigen; dat er onzorgvuldig is tewerk gegaan bij het opsporen van de ten laste gelegde feiten; dat bovendien blijkt dat de gouverneur zich op 3 oktober 2003 reeds een idee had gevormd over de voor te stellen straf zelfs indien -de niet door verzoeker gevorderde- getuige nog niet was gehoord; dat het verhoor van 23 oktober 2003 het vroeger ingenomen standpunt van de gouverneur in die mate heeft beïnvloed dat zij zich niet meer steunt op dit gebrek aan toezicht maar aanstipt dat zij geen zwaardere straf voorstelt rekening houdende met de gezondheids- en familiale toestand van verzoeker; dat het ontbreken van toezicht op de handelingen van de verzoeker bijgevolg na het verhoor van de getuige niet meer als element in aanmerking is genomen voor het bepalen van de strafmaat, ook al was dat gebrek nu vastgesteld; 3.3.
  22. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de gouverneur met het verhoor van 23 oktober 2003, de verklaringen die verzoeker zelf had afgelegd in verband met het gebrek aan toezicht, wenste te toetsen bij zijn toenmalige hiërarchische chef; dat dit verhoor plaatsgevonden heeft in het bijzijn van de verzoeker; dat de samenlezing van de zin “M.i. kan het hier echter niet bij blijven” uit de nota van de gouverneur van 3 oktober 2003 met de zin “ik stel geen zwaardere sanctie voor rekening houdend met de gezondheids- en de familiale toestand van de heer Vervondel” uit haar nota van 23 oktober 2003 het vermoeden wekt dat de gouverneur op 3 oktober 2003 zelfs dacht aan het opleggen van een zwaardere straf; dat, zoals blijkt uit de motivering van het definitief strafvoorstel, ook het directiecomité bij het bepalen van het definitief strafvoorstel nog aandacht heeft besteed aan het argument van het gebrek aan toezicht; 3.3.
  23. Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de gouverneur haar voorlopig voorstel slechts definitief heeft geformuleerd op 23 oktober 2003, derhalve nadat de getuige was gehoord en nadat de gouverneur ook volledig ingelicht was over de afwezigheid van toezicht op de dienst paspoor- ten; dat verzoeker aanwezig was bij het verhoor van de getuige die een gebrekkig IX-4690-10/13 toezicht heeft bevestigd; dat de feiten derhalve op zorgvuldige wijze zijn vast- gesteld; dat niet ingezien wordt hoe het niet in aanmerking nemen van een gebrek aan toezicht bij het bepalen van de strafmaat een schending van de rechten van verdediging zou kunnen uitmaken; dat verzoeker overigens zelf toegeeft dat een gebrek aan toezicht voor hem “geen verschoningsgrond kan opleveren”; dat het middel niet ernstig is; 3.4.
  24. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel aanvoert, eerste onderdeel, dat de sanctie buiten elke redelijke verhouding staat tot de feiten omdat zoals uit de feiten blijkt de vertrouwensband tussen de werkgever en de werknemer niet in die mate onherroepelijk was geschonden dat iedere verdere samenwerking onmogelijk was; dat hij hierbij verwijst naar de houding van de gouverneur die hem, onmiddellijk na zijn schorsing in het belang van de dienst, terug in dienst riep en hem in dienst hield niettegenstaande een schrijven van de toenmalige secretaris- generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken waarbij haar werd gemeld dat verzoeker in geen enkele hoedanigheid zijn ambt verder kon uitoefenen en onmiddellijk weggestuurd moest worden indien hij zich zou aanbieden; dat de gouverneur in haar schrijven van 21 mei 2001 de nadruk legt op verzoekers jarenlange ervaring en kennis van de geplogenheden van de provinciale admini- stratie; dat ook de voormalige gouverneur op 17 maart 2002 verklaard heeft dat hij zich slechts kon verheugen over de samenwerking met verzoeker gedurende negen jaar; dat onmiddellijk na de definitieve gerechtelijke uitspraak van 15 januari 2003 de gouverneur om de opheffing van verzoekers schorsing in het belang van de dienst heeft verzocht en aan verzoeker verlof weigert omdat hij onmisbaar is op de dienst en dit op een ogenblik dat de gouverneur reeds een voorlopig strafvoorstel van ontslag van ambtswege had geformuleerd; dat men ook geen rekening gehouden heeft met het feit dat er geen controle was op zijn beheer, noch met zijn onberis- pelijke staat van dienst gedurende zijn lange loopbaan; dat, tweede onderdeel, “derhalve” de bepalingen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen werden geschonden; 3.4.
  25. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de uiteindelijke werkgever van verzoeker niet de gouverneur is maar wel de minister; dat de minister aan de gouverneur duidelijk de instructie had gegeven dat verzoeker in geen enkele hoedanigheid zijn ambt mocht uitoefenen en weggestuurd moest worden indien hij zich op het werk aanbood en afwijzend antwoordde op de vraag van de gouverneur om verzoekers schorsing op te heffen met als motief dat het IX-4690-11/13 vertrouwen in verzoeker op ernstige wijze was beschaamd geworden; dat ook het vertrouwen van de gouverneur sterk moet worden gerelativeerd nu zij toch het ontslag van ambtswege als sanctie voorstelde; dat voorts het feit dat verzoeker niet werd gecontroleerd geen verzachtende omstandigheid uitmaakt omdat hij uit- eindelijk van die omstandigheid profiteerde om verfijnde technieken aan te wenden voor het plegen van valsheid in geschrifte; dat de verwerende partij dat niet inziet hoe de motiveringsverplichting werd geschonden aangezien de beslissing van de minister van 23 maart 2004 en het bestreden ministerieel besluit van 7 juli 2004 uitdrukkelijk verwijzen naar het bestaan van ernstige strafrechtelijk bewezen feiten; dat zij ook vermelden dat verzoeker het vertrouwen van het departement niet langer waard is en dat zij melding maken van de toepasselijke bepalingen van het statuut. 3.4.
  26. Overwegende dat het loutere feit dat verzoeker door de gouverneur in dienst is gehouden niet pertinent is om ervan uit te gaan dat de vertrouwensband tussen verzoeker en zijn werkgever niet onherroepelijk was geschonden; dat de verwerende partij hierbij ook terecht opmerkt dat het niet de gouverneur is maar wel de minister die daarover in laatste instantie oordeelt; dat de minister gedurende de hele tuchtprocedure in deze een consequente houding heeft aangenomen aangezien hij verzoeker heeft geschorst in het belang van de dienst en geweigerd heeft deze schorsing na het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 januari 2003 op te heffen; dat het integendeel de gouverneur is die tegen de uitdrukkelijke instructies van de minister en tegen de draagwijdte van het ministerieel schorsingsbesluit verzoeker toch in dienst heeft gehouden omdat zijn technische kennis van de dienst blijkbaar onmisbaar was; dat zij evenwel terzelfder tijd heeft voorgesteld om verzoeker ambtshalve te ontslaan; dat voorts de Raad van State ten aanzien van de aard en de zwaarte van een opgelegde tuchtstraf slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt, zodat hij enkel een kennelijk in wanverhouding tot de feiten staande straf onwettig kan bevinden; dat de overheid voor het overige op discretionaire wijze oordeelt over de tuchtfeiten en de tuchtstraf; dat de Raad van State aldus alleen die tuchtstraffen onwettig kan bevinden die kennelijk buiten verhouding staan tot de feiten waarvoor ze werden opgelegd, dit wil zeggen die straffen die als dermate buiten verhouding staand tot de feiten moeten worden beschouwd, dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen; dat te dezen de lastens verzoeker strafrechtelijk bewezen verklaarde feiten, die zich over meer dan één jaar hebben uitgespreid, dermate zwaarwichtig zijn dat zij redelijkerwijze het vertrouwen van de overheid jegens verzoeker hebben geschokt zodat zijn klaarblijkelijke onberispelijke loopbaan en het gebrek aan controle op zijn beheer van de gelden, daartegen niet kunnen opwegen; IX-4690-12/13 dat het bestreden ministerieel besluit van 7 juli 2004, bijgevolg ook geen schending bevat van de formele motiveringsverplichting; dat het middel in zijn beide onderdelen niet ernstig is;
  27. Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoer- legging van het ministerieel besluit van 7 juli 2004 af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  28. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  29. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien februari 2000 en vijf, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4690-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.507 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.573 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.