← België

Arrest 140647 - - 15/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.647 Rolnummer: A. 133326/XII-3782 Zaak: Arrest 140647 - - 15/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 07:37 Fiche Arrest nr 140.647 van 15 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.647 van 15 februari 2005 in de zaak A. 133.326/XII-3782. In zake : Gerbrand TÜCK, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt, met zetel te 1050 Brussel, Lang Levenstraat 27-29 tegen : de SCHOLENGROEP 4, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerbrand Tück op 21 februari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “1. de beslissing van 26 november 2002 uitgaande van het Tussencomité waarbij beslist werd dat aan verzoekers kandideringen voor een vaste benoeming in het ambt van leraar secundair onderwijs met ingang van 1 januari 2003 geen gevolg kan worden gegeven ten aanzien van de betrekkingen met nummers 4045 (volume10/22), 4073 (volume 4/21), 4080 (volume 10/20) en 4081 (volume 10/20) om reden dat verzoeker niet is opgedaagd op het voorziene interview; 2. de benoemingen van onbekende personen in de in punt 1. vermelde betrekkingen”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-3782-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Bij schrijven van 11 oktober 2002 dient verzoeker bij de Scholengroep 4 een aanvraag in voor vaste benoeming in de betrekkingen van leraar SO, met nummers 4045 (volume 10/22), 4073 (volume 4/21), 4080 (volume 10/20) en 4081 (volume 10/20). Op 30 september 2002 wordt verzoeker uitgenodigd zich op 15 november 2002 voor een interview aan te bieden. Hij is niet aanwezig op het geplande gesprek; wel brengt hij het secretariaat van de scholengroep hiervan dezelfde dag telefonisch op de hoogte. Met een 26 november 2002 gedateerd schrijven deelt verzoeker de algemeen directeur van de scholengroep mee dat hij op 15 november 2002 wegens ziekte niet aanwezig kon zijn voor het “gesprek in het kader van mijn mutatie/vaste benoeming” en bezorgt hij een ziekteattest. Tevens vraagt hij om hem “voor een nieuw gesprek te willen uitnodigen”. XII-3782-2/7 Diezelfde dag wordt in het verslag van de vergadering van het tussencomité genotuleerd als derde agendapunt : “Evaluatie interviews: - vaste regel indien iemand niet kan komen wegens ziekte of sterftegeval? Besluit: indien de kandidaat een doktersattest kan voorleggen, wordt de kandidaat opnieuw uitgenodigd. Indien men enige kandidaat is bij UVB en de directeur positief advies geeft, wordt de betrokkene niet opnieuw uitgenodigd. - Bij de volgende personeelsbewegingen worden kandidaten voor UVB, indien zij enige kandidaat zijn en een positief (schriftelijk) advies van de directeur hebben, niet uitgenodigd voor een gesprek. Wél kan gevraagd worden om bijkomende documenten op te sturen. - Voorstel: indien er voor een vacante betrekking maar één kandidaat is, mét een positief advies van de directeur, deze kandidaat niet uitnodigen voor een gesprek. Antwoord: de cel personeel is niet akkoord omdat men met elke kandidaat wilt kennismaken. Bij ernstige ziekte zal dit ad hoc behandeld worden. - Geen enkel lid van het Tussencomité mag bij het interview betrokken zijn indien men verwant is aan de kandidaat tot in de derde graad. Het tussencomité is akkoord. - Gerbrand Tück heeft nog geen ziektebriefje binnen gebracht en aan zijn VB/MUT zal dus geen gevolg gegeven worden. - Voorstel: Kandidaten op voorhand al verwittigen zodat ze in beroep kunnen gaan tegen hun vo[o]rdracht en een beslissing van de RvB voorkomen. Antwoord: Neen, de kandidaten kunnen in beroep gaan NA de beslissing van de RvB. Dit staat ook zo vermeld in een schrijven dat de kandidaten krijgen waarin vermeld staat hoe men beroep kan aantekenen tegen een beslissing van de RvB”. Met een brief van 2 december 2002 schrijft de algemeen directeur aan verzoeker : “Wij hebben uw schrijven van 26.11.02 in goede orde ontvangen. Wij moeten u echter meedelen dat wij u niet opnieuw uitnodigen voor een interview. Ons secretariaat werd weliswaar de dag van het interview zelf telefonisch verwittigd, maar uw ziektebriefje kwam hier pas toe op 26.11.02 (= datum poststempel). Het Tussencomité dd. 26.11.02 heeft beslist dat aan uw kandidering voor een VB/MUT voor 01.01.03 geen gevolg gegeven kan worden”. Bij brief van ongekende datum deelt de algemeen directeur “Namens de Raad van Bestuur” aan verzoeker tenslotte mee : “Uw aanvragen voor de personeelsbeweging van 1 januari 2003. Mijnheer Ik deel u mee dat aan uw aanvraag/aanvragen voor de volgende betrekkingen, rekening houdend met het soort aanvraag, geen gunstig gevolg kon worden gegeven omwille van de bijvermelde reden. XII-3782-3/7 * De betrekking nummer 4045 met een volume van 10/22 in het ambt van leraar SO aan de instelling(

  1. en)MS 1 Lier (Anton Bergmann) in de beweging 'Vaste Benoeming' werd niet aan u toegewezen omdat : 'u niet opgedaagd bent op het voorziene interview'. * De betrekking nummer 4073 met een volume van 4/21 in het ambt van leraar SO aan de instelling(
  2. en)KA Mortsel in de beweging 'Vaste Benoeming' werd niet aan u toegewezen omdat : 'u niet opgedaagd bent op het voorziene interview'. * De betrekking nummer 4080 met een volume van 10/20 in het ambt van leraar SO aan de instelling(
  3. en)KA Mortsel in de beweging 'Vaste Benoeming' werd niet aan u toegewezen omdat : 'u niet opgedaagd bent op het voorziene interview'. * De betrekking nummer 4081 met een volume van 10/20 in het ambt van leraar SO aan de instelling(
  4. en)KA Mortsel in de beweging 'Vaste Benoeming' werd niet aan u toegewezen omdat : 'u niet opgedaagd bent op het voorziene interview'. Bovenstaande formulering geeft u, summier, het resultaat van de procedure. Voor meer informatie inzake motivatie van de beslissing en inzage in het dossier kan u contact opnemen met het secretariaat van de scholengroep. Overeenkomstig artikel 1 van de wet van 24 maart 1994 tot wijziging van de wetten op de Raad van State, kan u binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van dit bericht een verzoekschrift tot vernietiging en/of een vordering tot schorsing indienen bij de Raad van State”; Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat de omvang van een annulatieberoep op de eerste plaats moet worden bepaald aan de hand van de inhoud en de bewoordingen van het inleidend verzoekschrift; dat te dezen moet worden vastgesteld dat verzoeker als eerste voorwerp van zijn beroep woordelijk de “beslissing van 26 november 2002 uitgaande van het Tussencomité” noemt; dat hij in verband met de ontvankelijkheid van het verzoekschrift ratione temporis de tijdigheid van zijn beroep argumenteert door verwijzing naar “het notificerend schrijven van 2 december 2002”, hetgeen de brief is waarin hem door de algemeen directeur onder meer wordt meegedeeld wat het tussencomité op 26 november 2002 heeft “beslist”; dat hij bij het overzicht van de feitelijke gegevens ook enkel melding maakt van de beslissing van “het Tussencomité van 26 november 2002” en dat hij ten slotte zijn eerste middel -de onbevoegdheid van het orgaan- alleen richt tegen “de eerste bestreden beslissing”, namelijk “dat het Tussencomité op 26 november 2002 beslist heeft dat aan verzoekers kandidering geen gevolg kan worden gegeven”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord onder meer repliceert dat het tussencomité slechts een voorbereidende handeling heeft gesteld in het kader van de benoemingsprocedure en dat de beslissing om verzoeker niet meer uit te nodigen voor het interview in de brief van XII-3782-4/7 2 december 2002 door de algemeen directeur zelf is genomen als voorzitter van de selectiecommissie; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord specificeert dat de beslissing van het tussencomité een vóór-beslissing is die hem definitief uitsloot van de mogelijkheid tot benoeming en dat voorts dit tussencomité geen bevoegdheid heeft om standpunten in te nemen over individuele gevallen of daarover advies te geven; Overwegende dat verzoeker vervolgens in de memorie van wederantwoord aanvoert als “nieuw middel: onbevoegdheid van de algemeen directeur” omdat ook “de algemeen directeur geen eigen, bij decreet verankerde eind-beslissingsbevoegdheid noch eind-beslissings-voorbereidende bevoegdheid heeft inzake benoemingen”; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie opmerkt “dat het eerste annulatiemiddel -onbevoegdheid- van openbare orde is”, dat hij het op elk ogenblik van de procedure mag uitbreiden en een andere grondslag geven en dat hij thans dit middel uitbreidt “tot de raad van bestuur zelf”; dat hij toelicht “dat de raad van bestuur de kandidaturen van verzoeker heeft afgewezen louter op grond van de overweging dat ‘u niet opgedaagd bent op het voorziene interview’” en “dat de raad van bestuur in deze zaak haar discretionaire bevoegdheid om te oordelen of hij verzoeker al dan niet opnieuw voor een interview zou uitnodigen, inderdaad heeft miskend en zich zonder meer gebonden heeft geacht door hetgeen het tussencomité en de algemeen directeur hebben beslist”; Overwegende dat verzoeker, door te gewagen van een nieuw middel “van openbare orde” in de laatste memorie, voorbij gaat aan de essentie van hetgeen hij in deze laatste procedurehandeling onderneemt, te weten de uitbreiding vragen van het voorwerp van zijn beroep; dat als gezien het oorspronkelijk verzoekschrift immers zonder enige ondubbelzinnigheid enkel gericht was tegen een vermeende “beslissing” van het tussencomité van 26 november 2002 en dat de beslissing van de raad van bestuur in het inleidend verzoekschrift op geen enkel ogenblik zelfs maar ter sprake is gebracht; dat op zijn minst al twijfel kan rijzen of hetgeen in het verslag van dat tussencomité genotuleerd is wel als een “beslissing”, laat staan als een aanvechtbare administratieve rechtshandeling te begrijpen is; dat die twijfel mag blijven; dat immers over de houding van verzoeker ten aanzien van XII-3782-5/7 het interview van 15 november 2002 zich wel liefst drie instanties hebben gebogen en er al dan niet een beslissing -het weze een eigenlijke eindbeslissing, dan wel een vóór-beslissing- over genomen hebben: met name het tussencomité blijkens zijn verslag op 26 november 2002, de algemeen directeur blijkens zijn schrijven van 2 december 2002 en de raad van bestuur zelf; dat die laatste beslissing voor verzoeker geen onbekende was, blijkens het hiervoor geciteerde schrijven dat verzoeker zélf als 19 december 2002 verstuurd of ontvangen faxbericht reeds als bijlage bij zijn inleidend verzoekschrift voegt; Overwegende dat de beslissingen van de raad van bestuur over de aanvragen voor de personeelsbeweging van 1 januari 2003 de eindbeslissingen zijn geweest in de voorliggende zaak; dat verzoeker overigens niet betwist dat de raad van bestuur voor dergelijke benoemingsbeslissingen ook het bevoegde orgaan is; dat verzoeker van de beslissing van de raad van bestuur om aan zijn aanvragen geen gunstig gevolg te geven vóór het indienen van huidig beroep op de hoogte is gebracht middels een schrijven dat de vermeldingen bevat, voorgeschreven bij artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat hij niet meer op ontvankelijke wijze voor het éérst in de laatste memorie, dus ruimschoots buiten de hem meegedeelde verjaringstermijn van zestig dagen, die beslissing van de raad van bestuur tot voorwerp van zijn beroep kan maken, zelfs niet indien hij daartegen vervolgens een middel dat bij veronderstelling van openbare orde is, meent te kunnen aanvoeren; dat de beslissing van de raad van bestuur voor verzoeker bijgevolg definitief en onaantastbaar is geworden, zodat hij geen belang meer heeft bij het eventuele verdwijnen uit het rechtsverkeer van welkdanige aan die beslissing voorafgaande vermeende “beslissingen” van het tussencomité of van de algemeen directeur; dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat het beroep tegen de eerste bestreden beslissing onontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker zich met het tweede en laatste middel van het inleidend verzoekschrift richt tegen het tweede voorwerp van zijn beroep, namelijk de benoemingen “van onbekende personen” in de door hem geambieerde betrekkingen wegens schending van de motiveringsplicht en van de plicht de titels en verdiensten van alle kandidaten voor een vaste benoeming op een concrete wijze te toetsen; XII-3782-6/7 Overwegende dat bij de bespreking van het beroep tegen de eerste bestreden beslissing is vastgesteld dat verzoeker niet tijdig en op ontvankelijke wijze de beslissing van de raad van bestuur heeft bestreden over het weren van zijn kandidatuur omdat hij niet opgedaagd is voor het interview; dat hij dan zonder belang is om nog aan te voeren dat wat na het weren van zijn kandidatuur nog is gebeurd, door enige onrechtmatigheid zou zijn aangetast; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep tegen de onder punt 2 bestreden beslissingen niet ontvankelijk is; Overwegende dat wat voorafgaat leidt tot het besluit dat het beroep in zijn geheel onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3782-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.