← België

Arrest 140615 - - 15/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.615 Rolnummer: A. 122265/XIV-10354 Zaak: Arrest 140615 - - 15/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 07:33 Fiche Arrest nr 140.615 van 15 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 140.615 van 15 februari 2005 in de zaak A. 122.265/XIV-10.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat E. VANGOIDSENHOVEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Veemarkt 80 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 24 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 15 maart 2002 tot weigering van regularisatie en van het bevel om het grondgebied te verlaten van 27 mei 2002; Gelet op het arrest nr. 107.767 van 12 juni 2002 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 26 februari 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 31 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-10.354-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat E. VANGOIDSENHOVEN verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag indient op basis van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat op15 september 2000 het onderzoekssecretariaat van de commissie voor Regularisatie vaststelt dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is en de aanvraag met een negatief advies aan de minister van Binnenlandse Zaken overmaakt; dat op 15 maart 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist de overwegingen van het advies van het onderzoekssecretariaat te volgen en de inhoud ervan te onderschrijven; dat dit de eerste bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “(...) Het Secretariaat van de Commissie voor Regularisatie heeft vastgesteld dat het dossier van uw regularisatieaanvraag, ingediend bij de Burgemeester te R., die het nummer 23812000012700028 draagt, onvolledig was ten aanzien van de vereisten die in artikel 9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk vervat zijn. In toepassing van artikel 12 § 1 van dezelfde wet heeft het Secretariaat van de Commissie met bijgevolg, voor beslissing, een negatief advies omtrent uw aanvraag bezorgd. Het heeft u tezelfdertijd, en nog steeds in toepassing van deze bepaling, eveneens een termijn van drie werkdagen toegestaan om uw standpunt bij aangetekend schrijven uiteen te zetten. Aan deze uitnodiging heeft u geen gevolg gegeven alhoewel ze u rechtsgeldig bezorgd werd in toepassing van artikel 10 van de wet. In deze omstandigheden heb ik, op basis van uw dossier, beslist om het negatief advies van het Secretariaat te volgen en de inhoud ervan, die u als bijlage vindt, te onderschrijven. Conform de artikelen 14 en 17 van de gecoördineerde Wetten op de Raad van State is deze beslissing vatbaar voor een vraag tot schorsing - waarbij eventueel het recht van hoogdringendheid ingeroepen wordt - en voor een beroep tot nietigverklaring bij de afdeling administratie van de Raad van State. Met uitzondering van de vraag tot schorsing bij hoogdringendheid - voor welke de te respecteren termijnen, op straffe van onontvankelijkheid, bepaald worden door de jurisprudentie van de Raad van State - moeten deze beroepen uiterlijk 30 dagen na de kennisgeving van deze beslissing ingediend worden. De dag van de kennisgeving zelf is echter niet in deze termijn begrepen. De beroepen tot nietigverklaring en de vraag tot schorsing zijn afzonderlijke verzoekschriften die gedateerd en ondertekend worden door de verzoeker of door zijn raadsman. De verzoekschriften moeten bij aangetekend schrijven ter post verstuurd worden naar Mijnheer de Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel.”; Overwegende dat op 27 mei 2002 aan de verzoekende partij een bevel wordt betekend om het grondgebied van het Rijk te verlaten geeft; dat dit de tweede bestreden beslissing is; XIV-10.354-2/11
  3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middelen aanvoert tegen het bevel om het grondgebied te verlaten zodat het beroep tegen deze beslissing niet ontvankelijk is; 3.1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Eerste middel: schending van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en van de artikelen 3 van de wet van 29/07/1991 betreffende de formele motivering van daden van bestuur, en schending van de artikelen 10, 12 §1er van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk, schending van artikel 2 van de wet van 11 april 1994 betreffende de publiciteit van de administratie. Doordat de bestreden beslissing de regularisatieaanvraag van verzoeker verwerpt om reden dat bij toepassing van art. 12 § 1, het Secretariaat van de Commissie een negatief advies als beslissing gaf en verzoeker naliet om binnen de wettelijke termijn hierover zijn standpunt bekend te maken. Terwijl art. 12 § 1 benadrukt dat: ‘Wanneer het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vaststelt dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is, zendt het de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de minister. Dit advies wordt ter kennis gebracht van de betrokkene op de wijzen bepaald in de artikelen 10 en
  5. De betrokkene beschikt vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie bedoeld in de voornoemde artikelen over drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de minister, en dit per aangetekende brief.’ Dat bijgevolg de termijn van 3 dagen binnen dewelke verzoeker zijn opmerkingen had kunnen maken aan tegenpartij ten aanzien van het Secretariaat van de Commissie voor Regularisatie ingaat vanaf de betekening van het advies. Terwijl in casu verzoeker nooit de betekening van het negatief advies voor het Secretariaat van de Commissie voor Regularisatie ontvangen heeft. Dat verzoeker dan ook zijn wettelijk recht op bezwaar niet kon uitoefenen binnen de gezegde termijn van drie dagen. Dat bijgevolg bij gebrek aan betekening de termijn om het bezwaar in te dienen nooit kon ingaan. Dat de bestreden beslissing dan ook onwettig is. Terwijl verzoeker geen enkel belang had om het voormelde bezwaar niet te maken gezien hij aan alle wettelijke voorwaarden voldoet om zijn verblijf te zien regulariseren overeenkomstig de wet van 22/12/
  6. Dat verzoeker de nodige ijver aan de dag legde bij de behandeling van zijn regularisatieaanvraag. Dat hij inderdaad op 28 november 2001 telefonisch contact opnam met de Commissie voor Regularisatie die hem informeerde dat het dossier nog steeds ter behandeling voorlag. Dat op 12 december 2001, de raadsman van verzoeker de adreswijziging van zijn cliënt mededeelde zowel aan de Commissie voor Regularisatie als aan het gemeentebestuur van de gemeente R. (stukken 5, 6). Dat daarenboven, op 18 januari en 8 februari 2002, de raadsman van verzoeker de Commissie voor Regularisatie aanschreef teneinde te weten indien het dossier afgehandeld was en/of er een beslissing genomen werd (stukken 7, 8). Dat men dan ook geenszins nalatigheid aan verzoeker kan aanwrijven. Dat de bestreden beslissing van 15.03.2002 aan de gemeente R. gericht was, daar waar de tegenpartij reeds op de hoogte was van de adreswijziging van verzoeker sinds december 2001 en wist dat verzoeker daar niet meer woonde (stukken 5, 6). Dat dit bewijst dat slechts tot een gedeeltelijk onderzoek van het administratief dossier van verzoeker werd overgegaan. Dat hieruit bijgevolg blijkt dat om voormelde redenen de bestreden beslissing onwettig is. Dat bijgevolg, het middel gegrond is.”; XIV-10.354-3/11 3.1.
  7. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Eerste middel: Schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de binnenkomst, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen, en schending van de artikelen 10, 12 § 1 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk alsmede van artikel 2 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, doordat de bestreden beslissing de regularisatieaanvraag van verzoeker verwerpt om reden dat bij toepassing van artikel 12 § 1, het Secretariaat van de Commissie een negatief advies als beslissing gaf en verzoeker naliet binnen de wettelijke termijn hierover zijn standpunt bekend te maken. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat verzoeker naliet zijn adreswijzigingen ten gepaste tijde ter kennis te brengen van de bevoegde instanties, met als gevolg dat hij, zoals hij zelf stelt geen kennis kreeg van het verslag van het onderzoekssecretariaat en er dienvolgens ook niet op reageerde. Het feit dat verzoeker inroept, met name niet te hebben kunnen reageren binnen de bij wet gestelde termijn, is enkel aan hem zelf te wijten. Uit de voorgaande uiteenzetting qua feiten en uit het administratief dossier blijkt dat het negatief advies op 26 september 2000 werd verzonden. De bestreden beslissing werd op 15 maart 2001 verstuurd en verzoeker deed het nodige voor de adreswijziging op 12 december 2001.”; 3.1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Eerste middel: schending van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29/07/1991 betreffende de formele motivering van daden van bestuur, - de artikelen 10, 12 §1er van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk, - van artikel 2 van de wet van 11 april 1994 betreffende de publiciteit van de administratie, doordat de bestreden beslissing de regularisatieaanvraag van verzoeker verwerpt om reden dat bij toepassing van art. 12 § 1, het Secretariaat van de Commissie een negatief advies als beslissing gaf en verzoeker naliet om binnen de wettelijke termijn hierover zijn standpunt bekend te maken. Uiteenzetting Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord beweert dat verzoeker naliet zijn adreswijziging ten gepaste tijd ter kennis te brengen van de gevoegde instanties, met als gevolge dat hij geen kennis kreeg van het verslag van het onderzoekssecretariaat en er dienvolgens ook niet op reageerde. Dat zoals onderlijnd in de feiten en de kritiek van het eerste middel door verwerende partij, werd het negatief advies van het Secretariaat opgestuurd op 26 september 2000 naar de woonst verkozen door verzoeker te R., T.weg 1 en ‘uit het bericht van kennisgeving van 18 oktober 2000 bleek dat het bericht niet aan verzoeker zelf kon worden gegeven daar hij niet in België zou verbleven’. Overwegende dat verzoeker de eer heeft om deze argumentatie te verwerpen. Dat verzoeker immers een aanvraag tot regularisatie ingediend heeft bij de Burgemeester te R., met referentie van woonst: ‘T.weg 1, R.’ (stuk 3). Dat verzoeker zich niettemin aanmeldde op 1 augustus 2000, namelijk voor de betekening van het advies van het Secretariaat, om zijn adreswijziging aan te geven; dit adres was in de volgende termen opgemaakt door de bovenvermelde autoriteit’ XXX (...) feitelijk verblijfplaats : adres: T.weg 17, R.’ (stuk 4). Dat een ambtenaar van de gemeentelijke administratie te R. verklaard heeft aan verzoeker dat de adreswijziging automatisch zou zijn ten opzichte van de Commissie voor Regularisatie. Dat de verzoeker ongeschoold en naïef is. Dat verzoeker geen reden had te twijfelen over de inlichtingen van de door de wet gemachtigde personen en noch over het naleven door de administratieve autoriteiten van de beginselen van goed bestuur. Dat verzoeker in de war werd gebracht door de foutieve informatie van de administratie, het bestaan van een onoverwinnelijke dwaling in hoofde van verzoeker sluit zijn aansprakelijkheid derhalve uit. XIV-10.354-4/11 Overwegende dat krachtens artikel 12 §1 van de bovenvermelde wet van betekening van het advies van het Secretariaat gebeurt door tussenkomst van de gemeentepolitie; dat bovendien de termijn van drie dagen om zijn standpunt, per aangetekende brief, uiteen te zetten aan de minister begin te lopen vanaf de betekening door de politie. Overwegende dat verzoeker de regelmatigheid van de betekening door de politie betwist. Dat de betekening immers werd gedaan op een onjuist adres met name T.weg 1 in plaats van T.weg 17 te R. Dat de gemeente administratie op de hoogte was van de adreswijziging van verzoekster sedert 1 augustus 2000; dat de gemeentelijke administratie derhalve ter goede trouw moest handelen en de briefwisseling van verzoeker niet meer mocht betekenen op zijn oud adres. Dat voortvloeit uit de bovenvermelde uiteenzetting dat de voornoemde onregelmatigheid tot gevolg heeft gehad dat verzoeker zijn standpunt niet heeft kunnen mede delen aan de verwerende partij binnen de termijn van drie dagen. Dat deze onregelmatigheid en onwettelijkheid de betwiste beslissing van een duidelijke onwettelijkheid aantast. Overwegende dat de ontleding van het dossier de nalatigheid van de autoriteiten bevestigt. Dat de betekening van zijn adreswijzigingen immers niet in acht werden genomen (stukken 4 tot 7). Dat voortvloeit uit de voornoemde motieven dat de betwiste beslissingen onwettelijk zijn en dat de bepalingen bedoeld in het middel werden miskend. Dat dit middel ernstig en gegrond is.”; 3.1.
  9. Overwegende, wat betreft de aangevoerde schending van artikel 2 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, dat de verzoekende partij niet het minste element aanvoert waaruit de schending van voornoemd artikel zou blijken; dat het middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende dat de bestreden beslissing is genomen na een regularisatieaanvraag op grond van de Regularisatiewet; dat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen op dergelijke procedures niet van toepassing is; dat de schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet derhalve niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; XIV-10.354-5/11 Overwegende dat uit de artikelen 9, 5/ en 10 van de Regularisatiewet blijkt dat de aanvrager elke adreswijziging onmiddellijk per aangetekende brief moet meedelen aan de commissie voor Regularisatie en aan de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; dat krachtens artikel 11 van de Regularisatiewet de niet-gerechtvaardigde afwezigheid van de aanvrager op de in artikel 10 bedoelde oproeping automatisch leidt tot een negatieve beslissing; dat uit deze bepaling blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken over geen enkele beoordelingsbevoegdheid meer beschikt van zodra de niet-gerechtvaardigde afwezigheid wordt vastgesteld; dat de verzoekende partij de vaststelling van de minister van Binnenlandse Zaken, dat zij heeft nagelaten haar adreswijziging te gepasten tijde aan de bevoegde instanties ter kennis te brengen, niet betwist, noch weerlegt; dat zij betoogt dat er in haren hoofde een onoverwinnelijke dwaling bestaat die haar aansprakelijkheid uitsluit, zonder haar betoog evenwel te staven met concrete elementen; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Tweede middel: schending van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, schending van de artikelen 2, 4/ en 9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk, manifeste dwaling in de appreciatie. Doordat tegenpartij tot het besluit komt dat een negatief advies dient gegeven te worden ten aanzien van de regularisatieaanvraag van verzoeker. Terwijl door het indienen van een aanvraag tot regularisatie op basis van de wet van 22 december 1999, verzoeker de realiteit van de duurzame sociale bindingen en de humanitaire omstandigheden die hem met België verbinden wilde aantonen. Terwijl om duurzame sociale banden te bewijzen in de zin van art. 2, 4/ van de wet van 22/12/1999, art. 9, 9/ van deze wet drie manieren voorziet om dit te doen: het bewijs van een verblijf van meer dan 6

(5)jaar en/of het bewijs dat de vreemdeling wettig in België verbleef en/of de schriftelijke verklaring van nooit een bevel om het grondgebied te verlaten te hebben ontvangen de laatste 5 jaar voorafgaand aan zijn regularisatieaanvraag. Dat volgens de minister van Binnenlandse Zaken tijdens de voorbereidende werkzaamheden: ‘Dat vanuit een logisch standpunt de combinatie en/of een dubbele betekenis heeft. Zij betekent ofwel ‘of’ en in dit geval volstaat één voorwaarde, oftewel ‘en’ wat betekent dat geen van beide voorwaarden uitgesloten. Het volstaat dus in feite dat aan één van deze drie voorwaarden voldaan wordt, maar de eerste voorwaarden wordt ontegensprekelijk als de belangrijkste’ (Kamer, Wetsontwerp, Doc 0234/005, Rapport fait au nom de la Commission de l’Intérieur, des Affaires générales et de la fonction publique, Doc, Parl. p. 89). Dat trouwens een verblijf van meer dan 5 of 6 jaar volgens de minister van Binnenlandse Zaken, reeds op zich een ‘sterk en doorslaggevend vermoeden van duurzame sociale bindingen te hebben ontwikkeld’ uitmaakt (Kamer, Rapport, p 61). Dat dit bevestigd werd door de rechtspraak van de kamers van de Commissie voor Regularisatie die beschouwen dat: ‘De duurzame sociale bindingen en de humanitaire redenen vermoed worden wanneer een bepaalde duur van verblijf bewezen wordt. Gezien het lange verblijf in België kan men redelijkerwijze vermoeden dat duurzame sociale bindingen zich ontwikkeld hebben op dusdanige wijze dat de persoon wiens toestand op het gebied van verblijf onzeker is in een humanitaire situatie terechtkomt’ (P.V. van de Algemene Vergadering van 18/11/2000, p 2). Dat wat belangrijk is zoals J.Y. Carlier het aanhaalt: ‘Het blijkt dat het algemeen criterium van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen hoofdzakelijk kan geïnterpreteerd worden als een criterium van verblijfsduur in België van 5 of 6 jaar. Deze duur staat toe een zekere sociale integratie te vermoeden (...) XIV-10.354-6/11 Een soort van dialectiek ontstaat hier tussen twee aanverwante factoren: hoe langer de verblijfsduur, hoe minder de sociale integratie dient bewezen te (...)’ (J.Y. Carlier, ‘Wet op de regularisatie van vreemdelingen’ J.T. 2000, nr. 5954, p 81). Dat daar waar trouwens naast de kant van de verblijfsduur, wat het overheersend element is, (Senaat, rapport fait au nom de la Commission de l’Intérieur et des affaries administratives, session, 1999-2000, doc 2-203/3, Doc, parl., p 5), de voorbereidende werkzaamheden meerdere voorbeelden van duurzame sociale bindingen aangehaald hebben. Dat bij deze voorbeelden o.a. als duurzame sociale bindingen beschouwd worden; de getuigenissen uit dewelke voorkomt dat de vreemdeling sociale relaties ontwikkeld heeft, het werken, het feit van belastingen of sociale lasten te betalen, de kennis van of de wil om een van de landstalen machtig te zijn, een moeilijke familiale of persoonlijke situatie ... (P.V. Algemene Vergadering van de Kamers, op cit. p 4). Terwijl verzoeker van mening is dat aan alle wettelijke voorwaarden voldaan is om zijn verblijf te regulariseren op basis van art. 2, 4/ van de wet van 22/12/
  1. Dat hij inderdaad bij zijn dossier een reeks stukken voegt die wel degelijk zijn ononderbroken verblijf van meer dan zes jaar zijn duurzame sociale bindingen alsmede de humanitaire omstandigheden bewijzen (stukken 8 e.v;). Dat deze humanitaire omstandigheden verbonden zijn aan de sociale, economische en familiale situatie van verzoeker. Dat bijgevolg gelet op de ernstige en moeilijke humanitaire toestand van verzoeker, tegenpartij onmogelijk kon besluiten tot een negatief advies zonder een klaarblijkelijke beoordelingsfout te hebben begaan. Dat om voormelde reden deze bestreden beslissingen onredelijk, onevenredelijk en bijgevolg onwettig zijn. Dat bijgevolg, het middel gegrond is.”; 3.2.
  2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Tweede middel: schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de binnenkomst, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, schending van de artikelen 2, 4/ en 9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, manifeste dwaling in de appreciatie, doordat het onderzoekssecretariaat tot het besluit komt dat een negatief advies dient gegeven te worden ten aanzien van de regularisatieaanvraag van verzoeker. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat het onderzoekssecretariaat een analyse maakte van het dossier op basis van de aanvraag en de bijgevoegde stukken en terecht tot de vaststelling kwam dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden om tot regularisatie te worden toegelaten. Er werd zelfs geen aanwijzing gevonden qua verblijf op 1 oktober 1999 en er waren evenmin aanwijzingen qua duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen, laat staan een bewijs van langdurig verblijf. De argumenten die verzoeker vooralsnog aanbrengt ter gelegenheid van het annulatieverzoek, zijn feitelijke gegevens die niet ter zake zijn en binnen de drie dagen na de kennisgeving van het advies van het onderzoekssecretariaat eventueel dienstig waren geweest. Het tweede middel is per se niet gegrond.”; 3.2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Tweede middel: schending van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, schending van de artikelen 2, 4/ en 9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk, manifeste beoordelingsfout, doordat tegenpartij tot het besluit komt dat een negatief advies dient gegeven te worden ten aanzien van de regularisatieaanvraag van verzoeker. Uiteenzetting XIV-10.354-7/11 Overwegende dat verwerende partij in haar memorie van antwoord verklaart dat volgens de ontleding van het Secretariaat van de Commissie voor Regularisatie verzoeker de voorwaarden tot toepassing van de regularisatie niet verenigt. Dat verwerende partij bovendien eveneens onderlijnt dat de feiten voorgelegd door verzoeker ter ondersteuning van zijn beroep tot nietigverklaring ‘niet ter zake zijn en binnen de drie dagen na de kennisgeving van het advies van het onderzoekssecretariaat eventueel dienstig waren geweest’. Overwegende dat de door verzoeker neergelegde stukken voldoende bewijzen dat hij aan de wettelijke voorwaarden voldeed om van de regularisatie te genieten. Dat verzoeker er alle belang bij had om binnen de drie wettelijke dagen zijn opmerkingen en stukken mede te delen. Dat geen enkele nalatigheid verweten kan worden aan verzoeker. Dat de stukken in bijlage van het beroep tot nietigverklaring als bewijs zouden kunnen gebruikt geweest zijn indien de betekening juist had geweest. Dat derhalve rekening dient gehouden te worden met dit stuk. Dat voortvloeit uit de voornoemde motieven dat de betwiste beslissingen onwettelijk zijn en dat de bepalingen bedoeld in het middel werden miskend. Dat dit tweede middel ernstig en gegrond is.”; 3.2.
  4. Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van de artikelen 9, 5/ en 10 van de Regularisatiewet op wettige wijze tot de eerste bestreden beslissing kon komen; dat de verzoekende partij niet op dienstige wijze thans op de gronden van de regularisatieaanvraag kan ingaan; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 3.3.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Derde middel: schending door de bestreden beslissing van artikel 8 van het EVRM Doordat de bestreden beslissing een ernstige en ongeoorloofde inmenging betekent in het recht op privé- en gezinsleven van verzoeker gewaarborgd door artikel 8 van het EVRM wanneer tegenpartij een verzoeker in uitvoering van de eerste bestreden acte een twee acte betekend hierin begrepen een bevel om het grondgebied te verlaten overwegend dat hij naar de grens kan gebracht worden en hiervoor van zijn vrijheid kan beroofd worden. Terwijl artikel 8 van het EVRM het principe poneert van eenieders recht op eerbiediging van zijn privé- en zijn gezinsleven en aldus eenieder beschermt tegen willekeurige inmenging vanwege het openbaar gezag. Dat zowel het samenleven zelf als de plaats waar het gezin verblijft componenten zijn van eenzelfde gezinsleven. Dat paragraaf 2 van dit artikel geen inmenging duldt door de overheid behalve bij de vereniging van de volgende cumulatieve voorwaarden: ze moet conform zijn aan het wettelijke nagestreefde doel in die paragraaf en moet noodzakelijk zijn voor een democratische samenleving. Dat deze laatste voorwaarde betekent dat zij gerechtvaardigd dient te zijn door een imperatief sociaal belang en ondermeer evenredig dient te zijn met het nagestreefde wettelijk doel (EHRM, 13 juli 1995, R.D.E. 1995, nr. 84., p 277; RvSt nr. 61.972, 25 september 1996, R.D.E., 1996, p 755). Dat de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens meermaals benadrukt heeft dat de verwijdering van een vreemdeling, wanneer deze geen familiale of andere banden van sociale integratie in het desbetreffend land vertoont, niet evenredig kan zijn derhalve in buitengewone omstandigheden (EHRM, Arrest Djeroud dd 23 januari 1991, reeks A, nr. 191- B, p 35-36, § 65). Terwijl verzoeker in België aankwam in 1993; dus op 15-jarige leeftijd en sindsdien gescheiden leeft van zijn geboorteland sinds 9 jaar. Dat hij geen enkele sociale binding heeft in XXX. Dat verzoeker na verloop van jaren ons land als het zijne is gaan beschouwen en er duurzame bindingen heeft ontwikkeld. Dat deze lange afwezigheid verzoeker voor ernstige aanpassingsproblemen zou zetten gelet op de moeilijke levensomstandigheden en gebruiken van zijn geboorteland. XIV-10.354-8/11 Dat verzoeker geen enkele beroepskwalificatie heeft gezien hij nooit de kans kreeg om zijn studies te voltooien, wanneer hij verplicht zou worden om naar XXX terug te keren zou dit hem geen enkel toekomstperspectief meer bieden in XXX en zou hij verplicht worden opnieuw zich in dezelfde mensonterende toestand te storten. Dat daarentegen, het leven en werken van verzoeker in België hem toelieten om zijn moeder en zus een soortgelijk leven te besparen, de sociale levensstandaard van deze laatste te verbeteren en hem toekomstperspectieven aan te bieden alsmede een leven conform aan de menselijke waardigheid. Terwijl de weigering tot regularisatie met als gevolg een verwijdering van het grondgebied een inmenging uitmaakt in de privé-sfeer wanneer zij zoals in casu een scheiding van zijn levensnoodzakelijke omgeving en van zijn sociale en affectieve entourage veroorzaakt: (Oordeel van rechter Morenilla, onder EHRM, 13 juli 1995, op cit. p 281). Dat om reden van deze opstapeling van bijzondere omstandigheden - en meer bepaald het verlies van zijn vader in XXX, het verblijf in België sinds zijn adolescentie en de onmogelijkheid om zich nog sociaal te integreren in XXX - verzoeker slechts een minimum van psychologisch en sociaal evenwicht op ons grondgebied kan vinden. Dat hieruit volgt dat de bestreden beslissing niet in verhouding is met het nagestreefde doel door tegenpartij en bijgevolg het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van verzoeker, beschermd door voormeld artikel 8 schendt. Dat bijgevolg het middel gegrond is.”; 3.3.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Derde middel: schending door de bestreden beslissing van artikel 8 van het EVRM, doordat de bestreden beslissing een ernstige en ongeoorloofde inmenging zou betekenen in het privé en gezinsleven van verzoeker. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat verzoeker de gelegenheid heeft gekregen bij toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk zijn illegaal verblijf te regulariseren. De regelgeving die gepaard gaat met de mogelijkheid voorziet niet de mogelijkheid de procedure de negeren en ondanks het niet-naleven ervan de regularisatie te verkrijgen. De elementen die verzoeker aanvoert ter staving van het derde middel zijn niet bekend aan verwerende partij, minstens niet bij het nemen van de bestreden beslissing en kunnen dan ook van generlei invloed zijn geweest. De grieven die hij put uit de afwezigheid van beoordeling van niet gekende gegevens, zijn evenmin van aard om de uiteindelijke beslissing te beïnvloeden, die zoals blijkt uit hetgeen voorafgaat, werd genomen conform de wet. Ook het derde middel is niet gegrond.”; 3.3.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Derde middel: schending door de bestreden beslissing van artikel 8 EVRM doordat de bestreden beslissingen een ernstige en ongeoorloofde inmenging betekent in het recht op privé- en gezinsleven van verzoeker. Uiteenzetting Overwegende dat verwerende partij in haar memorie van antwoord onderlijnt dat de elementen die verzoeker ter staving van het derde middel aanvoert niet zijn bekend, of minstens niet bekend waren bij het nemen van de bestreden beslissingen er derhalve geen invloed kunnen gehad hebben. Overwegende dat de onwetendheid over het bestaan van de door de verzoeker aangevoerde elementen het gevolg is van de onregelmatigheid in de betekening van het advies genomen door het Secretariaat. Dat deze betekening immers niet werd gedaan op het door de burgemeester te R. gekend adres. Dat voornoemde onregelmatigheid tot gevolg heeft gehad vat verzoeker zijn standpunt niet heeft kunnen mede delen per aangetekend schrijven aan de verwerende partij binnen de termijn van drie dagen. Dat de betekening door de politie op het bekend adres waar verzoeker woonst heeft gekozen een substantiële vormvoorschrift. Dat deze formaliteit door haar onregelmatigheid XIV-10.354-9/11 alle toekomstige beslissingen bevlekt, zelf de door een onregelmatigheid of illegaliteit bestreden beslissingen waarvoor uw Raad bevoegd is. Dat de door de verzoeker bestreden beslissingen die genomen werden in miskenning van de regularisatiewet nietig moeten verklaard worden daar zij eveneens artikel 8 van het EVRM miskennen. Dat dit derde middel ernstig en gegrond is.”; 3.3.
  8. Overwegende dat artikel 8 van het E.V.R.M. inhoudt dat eenieder recht heeft op gezinsleven voor zover er geen wettelijke regelingen zijn voorzien die hieraan beperkingen stellen; dat die bepaling niet wegneemt dat de verzoekende partij aan de bepalingen van de Regularisatiewet dient te voldoen om de gevraagde regularisatie te kunnen verkrijgen; dat de gewone opbouw van sociale relaties, zoals door de verzoekende partij aangehaald, niet volstaat om tot de schending van artikel 8 van het E.V.R.M. te besluiten; dat het derde middel ongegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-10.354-10/11 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-10.354-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.615 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.