← België

Arrest 140646 - - 15/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.646 Rolnummer: Zaak: Arrest 140646 - - 15/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-25 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 07:37 Fiche Arrest nr 140.646 van 15 februari 2005 - Beslissing : Verwerping heropening debatten Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.646 van 15 februari 2005 in de zaken A. 100.449/XII-2949. A. 106.902/XII-3192. In zake : Gerbrand TÜCK, wonende te Mechelen, Paardenkerkhofstraat 228 tegen : de STAD ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. De Block, kantoor houdende te Antwerpen, Vlaamse Kaai 54-57. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerbrand Tück op 14 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 november 2000 van de gemeenteraad van de stad Antwerpen, tot bekrachtiging van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur “tijdens het schooljaar 1999-2000 en uiterlijk tot en met 30 juni 2000” als leraar aan het stedelijk polytechnisch instituut ten belope van 11 uren ter vervanging van een afwezige leerkracht en ten belope van 11 uren in een open plaats, alsmede de nietigverklaring van de volgende uit die beslissing blijkende weigeringen: ten eerste, de weigering om hem aan te stellen “tot en met 31 augustus 2000”, ten tweede, de weigering om hem “met ingang van 1 september 1999, minstens met ingang van 1 januari 2000 ten belope van 11 uren vast te benoemen in de vacante betrekking waarvoor [hij] tijdelijk werd aangesteld voor doorlopende duur” en, ten derde, de weigering om hem “met ingang van 1 september 1999, minstens met ingang van 1 januari 2000 vast te benoemen in de hoedanigheid van leraar secundair onderwijs in één of meer van de betrekkingen, zoals vermeld in [zijn] aanvraag voor vaste benoeming met ingang van 1 januari 2000” (zaak A.100.449/XII-2949); Gezien het verzoekschrift dat Gerbrand Tück op 18 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de “impliciete weigering van XII-2949-1/12 het gemeentebestuur van de stad Antwerpen” om hem “met ingang van de ingangsdatum van het hem gegeven ontslag te reïntegreren als gesubsidieerd lid van het onderwijzend personeel van het gesubsidieerd stedelijk onderwijs, in het ambt van leraar (secundair onderwijs)” en in ondergeschikte orde, van de “impliciete weigering [...] om uitdrukkelijk te beschikken over het advies van de Kamer van Beroep voor het gesubsidieerd officieel onderwijs waarbij het aan verzoeker gegeven ontslag als onrechtmatig gekwalificeerd wordt” (zaak A. 106.902/XII- 3192); Gezien in de beide zaken de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag over de beide zaken, opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikkingen van 13 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker voor de beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 19 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat V. Schippers, die loco advocaat M. De Bock verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht in de zaak A. 100.449/XII-2949; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht in de zaak A. 106.902/XII-3192; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; XII-2949-2/12 XII-2949-3/12 1. Over de procedure. 1.1. Overwegende dat het passend is, in het belang van de goede rechtsgang, beide vorderingen samen te voegen; 1.2. Overwegende dat verzoeker in de eerste zaak de ontvankelijkheid van de memorie van antwoord betwist; dat hij opmerkt niet te kunnen instemmen met interpretaties “volgens dewelke een advocaat (

  1. a)juris et de jure moet worden vermoed een mandaat ad litem te hebben om proceshandelingen namens een administratieve overheid te stellen; (
  2. b)juris tantum wordt vermoed een mandaat ad litem te hebben om proceshandelingen namens een administratieve overheid te stellen en de Raad van State slechts ingaat op de exceptie van ongeldige vertegenwoordiging voor zover hij elementen aanbrengt die het vermoeden kunnen ontkrachten”, dat hij argumenteert dat de regels inzake vertegenwoordiging in rechte van een administratieve overheid bevoegdheidsregels zijn en de openbare orde raken zodat van een verzoeker niet kan worden verwacht dat hij het negatieve bewijs levert, dat hij vaststelt dat het administratief dossier geen enkele aanwijzing bevat dat het college “binnen de gestelde termijn beslist heeft om zich in rechte te verdedigen in het kader van de huidige vordering [en] meester M. De Block [...] met een mandaat heeft belast”; Overwegende dat naar luid van artikel 270, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, het college van burgemeester en schepenen als verweerder optreedt bij elke tegen de gemeente ingestelde rechtsvordering; dat de memorie van antwoord is ingediend voor “stad Antwerpen, Vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen [...] verwerende partij die woonst kiest bij haar raadsman Mr. M. De Block” en is ondertekend “Voor het Bestuur Haar raadsman Mr M. De Block”; dat overeenkomstig artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, partijen zich mogen laten vertegenwoordigen door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der advocaten; dat in casu een dergelijke advocaat als de raadsman van de stad de genoemde memorie van antwoord binnen de daartoe gestelde termijn heeft ingediend namens de stad, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, en hierbij het administratief dossier heeft gevoegd; dat een advocaat geacht wordt regelmatig zijn cliënten in rechte te vertegenwoordigen; dat te dezen geen elementen voorhanden zijn die dit vermoeden zouden weerleggen; dat er dan ook niet kan worden ingegaan op de genoemde vordering van verzoeker; XII-2949-4/12 1.3. Overwegende dat verzoeker nog betoogt dat de Raad van State het administratief dossier in de eerste zaak niet mag ontvangen, omdat het is toegestuurd naar aanleiding van een onontvankelijk proceduregeschrift; dat uit wat voorafgaat volgt dat die zienswijze vertrekt van een verkeerd uitgangspunt; 2. Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de feitelijke toedracht kan worden samengevat als volgt : Verzoeker is sedert 12 december 1990 tijdelijk aangesteld in diverse betrekkingen van leraar in het stedelijk onderwijs van de stad Antwerpen, zo ook tijdens het schooljaar 1999-2000. Op 6 april 2000 beslist het college van burgemeester en schepenen om verzoeker overeenkomstig artikel 24 van het toepasselijke rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 te ontslaan als leraar aan het stedelijk polytechnisch instituut. De gemeenteraad bekrachtigt dit besluit op 2 mei 2000. Op 16 mei 2000 tekent verzoeker tegen dit ontslag bezwaar aan bij de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs. Op 11 oktober 2000 beslist de kamer van beroep dat verzoeker onrechtmatig werd ontslagen. Op 13 november 2000 bekrachtigt de gemeenteraad de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van verzoeker als leraar “tijdens het schooljaar 1999-2000 en uiterlijk tot en met 30 juni 2000”, ten belope van 11 uren ter vervanging van een afwezige leraar en ten belope van 11 uren in een open plaats. Op 18 december 2000 richt de syndicale organisatie van verzoeker aan het stadsbestuur een omstandig schrijven, waarin finaal verzocht wordt om “retroactieve reconstitutie van de administratieve loopbaan” van verzoeker, waarbij het advies van de kamer van beroep in rekening zou worden gebracht en “de inrichtende macht het aanstellingsbesluit van 13 november 2000 zou vervangen door een correcte beslissing”. Tot slot wordt het bestuur gewezen “op het feit dat dit XII-2949-5/12 schrijven moet worden beschouwd als een aanmaning in de zin van artikel 14, § 3, eerste volzin, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State”. Op 30 mei 2001 beslist het college van burgemeester en schepenen aan de gemeenteraad voor te stellen de tijdelijke aanstelling van verzoeker te bekrachtigen “van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2000”, de raadsbesluiten van 2 mei 2000 (het ontslagbesluit) en van 13 november 2000 (het aanstellingsbesluit) in te trekken en kennis te nemen van het feit dat verzoeker sedert 1 september 2000 niet meer in dienst is van het stedelijk onderwijs. Op 19 juni 2001 neemt de gemeenteraad volgende beslissing : “Argumentatie Gerbrand Tück voldoet vanaf 1 september 1999 aan de voorwaarden voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. In belang van betrokkene dient bijgevolg het gemeenteraadsbesluit van 13 november 2000 te worden herzien, wat de tijdelijke aanstelling van Gerbrand Tück betreft. Op 2 mei 2000 bekrachtigde de gemeenteraad het ontslag van Gebrand Tück. De kamer van beroep, dat het beroep behandelde dat Gerbrand Tück instelde tegen deze beslissing, vond deze beslissing onrechtmatig. Daarom wordt gevraagd het gemeenteraadsbesluit van 2 mei 2000 in te trekken. Financiële gevolgen Het aangesteld personeelslid ontvangt wedde van de Vlaamse gemeenschap. Besluit De gemeenteraad keurt eenparig het volgende besluit goed. Artikel 1 De gemeenteraad bekrachtigt de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van navermeld personeelslid als volgt Tück Gerbrand (1-610308-03639), geaggregeerde lager secundair onderwijs wiskunde van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2000 stedelijk polytechnisch instituut Antwerpen, August Leyweg 3, 2020 Antwerpen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, leraar 11 uren ter vervanging van mevrouw M. Buyck, met afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2000 stedelijk polytechnisch instituut Antwerpen, August Leyweg 3, 2020 Antwerpen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, leraar 11 uren open plaats Artikel 2 Het personeelslid van het stedelijk onderwijs moet in de uitoefening van zijn ambt de verplichtingen, voortvloeiend uit de specificiteit van het pedagogisch project stedelijk onderwijs, naleven. Artikel 3 De gemeenteraad beslist het gemeenteraadsbesluit van 13 november 2000 (jaarnummer 2062) betreffende de tijdelijk aanstelling van Gerbrand Tück in te trekken. XII-2949-6/12 Artikel 4 De gemeenteraad beslist het gemeenteraadsbesluit van 2 mei 2000 (jaarnummer 787) betreffende het ontslag van Gerbrand Tück in te trekken. Artikel 5 De gemeenteraad neemt kennis van het feit dat Gerbrand Tück sedert 1 september 2000 niet meer in dienst is van het stedelijk onderwijs”. Met enige moeite -omdat volgens de stad “het besluit niet correct genotuleerd was” blijken er drie zendingen nodig te zijn geweest- worden uiteindelijk bij aangetekend schrijven van 19 september 2001 het collegebesluit van 30 mei 2001 en het raadsbesluit van 19 juni 2001 aan verzoeker ter kennis gebracht; 3. Over de ontvankelijkheid en het voorwerp van het beroep in de zaak A.100.449/XII- 2949. 3.1.1. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord vooreerst opwerpt dat de vordering onontvankelijk is wegens haar laattijdigheid; dat zij toelicht dat verzoeker “onmiddellijk na 13-11-2000 reeds in kennis was van de getroffen beslissing en al wat hij uit die beslissing wil afleiden” zodat het beroep “dan ook ruim te laat ingediend” is; Overwegende dat verzoeker, vooruitlopend op deze exceptie, reeds in het inleidend verzoekschrift onder verwijzing naar artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opmerkt dat de betekening van het door hem bestreden raadsbesluit niet voldoet aan de door bedoelde bepaling voorgeschreven vermeldingen; 3.1.2. Overwegende dat artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt”; Overwegende -zonder te moeten nagaan of het verzoekschrift ingediend is minder of meer dan zestig dagen na de kennisgeving van de beslissing waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd- dat het door verzoeker bestreden raadsbesluit van 13 november 2000 zelf niet de vermeldingen bevat waarin artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorziet; XII-2949-7/12 dat uit het aan de Raad van State voorgelegde administratief dossier ook niet blijkt dat enig instrument van kennisgeving van dit raadsbesluit aan verzoeker die vermeldingen zou bevatten; dat verwerende partij zulks ook zelfs niet beweert; Overwegende dat de bedoelde bepaling tot doel heeft diegenen die zich benadeeld achten door een administratieve beslissing met individuele strekking in kennis te stellen van het bestaan van de mogelijkheid om tegen deze beslissing beroep in te stellen; dat de naleving van deze vormvereiste impliceert dat gewag moet worden gemaakt van het bestaan van de mogelijkheid om bij de Raad van State beroep in te stellen en van de verplichting om dit beroep in te stellen bij aangetekende brief binnen zestig dagen na de kennisgeving; dat, zoals bij arrest nr. 134.024, Lecocq, van 19 juli 2004 van de algemene vergadering van de afdeling administratie is gesteld, dit artikel 19, tweede lid, afwijkt van de regels betreffende de verjaring van beroepen en net als die regels van openbare orde is; dat voor die bepaling geen uitzondering geldt; dat voor zoveel deze bepaling tot rechts- onzekerheid leidt, dit te wijten is enerzijds aan het tekortschieten van de administratieve overheid en anderzijds aan de bedoeling van de wetgever om op de niet-naleving van die bepaling een radicale straf te stellen waarvan de werking niet beperkt is in de tijd; dat de exceptie wordt verworpen; dat het oorspronkelijke beroep tot nietigverklaring van het raadsbesluit van 13 november 2000 ratione temporis ontvankelijk is; 3.2.1. Overwegende dat verwerende partij vervolgens in de memorie van antwoord het belang van verzoeker betwist, omdat het college op 30 mei 2001 besloot aan de gemeenteraad voor te stellen om het raadsbesluit van 13 november 2000 in te trekken zodat het beroep zonder voorwerp is; dat verwerende partij bij deze memorie een afschrift van het collegebesluit van 30 mei 2001 voegt; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert dat voor zover hem bekend is, er alleen een voorstel bestaat tot intrekking dat door de gemeenteraad geenszins hoeft te worden gevolgd, zodat het huidig beroep geenszins zonder voorwerp is; 3.2.2. Overwegende dat de gemeenteraad van de stad Antwerpen op 19 juni 2001 wel degelijk het voorstel van het college heeft gevolgd en het oorspronkelijk bestreden raadsbesluit van 13 november 2000 heeft ingetrokken; dat de intrekking van een beslissing tot gevolg heeft dat die beslissing ab initio uit het XII-2949-8/12 rechtsverkeer verdwijnt; dat zij geacht wordt nooit te zijn genomen, zodat ook het bestaan van eventuele impliciete weigeringsbeslissingen er niet aan kan worden ontleend; dat derhalve de intrekking van het raadsbesluit per definitie aan het annulatieberoep zijn voorwerp ontneemt; 3.3.1. Overwegende evenwel dat het verdwijnen van het formeel voorwerp van een annulatieberoep er de Raad van State niet in alle omstandigheden toe verplicht de vordering onontvankelijk te verklaren; dat zulks onder meer het geval kan zijn wanneer de Raad vaststelt dat het bestuur de oorspronkelijk bestreden beslissing door een nieuwe vervangen heeft en wanneer die vervangende beslissing inhoudelijk niet wezenlijk van de eerste verschilt waardoor het materieel voorwerp van het beroep ongewijzigd is gebleven; dat het beroep gericht tegen de vervangen beslissing dan geacht kan worden gericht te zijn tegen de vervangende beslissing; dat, om redenen die de zijne zijn, de verzoeker kan verkiezen tegen de nieuwe beslissing een nieuw annulatieberoep in te stellen; dat doet hij dat niet, het vermoeden dat zijn beroep gericht is tegen de vervangende beslissing in zijn voordeel speelt; 3.3.2. Overwegende te dezen dat verzoeker, vooruitziende naar het gevolg dat door de gemeenteraad zou kunnen worden gegeven aan het voorstel van het college, in de memorie van antwoord argumenteert dat “men niet uit het oog [mag] verliezen dat het college van burgemeester en schepenen aan de gemeenteraad heeft voorgesteld een nieuwe beslissing te nemen die enerzijds de beslissing van 13 november 2000 intrekt, maar anderzijds een beslissing die analoog is aan de beslissing van 13 november 2000”, dat die “actie” geenszins tot gevolg moet hebben dat het voorwerp van zijn beroep komt te vervallen, dat het “niet uit te sluiten [is] dat verzoeker tegen deze -per hypothese aan verzoeker nog te betekenen- gemeenteraadsbeslissing alsnog een apart annulatieberoep bij de afdeling administratie van de Raad van State instelt, en anderzijds zijn er redenen om het formele voorwerp van het annulatieberoep materieel uit te breiden naar de bovenvermelde per hypothese nog te betekenen gemeenteraadsbeslissing”; 3.3.3. Overwegende dat verzoeker blijkbaar niet er toe is gekomen “alsnog een apart annulatieberoep bij de afdeling administratie” in te stellen tegen de nieuwe beslissing van de stad Antwerpen; dat hij wel zijn in de memorie van wederantwoord geïmpliceerde vraag tot wijziging (en niet uitbreiding) van het voorwerp van het annulatieberoep in de laatste memorie uitdrukkelijk bevestigt, en XII-2949-9/12 daarbij onder meer opmerkt dat ook de kennisgeving van het raadsbesluit van 19 juni 2001 “geen gewag maakt van de noodzakelijke vermeldingen zoals bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State”; Overwegende dat de gemeenteraadsbeslissing van 19 juni 2001 de ingetrokken raadsbeslissing van 13 november 2000 vervangt; dat die nieuwe beslissing van de stad Antwerpen naar haar inhoud beschouwd verschilt van de vorige, waar zij de einddatum van verzoekers tijdelijke aanstelling verschuift van 30 juni 2000 naar 31 augustus 2000; dat zij dan ook niet meer materieel identiek is aan de oorspronkelijk bestreden beslissing en evenmin nog het bestaan aantoont van ál de impliciete weigeringen die verzoeker op grond van de oorspronkelijk bestreden beslissing meende te bespeuren; dat de nieuwe tijdelijke aanstelling van verzoeker, waartoe de verwerende partij op 19 juni 2001 beslist, door verwerende partij evenwel bedoeld is om in de plaats van de eerste te komen en verzoeker nog steeds niet een vaste benoeming verleent; dat zij hem minstens in die mate nog evenzeer grieft als de oorspronkelijke beslissing; dat in principe het beroep geacht kan worden thans tegen die vervangende beslissing te zijn gericht; 3.4. Overwegende dat met verzoeker wordt vastgesteld dat bij geen van de drie aan hem gedane kennisgevingen van het raadsbesluit van 19 juni 2001 de vermeldingen zijn gedaan, bedoeld bij artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat om de hiervoor vermelde redenen de verjaringstermijn om bij de Raad van State een afzonderlijk annulatieberoep in te dienen tegen bedoeld raadsbesluit, tegen verzoeker dan ook niet zou kunnen worden tegengeworpen; dat in die omstandigheden, verzoeker die thans nog steeds een annulatieberoep kan indienen, de proceseconomische mogelijkheid niet kan worden ontzegd om de nieuwe beslissing, in zoverre het materiële voorwerp met de oorspronkelijke beslissing overeenkomt, reeds binnen het bereik van de Raad van State te brengen binnen de perken van de initieel aangespannen vordering; 3.5. Overwegende dat dan wel, om het beroep ontvankelijk te doen verklaren, ten minste één van de oorspronkelijk aangevoerde annulatiemiddelen betrokken moet kunnen worden op de vervangende beslissing; dat verwerende partij in de memorie van antwoord zulks betwist; dat zij in de memorie van antwoord evenwel afziet van elke bespreking van de middelen en enkel schrijft dat verzoeker, wegens de intrekking van het raadsbesluit van 13 november 2000, zijn middelen richt tegen een onbestaande beslissing zodat deze middelen geen voorwerp hebben; XII-2949-10/12 3.6. Overwegende dat de vraag of het beroep nog ontvankelijk is bijgevolg getoetst moet worden aan de aangevoerde middelen; dat een beoordeling van de middelen in het auditoraatsverslag nog niet aan de orde is gekomen; dat er dan ook reden is om het onderzoek van de zaak, met inbegrip van de door verwerende partij ook in de memorie van antwoord opgeworpen maar nog niet nader besproken exceptie over verzoekers actueel belang, voort te zetten; 4. Over de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A.106.902/XII-3192. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord in de eerste zaak verklaart op 15 juni 2001 de memorie van antwoord van verwerende partij in die zaak te hebben ontvangen; dat hij bijgevolg uiterlijk op die datum op de hoogte was van het voorstel van het college om niet alleen het eerste bestreden raadsbesluit in te trekken, maar ook om een nieuwe hem al dan niet griefhoudende beslissing te treffen; dat verzoeker niettemin ervoor kiest om op 18 juni 2001 met het tweede beroep de nietigverklaring te vragen van de stilzwijgende afwijzende beslissing (niet: de “impliciete weigering”) die hij afleidt uit het stilzitten van de overheid gedurende vier maanden na zijn aanmaning; dat vervolgens op 19 juni 2001 het bestuur als gezien een uitdrukkelijke beslissing neemt; dat overigens luidens artikel 32, tweede lid, van de gecoördineerde wetten de mogelijkheid openstaat tegen die beslissing een annulatieberoep in te dienen; dat verzoeker zulks weliswaar heeft nagelaten te doen, maar dat hij zoals zo-even is gezien wel deze nieuwe beslissing tot voorwerp van zijn eerste beroep maakt; dat hoe dan ook de fictieve weigering die verzoeker bestrijdt in de tweede zaak is achterhaald door de uitdrukkelijke beslissing en de eventueel daaruit blijkende impliciete weigeringen; dat het tweede beroep doelloos is geworden in de zin van artikel 93 van het algemeen procedurereglement, BESLUIT: Artikel 1. De zaken nrs. A.100.449/XII-2949 en A. 106.902/XII-3192 worden gevoegd. XII-2949-11/12 Artikel 2. Het beroep in de zaak A. 106.902/XII-3192 wordt verworpen. Artikel 3. De debatten worden heropend in de zaak A.100.449/XII-2949. Artikel 4. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak A.100.449/XII-2949. Artikel 5. De kosten van het beroep in de zaak A. 100.449/XII-2949 worden in beraad gehouden. De kosten van het beroep in de zaak A. 106.902/XII-3192, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2949-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.646 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.