← België

Arrest 140508 - - 14/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.508 Rolnummer: A. 131849/IX-4714 Zaak: Arrest 140508 - - 14/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-25 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 07:23 Fiche Arrest nr 140.508 van 14 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.508 van 14 februari 2005 in de zaak A. 131.849/IX-

  1. In zake : Frans DE WANDELEER, wonende te ASSE, Waarbeek 47 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landbouw thans :
  2. de vice-eerste minister en de minister van Financiën,
  3. de minister van Wetenschapsbeleid, die woonplaats kiest bij advocaat Y. VASTERSAVENDTS, kantoor houdende te ASSE, Steenweg 3 --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Frans DE WANDELEER op 16 januari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Nationale Plantentuin van 18 november 2002 en van de beslissing van de Directieraad van 12 november 2002, waarbij zijn bevordering in wedde- schaal tot10 C wordt geweigerd”; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 9 december 2004, houdende bevel tot neerlegging van het verslag en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 januari 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-4714-1/3 Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. VASTERSAVENDTS, die loco advocaat A. VASTERSAVENDTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  5. Verzoeker is industrieel ingenieur (rang 10) bij de Nationale Plantentuin van België. 1.
  6. Artikel 28, § 3, van het koninklijk besluit van 30 april 1999 houdende bezoldigingsregeling van het toegevoegd vorsingspersoneel en van het beheerspersoneel van de wetenschappelijke inrichtingen van de Staat luidt als volgt : “§
  7. De industrieel ingenieur die twaalf jaar graadanciënniteit heeft, kan, voor zover er vacante betrekkingen zijn, de weddeschaal 10C bekomen”. 1.
  8. In zijn vergadering van 26 september 2002 bespreekt de directie- raad van de Nationale Plantentuin een aanvraag van verzoeker om de weddeschaal 10C te verkrijgen. De directieraad is van oordeel “dat het een slecht teken zou zijn voor het personeel om Dhr. F. DE WANDELEER voor te stellen voor de weddeschaalverhoging 10C (...), ook al erkent de directieraad dat F. DE WANDELEER een aantal capaciteiten bezit en er nuttig werk is geleverd”. 1.
  9. Op 20 oktober 2002 dient verzoeker klacht in tegen deze beraadslaging. Hij vraagt om door de directieraad te worden gehoord. 1.
  10. Op 12 november 2002 wordt verzoeker door de directieraad gehoord. Deze blijft bij zijn standpunt en oordeelt dat het niet opportuun is om verzoeker een bevordering tot weddeschaal 10C toe te kennen. Dit oordeel van de directieraad wordt aan verzoeker meegedeeld bij brief van 18 november
  11. IX-4714-2/3 2.
  12. Overwegende dat verzoeker bij ministerieel besluit van 28 april 2003 bevorderd is door verhoging in weddeschaal tot de weddeschaal 10C met ingang van 1 april 2002; dat verzoeker aldus in de loop van de procedure genoeg- doening heeft verkregen en kennelijk geen belang meer heeft bij de door hem gevorderde vernietiging; dat zijn vordering in die omstandigheden dient te worden verworpen omdat zij kennelijk onontvankelijk is geworden; 2.
  13. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat het beroep tot nietigverklaring ingesteld door verzoeker voorbarig was, zodat hij hiervan de kosten moet dragen, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien februari 2000 en vijf, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4714-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.508 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.