id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.615 Rolnummer: A. 122265/XIV-10354 Zaak: Arrest 140615 - - 15/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 07:33 Fiche Arrest nr 140.615 van 15 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 140.615 van 15 februari 2005 in de zaak A. 122.265/XIV-10.
(5)jaar en/of het bewijs dat de vreemdeling wettig in België verbleef en/of de schriftelijke verklaring van nooit een bevel om het grondgebied te verlaten te hebben ontvangen de laatste 5 jaar voorafgaand aan zijn regularisatieaanvraag. Dat volgens de minister van Binnenlandse Zaken tijdens de voorbereidende werkzaamheden: ‘Dat vanuit een logisch standpunt de combinatie en/of een dubbele betekenis heeft. Zij betekent ofwel ‘of’ en in dit geval volstaat één voorwaarde, oftewel ‘en’ wat betekent dat geen van beide voorwaarden uitgesloten. Het volstaat dus in feite dat aan één van deze drie voorwaarden voldaan wordt, maar de eerste voorwaarden wordt ontegensprekelijk als de belangrijkste’ (Kamer, Wetsontwerp, Doc 0234/005, Rapport fait au nom de la Commission de l’Intérieur, des Affaires générales et de la fonction publique, Doc, Parl. p. 89). Dat trouwens een verblijf van meer dan 5 of 6 jaar volgens de minister van Binnenlandse Zaken, reeds op zich een ‘sterk en doorslaggevend vermoeden van duurzame sociale bindingen te hebben ontwikkeld’ uitmaakt (Kamer, Rapport, p 61). Dat dit bevestigd werd door de rechtspraak van de kamers van de Commissie voor Regularisatie die beschouwen dat: ‘De duurzame sociale bindingen en de humanitaire redenen vermoed worden wanneer een bepaalde duur van verblijf bewezen wordt. Gezien het lange verblijf in België kan men redelijkerwijze vermoeden dat duurzame sociale bindingen zich ontwikkeld hebben op dusdanige wijze dat de persoon wiens toestand op het gebied van verblijf onzeker is in een humanitaire situatie terechtkomt’ (P.V. van de Algemene Vergadering van 18/11/2000, p 2). Dat wat belangrijk is zoals J.Y. Carlier het aanhaalt: ‘Het blijkt dat het algemeen criterium van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen hoofdzakelijk kan geïnterpreteerd worden als een criterium van verblijfsduur in België van 5 of 6 jaar. Deze duur staat toe een zekere sociale integratie te vermoeden (...) XIV-10.354-6/11 Een soort van dialectiek ontstaat hier tussen twee aanverwante factoren: hoe langer de verblijfsduur, hoe minder de sociale integratie dient bewezen te (...)’ (J.Y. Carlier, ‘Wet op de regularisatie van vreemdelingen’ J.T. 2000, nr. 5954, p 81). Dat daar waar trouwens naast de kant van de verblijfsduur, wat het overheersend element is, (Senaat, rapport fait au nom de la Commission de l’Intérieur et des affaries administratives, session, 1999-2000, doc 2-203/3, Doc, parl., p 5), de voorbereidende werkzaamheden meerdere voorbeelden van duurzame sociale bindingen aangehaald hebben. Dat bij deze voorbeelden o.a. als duurzame sociale bindingen beschouwd worden; de getuigenissen uit dewelke voorkomt dat de vreemdeling sociale relaties ontwikkeld heeft, het werken, het feit van belastingen of sociale lasten te betalen, de kennis van of de wil om een van de landstalen machtig te zijn, een moeilijke familiale of persoonlijke situatie ... (P.V. Algemene Vergadering van de Kamers, op cit. p 4). Terwijl verzoeker van mening is dat aan alle wettelijke voorwaarden voldaan is om zijn verblijf te regulariseren op basis van art. 2, 4/ van de wet van 22/12/
- Dat hij inderdaad bij zijn dossier een reeks stukken voegt die wel degelijk zijn ononderbroken verblijf van meer dan zes jaar zijn duurzame sociale bindingen alsmede de humanitaire omstandigheden bewijzen (stukken 8 e.v;). Dat deze humanitaire omstandigheden verbonden zijn aan de sociale, economische en familiale situatie van verzoeker. Dat bijgevolg gelet op de ernstige en moeilijke humanitaire toestand van verzoeker, tegenpartij onmogelijk kon besluiten tot een negatief advies zonder een klaarblijkelijke beoordelingsfout te hebben begaan. Dat om voormelde reden deze bestreden beslissingen onredelijk, onevenredelijk en bijgevolg onwettig zijn. Dat bijgevolg, het middel gegrond is.”; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Tweede middel: schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de binnenkomst, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, schending van de artikelen 2, 4/ en 9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, manifeste dwaling in de appreciatie, doordat het onderzoekssecretariaat tot het besluit komt dat een negatief advies dient gegeven te worden ten aanzien van de regularisatieaanvraag van verzoeker. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat het onderzoekssecretariaat een analyse maakte van het dossier op basis van de aanvraag en de bijgevoegde stukken en terecht tot de vaststelling kwam dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden om tot regularisatie te worden toegelaten. Er werd zelfs geen aanwijzing gevonden qua verblijf op 1 oktober 1999 en er waren evenmin aanwijzingen qua duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen, laat staan een bewijs van langdurig verblijf. De argumenten die verzoeker vooralsnog aanbrengt ter gelegenheid van het annulatieverzoek, zijn feitelijke gegevens die niet ter zake zijn en binnen de drie dagen na de kennisgeving van het advies van het onderzoekssecretariaat eventueel dienstig waren geweest. Het tweede middel is per se niet gegrond.”; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Tweede middel: schending van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, schending van de artikelen 2, 4/ en 9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk, manifeste beoordelingsfout, doordat tegenpartij tot het besluit komt dat een negatief advies dient gegeven te worden ten aanzien van de regularisatieaanvraag van verzoeker. Uiteenzetting XIV-10.354-7/11 Overwegende dat verwerende partij in haar memorie van antwoord verklaart dat volgens de ontleding van het Secretariaat van de Commissie voor Regularisatie verzoeker de voorwaarden tot toepassing van de regularisatie niet verenigt. Dat verwerende partij bovendien eveneens onderlijnt dat de feiten voorgelegd door verzoeker ter ondersteuning van zijn beroep tot nietigverklaring ‘niet ter zake zijn en binnen de drie dagen na de kennisgeving van het advies van het onderzoekssecretariaat eventueel dienstig waren geweest’. Overwegende dat de door verzoeker neergelegde stukken voldoende bewijzen dat hij aan de wettelijke voorwaarden voldeed om van de regularisatie te genieten. Dat verzoeker er alle belang bij had om binnen de drie wettelijke dagen zijn opmerkingen en stukken mede te delen. Dat geen enkele nalatigheid verweten kan worden aan verzoeker. Dat de stukken in bijlage van het beroep tot nietigverklaring als bewijs zouden kunnen gebruikt geweest zijn indien de betekening juist had geweest. Dat derhalve rekening dient gehouden te worden met dit stuk. Dat voortvloeit uit de voornoemde motieven dat de betwiste beslissingen onwettelijk zijn en dat de bepalingen bedoeld in het middel werden miskend. Dat dit tweede middel ernstig en gegrond is.”; 3.2.
- Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van de artikelen 9, 5/ en 10 van de Regularisatiewet op wettige wijze tot de eerste bestreden beslissing kon komen; dat de verzoekende partij niet op dienstige wijze thans op de gronden van de regularisatieaanvraag kan ingaan; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Derde middel: schending door de bestreden beslissing van artikel 8 van het EVRM Doordat de bestreden beslissing een ernstige en ongeoorloofde inmenging betekent in het recht op privé- en gezinsleven van verzoeker gewaarborgd door artikel 8 van het EVRM wanneer tegenpartij een verzoeker in uitvoering van de eerste bestreden acte een twee acte betekend hierin begrepen een bevel om het grondgebied te verlaten overwegend dat hij naar de grens kan gebracht worden en hiervoor van zijn vrijheid kan beroofd worden. Terwijl artikel 8 van het EVRM het principe poneert van eenieders recht op eerbiediging van zijn privé- en zijn gezinsleven en aldus eenieder beschermt tegen willekeurige inmenging vanwege het openbaar gezag. Dat zowel het samenleven zelf als de plaats waar het gezin verblijft componenten zijn van eenzelfde gezinsleven. Dat paragraaf 2 van dit artikel geen inmenging duldt door de overheid behalve bij de vereniging van de volgende cumulatieve voorwaarden: ze moet conform zijn aan het wettelijke nagestreefde doel in die paragraaf en moet noodzakelijk zijn voor een democratische samenleving. Dat deze laatste voorwaarde betekent dat zij gerechtvaardigd dient te zijn door een imperatief sociaal belang en ondermeer evenredig dient te zijn met het nagestreefde wettelijk doel (EHRM, 13 juli 1995, R.D.E. 1995, nr. 84., p 277; RvSt nr. 61.972, 25 september 1996, R.D.E., 1996, p 755). Dat de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens meermaals benadrukt heeft dat de verwijdering van een vreemdeling, wanneer deze geen familiale of andere banden van sociale integratie in het desbetreffend land vertoont, niet evenredig kan zijn derhalve in buitengewone omstandigheden (EHRM, Arrest Djeroud dd 23 januari 1991, reeks A, nr. 191- B, p 35-36, § 65). Terwijl verzoeker in België aankwam in 1993; dus op 15-jarige leeftijd en sindsdien gescheiden leeft van zijn geboorteland sinds 9 jaar. Dat hij geen enkele sociale binding heeft in XXX. Dat verzoeker na verloop van jaren ons land als het zijne is gaan beschouwen en er duurzame bindingen heeft ontwikkeld. Dat deze lange afwezigheid verzoeker voor ernstige aanpassingsproblemen zou zetten gelet op de moeilijke levensomstandigheden en gebruiken van zijn geboorteland. XIV-10.354-8/11 Dat verzoeker geen enkele beroepskwalificatie heeft gezien hij nooit de kans kreeg om zijn studies te voltooien, wanneer hij verplicht zou worden om naar XXX terug te keren zou dit hem geen enkel toekomstperspectief meer bieden in XXX en zou hij verplicht worden opnieuw zich in dezelfde mensonterende toestand te storten. Dat daarentegen, het leven en werken van verzoeker in België hem toelieten om zijn moeder en zus een soortgelijk leven te besparen, de sociale levensstandaard van deze laatste te verbeteren en hem toekomstperspectieven aan te bieden alsmede een leven conform aan de menselijke waardigheid. Terwijl de weigering tot regularisatie met als gevolg een verwijdering van het grondgebied een inmenging uitmaakt in de privé-sfeer wanneer zij zoals in casu een scheiding van zijn levensnoodzakelijke omgeving en van zijn sociale en affectieve entourage veroorzaakt: (Oordeel van rechter Morenilla, onder EHRM, 13 juli 1995, op cit. p 281). Dat om reden van deze opstapeling van bijzondere omstandigheden - en meer bepaald het verlies van zijn vader in XXX, het verblijf in België sinds zijn adolescentie en de onmogelijkheid om zich nog sociaal te integreren in XXX - verzoeker slechts een minimum van psychologisch en sociaal evenwicht op ons grondgebied kan vinden. Dat hieruit volgt dat de bestreden beslissing niet in verhouding is met het nagestreefde doel door tegenpartij en bijgevolg het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van verzoeker, beschermd door voormeld artikel 8 schendt. Dat bijgevolg het middel gegrond is.”; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Derde middel: schending door de bestreden beslissing van artikel 8 van het EVRM, doordat de bestreden beslissing een ernstige en ongeoorloofde inmenging zou betekenen in het privé en gezinsleven van verzoeker. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat verzoeker de gelegenheid heeft gekregen bij toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk zijn illegaal verblijf te regulariseren. De regelgeving die gepaard gaat met de mogelijkheid voorziet niet de mogelijkheid de procedure de negeren en ondanks het niet-naleven ervan de regularisatie te verkrijgen. De elementen die verzoeker aanvoert ter staving van het derde middel zijn niet bekend aan verwerende partij, minstens niet bij het nemen van de bestreden beslissing en kunnen dan ook van generlei invloed zijn geweest. De grieven die hij put uit de afwezigheid van beoordeling van niet gekende gegevens, zijn evenmin van aard om de uiteindelijke beslissing te beïnvloeden, die zoals blijkt uit hetgeen voorafgaat, werd genomen conform de wet. Ook het derde middel is niet gegrond.”; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Derde middel: schending door de bestreden beslissing van artikel 8 EVRM doordat de bestreden beslissingen een ernstige en ongeoorloofde inmenging betekent in het recht op privé- en gezinsleven van verzoeker. Uiteenzetting Overwegende dat verwerende partij in haar memorie van antwoord onderlijnt dat de elementen die verzoeker ter staving van het derde middel aanvoert niet zijn bekend, of minstens niet bekend waren bij het nemen van de bestreden beslissingen er derhalve geen invloed kunnen gehad hebben. Overwegende dat de onwetendheid over het bestaan van de door de verzoeker aangevoerde elementen het gevolg is van de onregelmatigheid in de betekening van het advies genomen door het Secretariaat. Dat deze betekening immers niet werd gedaan op het door de burgemeester te R. gekend adres. Dat voornoemde onregelmatigheid tot gevolg heeft gehad vat verzoeker zijn standpunt niet heeft kunnen mede delen per aangetekend schrijven aan de verwerende partij binnen de termijn van drie dagen. Dat de betekening door de politie op het bekend adres waar verzoeker woonst heeft gekozen een substantiële vormvoorschrift. Dat deze formaliteit door haar onregelmatigheid XIV-10.354-9/11 alle toekomstige beslissingen bevlekt, zelf de door een onregelmatigheid of illegaliteit bestreden beslissingen waarvoor uw Raad bevoegd is. Dat de door de verzoeker bestreden beslissingen die genomen werden in miskenning van de regularisatiewet nietig moeten verklaard worden daar zij eveneens artikel 8 van het EVRM miskennen. Dat dit derde middel ernstig en gegrond is.”; 3.3.
- Overwegende dat artikel 8 van het E.V.R.M. inhoudt dat eenieder recht heeft op gezinsleven voor zover er geen wettelijke regelingen zijn voorzien die hieraan beperkingen stellen; dat die bepaling niet wegneemt dat de verzoekende partij aan de bepalingen van de Regularisatiewet dient te voldoen om de gevraagde regularisatie te kunnen verkrijgen; dat de gewone opbouw van sociale relaties, zoals door de verzoekende partij aangehaald, niet volstaat om tot de schending van artikel 8 van het E.V.R.M. te besluiten; dat het derde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-10.354-10/11 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-10.354-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.615 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div