id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.650 Rolnummer: A. 89553/XII-2450 Zaak: Arrest 140650 - - 15/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-23 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 07:37 Fiche Arrest nr 140.650 van 15 februari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.650 van 15 februari 2005 in de zaak A. 89.553/XII-
- In zake : Hubert VERLINDEN, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, dat woonplaats kiest bij advocaat L. Van Hout, kantoor houdende te Berlaar, Markt
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hubert Verlinden op 29 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 10 februari 2000 van de raad van bestuur van Scholengroep 4 om hem als vast benoemd directeur van het koninklijk technisch atheneum Edegem preventief te schorsen met ingang van 14 februari 2000; Gelet op het arrest nr. 85.626 van 24 februari 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; XII-2450-1/8 Gelet op de beschikking van 6 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat Chr. Coen, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat Ph. Pelleman, die loco advocaat L. Van Hout verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat verzoeker bij beslissing van de raad van bestuur van Scholengroep 4 van 10 februari 2000 als vast benoemd directeur van het koninklijk technisch atheneum Edegem preventief is geschorst met ingang van 14 februari 2000; dat dit is gebeurd na allerlei klachten over wat genoemd wordt financiële onregelmatigheden (2 elementen), administratieve fouten (9 elementen), psychische terreur (5 elementen) en deontologische tekortkomingen (18 elementen); Overwegende dat die beslissing op 11 februari 2000 aan verzoeker is betekend in de volgende bewoordingen : “[...] gelet op artikel 23 § 1 van het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs dat de Raad van Bestuur van de Scholengroep bevoegd maakt voor materies die 'orde en tucht bij personeelsleden' betreffen; Gelet op artikel 59 van het Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, dat de ordemaatregel 'preventieve schorsing' bespreekt; Gelet op de artikelen 16 en 17 van het Besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie van vast benoemde personeelsleden, de maatregelen van orde en tucht in het Gemeenschapsonderwijs, die de 'preventieve schorsing' verder uitwerken; Gelet op het advies van het Lokaal Bestuursorgaan nr. 27 (Edegem) tot uw preventieve schorsing (d.d. 15 december 1999); Gelet op het voorstel van de heer J. Wellens, administrateur-generaal, toenmalig hoofd van bestuur, tot uw preventieve schorsing; Gelet op het feit dat de Raad van Bestuur van de Scholengroep als de rechtsopvolger van de Centrale Raad fungeert; Gelet op het feit dat u door de Raad van Bestuur op 20 januari 2000 op de voorgeschreven wijze uitgenodigd werd voor een hoorzitting op 8 februari 2000; XII-2450-2/8 Gelet op de hoorzitting door de Raad van Bestuur op 8 februari 2000 en uw verweer tijdens deze hoorzitting; Gelet op het voorafgaand feitenrelaas; Overwegende het feit dat op dit moment enkel het financiële luik van het klachtendossier als ongeveer afgehandeld mag beschouwd worden, dat de klachten die uw algemeen beleid betreffen nog niet aan een onderzoek werden onderworpen, dat hiervoor niet de Raad van Bestuur van de scholengroep verantwoordelijk kan geacht worden gezien de Raad van Bestuur pas sinds 1 januari 2000 bevoegd is; Overwegende het feit dat in het kader van het onderzoek van uw algemeen beleid als directeur een aantal personeelsleden zullen moeten worden gehoord, waarbij het duidelijk is dat de waarheid enkel aan het licht kan komen als dit onderzoek in alle objectiviteit en sereniteit kan worden gevoerd, dat uw aanwezigheid op school dit onderzoek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal hinderen gezien een aantal getuigen zich ongetwijfeld gehinderd zullen voelen door uw aanwezigheid, dat de door u tijdens de hoorzitting uitgesproken bereidheid dit onderzoek alleszins niet te verstoren het voorafgaande niet ontkracht gezien u hier enkel een intentie uitte en het uiteraard duidelijk is dat uw aanwezigheid op school tijdens het onderzoek een aantal personeelsleden zal intimideren; Overwegende het feit dat alle pogingen om dit dossier met de nodige sereniteit te behandelen zijn mislukt, dat de problematiek zowel de lokale schoolgemeenschap als de omgeving van de school in steeds sterkere mate beroert, dat het feit dat dit dossier de landelijke pers haalde dit ten volle illustreert, waarbij uiteraard het motief niet gelegen is in het feit dat deze zaak de landelijke pers gehaald heeft maar wel in het objectief gegeven dat dit dossier de lokale schoolgemeenschap beroert, feit dat u trouwens tijdens de hoorzitting toegaf toen u vermeldde dat ouders en leerlingen u hun steun toezegden; Overwegende het feit dat uit diverse documenten de steeds grotere verdeeldheid in het schoolteam van het KTA Edegem blijkt, dat de tweedeling binnen het schoolteam over uw persoon en uw handelen nog toeneemt, wel in die mate dat er van twee nog nauwelijks communicerende kampen sprake is, dat zelfs indien men uw visie, op de hoorzitting door de Raad van Bestuur geuit, zou bijtreden dat de storm zou geluwd zijn, het duidelijk is dat er enkel sprake is van een tijdelijke windstilte omwille van het feit dat de diverse betrokkenen de beslissing van de Raad van Bestuur afwachten, dat het dus eerder gaat om een stilte voor de storm; Overwegende het feit dat de Raad van Bestuur van oordeel is dat u hangende het onderzoek, rekening houdende met de animositeit rond uw persoon, niet meer de volheid van uw ambt kan uitoefenen daar u omwille van de steeds verder escalerende problematiek en de betrokkenheid erbij van het schoolteam, tegenover de personeelsleden van het KTA Edegem in de praktijk per definitie afstand doet van een aantal prerogatieven die verbonden zijn aan uw ambt, zo is het zonder meer duidelijk dat u onder de huidige omstandigheden onmogelijk, zonder van vooringenomenheid, revanchisme, favoritisme, ... te worden beschuldigd, uw personeelsleden aan een evaluatie kan onderwerpen, dat ook indien u zou besluiten t.a.v. uw personeelsleden de nodige afstandelijkheid in acht te nemen, u de facto afstand doet van uw bevoegdhe- den, rechten en plichten, dat het uiteraard zo moet zijn dat een schoolleider in alle omstandigheden de volledigheid van zijn ambt invult; Overwegende het feit dat een aantal klachten toch wel zeer ernstige inbreuken op de plichten betreffen, dat zelfs als men er van uit gaat dat andere klachten niet zo allesomvattend zijn of slechts het ongenoegen van bepaalde personeelsleden als voorwerp hebben, de totaliteit van de klachten en de vaststelling dat het aantal klachten nog aangroeit, de Raad van Bestuur doen XII-2450-3/8 besluiten dat hier, als men het gehele dossier in rekening brengt, sprake is van een vermoeden van ernstige feiten, dat een diepgaand onderzoek motiveert en dat uiteindelijk een ernstige tuchtstraf tot gevolg kan hebben; Overwegende het feit dat in tegenstelling tot wat u tijdens de hoorzitting beweerde een preventieve schorsing niet noodzakelijkerwijze gekoppeld moet worden aan een tuchtprocedure gezien artikel 17 van het Besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 (evaluatie, orde en tucht) uitdrukkelijk voorziet dat een preventieve schorsing die niet gekoppeld is aan een tuchtprocedure zes maanden kan duren, waarbij de motieven voor een dergelijke schorsing in dat geval louter teruggaan naar het verstoren van de voor de dienst noodzakelijke goede orde, dat in dit dossier de motieven om tot een dergelijke schorsing over te gaan ruimer zijn gezien in de vorige conside- rans uitdrukkelijk gerefereerd werd naar de ernstige feiten die u ten laste gelegd worden, feiten die het voorwerp van een uitputtend onderzoek zullen vormen, dat eventueel zal uitmonden in een tuchtprocedure [...]”; Overwegende dat de raad van bestuur van de Scholengroep 4 op 11 oktober 2000 beslist om aan de raad van beroep van het personeel van het Gemeenschapsonderwijs voor te stellen verzoeker de tuchtstraf “tuchtschorsing voor de periode van één jaar” op te leggen; dat verzoeker op 8 november 2000 beroep instelt tegen dit voorstel; Overwegende dat de raad van beroep op 12 januari 2001 “beslist, na geheime stemming, met éénparigheid van stemmen het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren”; Overwegende dat de raad van bestuur van de Scholengroep 4 op 30 januari 2001 beslist om “de beslissing van de Raad van Beroep [...] uit te voeren”; Overwegende dat niet wordt betwist dat de bestreden preventieve schorsing niet is gevolgd door, of omgezet is in een tuchtstraf; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie argumenteert dat de Raad van State uit die vaststelling niet, zoals eerder in zijn arresten nr. 94.148, Theunynck, van 20 maart 2001 en nr. 120.817, Scheerlinck, van 24 juni 2003, de gevolgtrekking mag maken dat de bestreden maatregel van rechtswege is vervallen; dat zij wijst op de “totaal verschillend” genoemde regelgeving inzake preventieve schorsing van personeelsleden in de onderscheiden rechtspositiedecreten voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs; dat zij betoogt dat in artikel 59 van het rechtspositiedecreet dat op de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs XII-2450-4/8 toepasselijk is, nergens staat dat de preventieve schorsing “noodzakelijk moet gekoppeld zijn aan een tuchtprocedure” en voorts, dat in dezelfde lijn ook het artikel 17 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie van vast benoemde personeelsleden, de maatregelen van orde en tucht in het Gemeenschapsonderwijs (hierna: tuchtbesluit) “expliciet het onderscheid [maakt] tussen een preventieve schorsing die wel of niet gevolgd wordt door een tuchtprocedure”; dat zij ten slotte ook stelt uit de verschillende plaats in de rechtspositiedecreten -in het rechtspositiedecreet gemeenschapsonderwijs onder een hoofdstuk “maatregelen van orde” en in het rechtspositiedecreet gesubsidieerd onderwijs en in de gemeentewet onder een hoofdstuk “tuchtregeling”- te kunnen afleiden dat de preventieve schorsing wat de regelgeving in het gemeenschaps- onderwijs betreft los staat van de tucht; dat zij bij wijze van conclusie resumeert : “Een preventieve schorsing is als voorlopige maatregel van inwendige orde slechts van bewarende aard, die per definitie uitsluitend wordt genomen in het belang van de dienst. In het gemeenschapsonderwijs is de preventieve schorsing alvast niet gekoppeld aan een tuchtstraf, zodat de preventieve schorsing zonder tuchtstraf uitdooft. Conform de van toepassing zijnde regelgeving is de kwestieuze preventieve schorsing van de verzoekende partij terecht genomen -nl. in het uitsluitend belang van de dienst- en wordt zij onderwijl geacht te zijn uitgedoofd, zodat er geen enkele aanleiding bestaat om deze preventieve schorsing 'ten behoeve van de duidelijkheid in het rechtsverkeer' te vernietigen”; Overwegende dat ernstig mag worden betwijfeld of in de voorliggende zaak de aan verzoeker opgelegde schorsing wel zo los te zien is van een tuchtprocedure; dat in de aangehaalde motivering die het opleggen van de preventieve schorsing verantwoordt weliswaar ook de stelling wordt verdedigd dat “een preventieve schorsing niet noodzakelijkerwijze gekoppeld moet worden aan een tuchtprocedure”, maar onmiddellijk ook de nakende tuchtprocedure in het vooruitzicht wordt gesteld; dat de bestreden preventieve schorsing met name dienen moet om verzoeker tijdelijk uit de dienst te verwijderen lopende het “diepgaand” en “uitputtend onderzoek” naar de “ernstige feiten” die “zeer ernstige inbreuken op de plichten betreffen”, onderzoek dat “eventueel zal uitmonden in een tuchtprocedure” en “uiteindelijk een ernstige tuchtstraf tot gevolg kan hebben”; dat verwerende partij voorts wel degelijk een tuchtprocedure heeft opgestart; dat die procedure uiteindelijk, in tegenstelling tot wat verwerende partij had voorgesteld, niet is uitgelopen op een effectieve tuchtstraf; dat dan overeenkomstig artikel 17, § 3, van het tuchtbesluit van rechtswege een einde komt aan de preventieve schorsing over dezelfde feiten; XII-2450-5/8 Overwegende dat een nadere vergelijking tussen de feiten waarvoor de preventieve schorsing is opgelegd en de feiten waarover de tuchtrechtelijke uitspraak is gevallen evenwel niet eens nodig is, zelfs wanneer voor het debat zou worden aangenomen dat de verwerende partij de bestreden maatregel opgelegd heeft losstaande van de tuchtprocedure, of, minstens, in een ruimere context dan de enkele tucht of ook wegens andere feiten; Overwegende dat immers ook in dat geval de uitgesproken preventieve schorsing, zoals verwerende partij het zelf onderstreept, een bewarende maatregel is; dat moet worden vastgesteld, aan de hand van de motieven van het besluit, dat zij wordt opgelegd ten einde “in het kader van het onderzoek van [verzoekers] algemeen beleid als directeur” onderzoeksverrichtingen te doen, zoals het horen van personeelsleden, naar verzoekers “persoon” en “handelen”; dat de voorliggende preventieve schorsing bijgevolg is opgevat als een voorlopige maatregel om de school in staat te stellen “in alle objectiviteit en sereniteit” een onderzoek in te stellen naar de wijze van ambtsuitoefening van verzoeker en waarop een definitieve beslissing nog moet volgen; dat met andere woorden, ingeval zij iets meer of iets anders was dan een rader in de tuchtprocedure, de maatregel dienend was voor de beoordeling of verzoeker nog, zonder hem daarom schuldig gedrag te moeten verwijten, bekwaam was de school te leiden; dat zij dan bij een voor verzoeker negatieve uitslag van dat onderzoek, noodzakelijk moest resulteren in een definitieve ordemaatregel, zoals er zijn : de overplaatsing of de terbeschikking- stelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of nog, de verwijdering uit het ambt of, in het tegenovergestelde geval, moest uitmonden in een uitdrukkelijke beslissing waarbij aan de preventieve schorsing een einde wordt gesteld; dat het overigens voor dergelijke situaties is dat het door verwerende partij vernoemde artikel 17, § 2, van het tuchtbesluit de duur van de preventieve schorsing beperkt tot zes maanden; Overwegende dat ook zo gezien, indien aangenomen wordt dat de bestreden beslissing naast de eventuele tuchtprocedure een onderzoek naar de goede werking van het onderwijs moest dienen, de preventieve schorsing die aan verzoeker is opgelegd minstens impliciet een latere beslissing in het vooruitzicht stelt; dat echter de preventieve schorsing, buiten de tuchtrechtelijke nasleep, niet is gevolgd door enige definitieve stellingname van de verwerende partij; dat het stilzitten van het bestuur met betrekking tot het nemen van maatregelen in het dienstbelang in die omstandigheden moet worden beschouwd als het declaratief feit dat aantoont dat de XII-2450-6/8 preventieve schorsing werd opgelegd zonder dat de rechtens vereiste grondslag aanwezig was; Overwegende dat wat verwerende partij “uitgedoofd” zijn noemt, insgelijks zonder dergelijke opvolgende beslissing neerkomt op een vervallen zijn in de zin van de door haar genoemde rechtspraak van de Raad; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de stelling van verwerende partij over het ontkoppelen van de preventieve schorsing en de tuchtprocedure, indien zij wordt bijgetreden en in de voorliggende zaak van toepassing wordt geacht, de vaststelling dat het beroep zonder voorwerp is, niet ontkracht; dat verzoeker echter nog steeds het voorwerp uitmaakt van het formele besluit waarbij hij bij ordemaatregel preventief wordt geschorst; dat in het belang van de duidelijkheid in het rechtsverkeer, het past de bestreden beslissing uitdrukkelijk te vernietigen, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 10 februari 2000 van de raad van bestuur van Scholengroep 4 om Hubert Verlinden als vast benoemd directeur van het koninklijk technisch atheneum Edegem preventief te schorsen met ingang van 14 februari
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-2450-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS D. VERBIEST. XII-2450-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.650 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.85.626 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.