← België

Arrest 140686 - - 15/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.686 Rolnummer: A. 156449/X-12092 Zaak: Arrest 140686 - - 15/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 07:41 Fiche Arrest nr 140.686 van 15 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.686 van 15 februari 2005 in de zaak A. 156.449/X-12.

  1. In zake : Jean JONCKHEERE, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen :
  2. de gemeente ZUIENKERKE, die woonplaats kiest bij Advocaat D. DE CLERCK, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Hoogstraat 28,
  3. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jean JONCKHEERE op 12 oktober 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 16 augustus 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zuienkerke waarbij aan Romain LIEBAERT, Mieke LIEBAERT en Peter LIEBAERT een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verbouwen en uitbreiden van bestaand handelspand en woning tot 1 woning en 7 vakantieverblijven te Zuienkerke, Dorpweg 94, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 326r; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 februari 2005; X-12.092-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. LUST die, loco Advocaat A. LUST verschijnt voor verzoeker, van Advocaat D. DE CLERCK, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat V. BRONDEEL die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. De feiten 1.
  6. Op 26 januari 2004 werd door Romain, Mieke en Peter LIEBAERT een aanvraag ingediend voor het verbouwen en uitbreiden van bestaand handelspand en woning tot 1 woning en 7 vakantieverblijven op een perceel gelegen te Zuienkerke, Dorpweg
  7. Verzoekende partij is eigenaar van het aanpalende pand gelegen aan de Dorpweg
  8. Dit perceel is volgens het gewestplan Brugge-Oostkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977 gelegen in woongebied met landelijk karakter. Het is bovendien gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht 'dorpskom van Meetkerke', beschermd bij ministerieel besluit van 27 maart
  9. 1.
  10. Er werd een openbaar onderzoek georganiseerd. Er werd één bezwaarschrift ingediend door de verzoekende partij. 1.
  11. In zitting van 1 juni 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zuienkerke werd het ingediende bezwaar verworpen. 1.
  12. Bij besluit van 16 augustus 2004 werd de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen. X-12.092-2/5
  13. Beoordeling Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat verzoeker het volgende uiteenzet over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel : "Zoals reeds toegelicht vergunt het bestreden besluit de ver-en herbouwing van een oude vervallen hoeve met dorpscafé tot een vakantiepark, bestaande uit één woning voor permanente bewoning, zeven vakantiehuizen en een gemeenschappelijke eetzaal en keuken (ondergebracht in een oorlogsbunker die met een veranda wordt uitgebreid). Het project is gelegen in de centrale kern van het centrum van Meetkerke, rechtover de kerk. Oostwaarts paalt het project aan de woning en het koertje van de verzoekende partij. Westwaarts aan de Blankenbergse Vaart. Zoals uiteengezet in het eerste middel, waarnaar hier brevitatis causa wordt verwezen, en zoals blijkt uit de stukken, foto's en goedgekeurde plannen, is de toegang tot het complex slechts 2,90 meter breed, zodat het uitgesloten is dat de wagens van de hulpdiensten, inzonderheid de ladderwagens van de brandweer op het erf kunnen komen. Ze zouden trouwens in de ruimte tussen het hoofdvolume en de bunker onmogelijk rechtsaf kunnen draaien om de binnenkoer te bereiken en zodoende de drie aldaar te bouwen vakantiewoningen te benaderen. Niet alleen is die toestand onwettig, zoals in het eerste middel aangetoond. Hij is bovendien vooral ook zeer gevaarlijk en onveilig. In geval van brandramp kan onmogelijk op doeltreffende en adequate manier opgetreden worden en hulp geboden worden. De mogelijkheid van rampen is nochtans nooit bij voorbaat uit te sluiten en mitsdien overal potentieel aanwezig. Wellicht nog meer in gebouwengroepen die voortdurend afwisselend en tijdelijk betrokken worden, wat wel eens negatief inwerkt op het voorzichtigheids-en voorzorgsgedrag van de bewoners. De graad van zorgeloosheid en achteloosheid stijgt immers naarmate men zelf onmiddellijk minder betrokken is bij het goed gebruik, onderhoud en behoud van een gebouw. Ook in gemeenschappelijke keukens zijn ongevallen door slordiger omgang met minder vertrouwde apparatuur helemaal niet denkbeeldig. Verzoekende partij heeft het bijzonder moeilijk te moeten leven met het idee dat, zo de bestreden beslissing ten uitvoer wordt uitgelegd, hij de nabuur wordt van een vakantiepark waar in geval van brandramp niet op adequate wijze zal kunnen ingegrepen worden omdat de hulpvoertuigen onmogelijk op het erf zullen kunnen geraken. Ook de toegang tot verzoekers erf laat geen brandweerwagens toe, terwijl de bouwplaats ook niet westwaarts kan benaderd worden ingevolge de aanwezigheid van de Blankenbergse Vaart. In geval van overslaande brand zal de gezinswoning van de verzoekende partij uiteraard het eerst getroffen worden. X-12.092-3/5 Van de verzoekende partij kan niet verlangd worden dat hij met een bestendig onveiligheidsgevoel moet leven omdat hij er rekening moet mee houden dat hij en zijn gezinsleden steeds het slachtoffer van een ramp kunnen worden. Dat onveiligheidsgevoelens tot op zekere mate subjectief kunnen zijn, doet niets af aan de realiteit ervan, nu ook niemand van tevoren kan uitsluiten dat een ramp zich ooit zal voordoen. Uw Raad heeft reeds in meerdere arresten aangenomen dat de omstandigheid dat een bepaald nadeel verschillend kan worden aangevoeld en beleefd, niet relevant is (...)"; Overwegende dat verzoeker het beweerd nadeel put uit zijn vrees voor een toekomstige en onzekere, zelfs accidentele, gebeurtenis; dat het brandgevaar niet een risico is dat uiteraard en op het eerste gezicht verbonden is aan het vergunde bouwwerk zelf; dat een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, die zoals te dezen is gegrond op een hypothetisch nadeel niet voldoet aan de voorwaarde dat het bewijs moet worden geleverd van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel veroorzaakt door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-12.092-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari 2005, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. E. BREWAEYS. X-12.092-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.686 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.