id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.635 Rolnummer: A. 74344/XII-779 Zaak: Arrest 140635 - - 15/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-23 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 07:34 Fiche Arrest nr 140.635 van 15 februari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.635 van 15 februari 2005 in de zaak A. 74.344/XII-
- In zake : Christiane RENARD, die woonplaats kiest bij advocaat J.-P. Lagasse, kantoor houdende te Brussel, de Jamblinne de Meuseplein 41 tegen : de STAD VILVOORDE. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christiane Renard op 14 mei 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 maart 1997 van de gemeenteraad van Vilvoorde in zoverre het de artikelen 13.30 en 13.38 van het algemeen politiereglement vaststelt; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van verzoekster; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 24 juli 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-779-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Vermer, die verschijnt voor verzoekster; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gemeenteraad van Vilvoorde op 17 maart 1997 beslist hoofdstuk XIII, Markten, van het algemeen politiereglement te wijzigen; dat, onder A. Openbare markten, in artikel 13.30 wordt bepaald : “De plaatselijke diensten gebruiken uitsluitend het Nederlands. Op de particulieren en bedrijven die conform huidig reglement een standplaats uitbaten op één van de in artikel 1 van het reglement op de openbare markten, bedoelde markten, is artikel 3 van het decreet van de Vlaamse Raad d.d. 30 juni 1981 inzake het gebruik der talen van toepassing. Zij gebruiken uitsluitend het Nederlands in hun betrekkingen met de plaatselijke diensten”; dat, onder B. Occasionele Markten, in artikel 13.38 wordt voorgeschreven : “De plaatselijke diensten gebruiken uitsluitend het Nederlands. Op de particulieren en bedrijven die conform huidig reglement een standplaats uitbaten op een occasionele markt, is artikel 3 van het decreet van de Vlaamse Raad d.d. 30 juni 1981 inzake het gebruik der talen van toepassing. Zij gebruiken uitsluitend het Nederlands in hun betrekkingen met de plaatselijke diensten”;
- Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord vraagt het beroep onontvankelijk te verklaren “bij ontstentenis van motivering van het vereiste belang” en omdat dit belang “trouwens” niet voorhanden is; dat in de eerste plaats wordt toegelicht dat verzoekster “enkel en alleen haar hoedanigheid meedeelt zonder haar belang te motiveren of te omschrijven”; dat verwerende partij voorts betoogt dat verzoeksters belang ontoereikend is, nu zij “zeker geen kennis geeft van het voordeel welk zij (persoonlijk) zou kunnen putten uit de vernietiging van de bestreden bepalingen”; Overwegende dat verzoekster blijkens het verzoekschrift een Franstalige kaashandelaarster is, gedomicilieerd te Brussel, op openbare markten staat en onder meer de inhoud van haar zolder op de rommelmarkt van Vilvoorde wil verkopen; dat zij een attest voorlegt van de gemeente Watermaal-Bosvoorde XII-779-2/7 waaruit blijkt dat zij er regelmatig een standplaats op de zondagsmarkt inneemt; dat zij ook de kaart voor het uitoefenen van ambulante activiteiten bijbrengt die haar vanwege het ministerie van Middenstand en Landbouw werd uitgereikt; dat hiermee, gelet op de precieze inhoud van de bestreden reglementaire bepalingen, verzoekster geacht kan worden haar belang bij onderhavig annulatieberoep voldoende duidelijk omschreven en aangetoond te hebben; dat de exceptie verworpen wordt;
- Overwegende dat verwerende partij in een tweede exceptie betwist dat de bestreden artikelen voor vernietiging vatbaar zijn; dat zij uiteenzet dat de artikelen zuiver declaratief zijn, dat zij niet beogen de heersende rechtsorde te wijzigen en geen bijkomende rechtsgevolgen doen ontstaan, dat zij er alleen toe strekken het bestaan van bepaalde rechtsgevolgen vast te stellen en de bestaande reglementering inzake taalgebruik in bestuurszaken te bevestigen; Overwegende dat verzoekster dat tegenspreekt en integendeel doet gelden dat de aangevochten voorschriften niet louter verwijzen naar de bestaande regelgeving, maar ze uitbreiden, reden waarom in een eerste middel bevoegdheids- overschrijding wordt aangevoerd; dat de beoordeling van de exceptie samenvalt met die van de grond van de zaak;
- Overwegende dat de gemeenteraad op 6 december 1999 tot een nieuwe wijziging van hoofdstuk XIII van het algemeen politiereglement beslist; dat de gemeenteraad de voorschriften van artikel 13.30 en 13.38 onveranderd behoudt, maar ze onderbrengt onder artikel 13.23, respectievelijk 13.30; dat verzoekster terecht vraagt haar beroep dienovereenkomstig uit te breiden; 5.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel aanvoert dat, gelet op artikel 30 van de Grondwet, het gebruik van de talen slechts door de wet kan worden geregeld, dat de bestreden bepalingen evenwel uitgaan van de gemeenteraad van Vilvoorde, dat zij niet er toe beperkt zijn aan te duiden welk normatief voorschrift toepasselijk is, maar eensdeels het principe poneren dat de plaatselijke diensten uitsluitend het Nederlands gebruiken en anderdeels het toepassingsgebied “ratione personae” van het decreet van 30 juni 1981 uitbreiden, door de toepassing ervan voor te schrijven op particulieren en bedrijven die een standplaats uitbaten op de markt, ongeacht hun woon- of vestigingsplaats; XII-779-3/7 Overwegende dat de verwerende partij in de eerste plaats “bevestigt” dat zij niet over de bevoegdheid beschikt om het taalgebruik te regelen en dat zij zulks ook “op geen enkel ogenblik” heeft willen doen; dat zij vervolgens, aangaande de bepaling waarin het principe wordt gesteld dat de plaatselijke diensten uitsluitend het Nederlands gebruiken, wezenlijk opmerkt dat het om een “declaratieve rechtshandeling” gaat, gebaseerd op de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, en dat het ten gevolge van die wetten is dat “de nodige formaliteiten, teneinde te kunnen deelnemen aan een markt[,] en de contacten met de overheidsdiensten op deze markt zelf, uitsluitend in het Nederlands geschieden”; dat verwerende partij ten slotte tegenwerpt dat zij geenszins het toepassingsgebied van het decreet van 30 juni 1981 uitbreidt tot al de personen die wensen deel te nemen aan een markt, ongeacht waar zij gevestigd zouden zijn, dat de uitdrukkelijke verwijzing in de bestreden bepalingen juist “nogmaals” bevestigt dat de bepalingen een declaratieve bestuurshandeling zijn, dat de uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 3 van het decreet impliceert dat een opdeling moet worden gemaakt naargelang de (potentiële) deelnemers aan een markt al dan niet gevestigd zijn in een gemeente zonder speciale taalregeling uit het Nederlands taalgebied, dat aldus verzoekster, die in Brussel woont, niet geviseerd wordt, dat zij dan ook zonder belang bij de vernietiging van de bepalingen is, omdat haar niet de verplichtingen van het decreet van 30 juni 1981 worden opgelegd “bij ontstentenis te ressorteren onder het toepassingsgebied van artikel 3 van eenzelfde Decreet”; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat de verhoudingen tussen eensdeels de deelnemers aan de openbare markten en rommelmarkten en anderdeels de plaatselijke diensten geregeld worden door de gecoördineerde wetten betreffende het gebruik van de talen in bestuurszaken, onder meer artikel 12, eerste lid, ervan, en door het decreet van 30 juni 1981 van de Vlaamse Raad inzake het gebruik der talen, en dat de verwerende partij haar bevoegdheden manifest te buiten is gegaan door het gebruik van de talen te regelen, terwijl artikel 30 van de Grondwet die bevoegdheid aan de wetgever voorbehoudt; 5.2.
- Overwegende dat volgens artikel 30 van de Grondwet het gebruik van de talen vrij is, en niet kan worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken; dat overeenkomstig artikel 129, § 1, 1/, van de Grondwet het gebruik van de talen voor de bestuurszaken, bij decreet wordt geregeld door de raden van de Vlaamse en de XII-779-4/7 Franse Gemeenschap; dat, gelet op artikel 129, § 2, deze decreten kracht van wet hebben in het Nederlands, respectievelijk Frans taalgebied, uitgezonderd wat betreft onder andere de zogenaamde “faciliteitengemeenten”; Overwegende dat het aldus alleen de wet- of de decreetgever toekomt de taalvrijheid te beperken; dat verwerende partij daar niet toe bevoegd zou zijn; dat zij dat allerminst betwist; dat zij integendeel uitdrukkelijk doet gelden met de bestreden bepalingen geen eigen beperkingen te hebben willen stellen of te hebben gesteld, maar uitsluitend te hebben verwezen naar bestaande wettelijke of decretale beperkingen en die te hebben bevestigd; dat bijgevolg de overeenstemming moet worden onderzocht van de bestreden bepalingen met die beperkingen; 5.2.
- Overwegende dat de aangevochten artikelen in hun eerste zin zonder meer stellen: “De plaatselijke diensten gebruiken uitsluitend het Nederlands”; dat, anders dan verwerende partij meent, het voorschrift in zijn principiële algemeenheid verder reikt dan de wetten betreffende het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1966, waarvan artikel 12, eerste lid, immers luidt : “Iedere plaatselijke dienst, die in het Nederlandse, het Franse of het Duitse taalgebied is gevestigd, gebruikt uitsluitend de taal van zijn gebied van zijn betrekkingen met de particulieren, onverminderd de mogelijkheid die hem gelaten wordt aan de particulieren, die gevestigd zijn in een ander taalgebied, te antwoorden in de taal waarvan de betrokkenen zich bedienen”; Overwegende dat het al dan niet gebruiken van de mogelijkheid door de plaatselijke diensten om inzake hun betrekkingen met particulieren die gevestigd zijn in een ander taalgebied, te antwoorden in de taal waarvan de betrokkenen zich bedienen, door die diensten geval per geval, in concreto, moet worden beoordeeld; dat, door die mogelijkheid bij algemene regel uit te sluiten, de verwerende partij in een bijkomende regeling van het gebruik van de talen heeft voorzien; dat zij daar niet toe bevoegd is; 5.2.
- Overwegende, voorts, dat de aangevochten artikelen in hun tweede zin bepalen dat artikel 3 van het decreet van 30 juni 1981 van de Vlaamse Raad inzake het gebruik der talen van toepassing is op de particulieren en bedrijven die een standplaats uitbaten op de openbare of occasionele markt; dat het artikel 3 van bedoeld decreet houdende aanvulling van de artikelen 12 en 33 van de bij XII-779-5/7 koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken wat betreft het gebruik van de talen in de betrekkingen tussen de bestuursdiensten van het Nederlands taalgebied en de particulieren, luidt als volgt : “De particulieren, bedrijven inbegrepen, gevestigd in een gemeente zonder speciale taalregeling uit het Nederlands taalgebied, gebruiken uitsluitend het Nederlands in hun betrekkingen met de in artikel 2 bedoelde diensten”; Overwegende dat, louter op zich beschouwd, de tweede zin van de bestreden artikelen aldus begrepen zou kunnen worden dat ze slechts het artikel 3 van het decreet van 30 juni 1981 in herinnering brengt voor zoveel dat artikel van toepassing is, namelijk alleen in zoverre de particulieren en bedrijven die een standplaats op de markt uitbaten, gevestigd zijn in een gemeente zonder speciale taalregeling uit het Nederlands taalgebied; dat de betrokken zinnen op die wijze bekeken louter declaratief zouden zijn; Overwegende evenwel dat het niet opgaat de zinnen in kwestie “op zich” te beschouwen, aangezien ze niet “op zich” staan; dat er telkens een derde zin bij aansluit, die voorschrijft dat “zij” -de particulieren en bedrijven die een standplaats op de markt uitbaten, zonder enig onderscheid naargelang van waar zij gevestigd zijn- “uitsluitend het Nederlands [gebruiken] in hun betrekkingen met de plaatselijke diensten”; dat in dit licht de laatste twee zinnen van de bestreden artikelen er klaarblijkelijk op neerkomen het gebruik van het Nederlands in de betrekkingen met de plaatselijke diensten voor te schrijven aan alle particulieren en bedrijven die een standplaats uitbaten, óók als ze -zoals verzoekster- niet gevestigd zijn in een gemeente zonder speciale taalregeling uit het Nederlands taalgebied; dat verwerende partij hiermee toevoegt aan de regeling van het gebruik van de talen waarin artikel 3 van het decreet van 30 juni 1981 voorziet; dat zij daar niet toe bevoegd is; 5.2.
- Overwegende, samenvattend, dat de bestreden artikelen voor vernietiging vatbaar zijn en, voorts, dat het eerste middel gegrond is, XII-779-6/7 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden het besluit van 17 maart 1997 van de gemeenteraad van Vilvoorde in zoverre het de artikelen 13.30 en 13.38 van het algemeen politiereglement vaststelt, en het besluit van 6 december 1999 van de gemeenteraad van Vilvoorde in zoverre het de artikelen 13.23 en 13.30 van het algemeen politiereglement vaststelt. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-779-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.635 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.