id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.693 Rolnummer: A. 120821/XIV-9947 Zaak: Arrest 140693 - - 15/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-08 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 07:42 Fiche Arrest nr 140.693 van 15 februari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.693 van 15 februari 2005 in de zaak A. 120.821/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. HENDRICKX, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Adolphe Lacomblélaan 59/61 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 6 november 1979 en van XXX nationaliteit, op 8 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 12 april 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 16 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 januari 2005 om 10.00 uur; XIV-9947-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HENDRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 4 januari 2000 en verklaart zich vluchteling op 11 januari
- 1.
- Op 26 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 12 april 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onont- vankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 06 maart 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet); van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 1, (A) 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingen- conventie); van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de XIV-9947-2/6 Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat zijn toenmalige Advocaat bij e-mailbericht van 12 maart 2002 het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op de hoogte heeft gebracht van het feit dat verzoeker ziek was en op de voorziene datum (14 maart 2002) niet naar het verhoor op het Commissariaat-generaal kon komen; dat dit bij brief van 13 maart 2002 wordt bevestigd; dat verzoeker uiteenzet dat zijn toenmalig Advocaat een e-mail verstuurde naar het Commissariaat-generaal op 15 maart 2002 met de vraag om ontvangstbevestiging van het medisch attest en de vraag om zijn cliënt opnieuw op te roepen voor een interview; dat er op 18 maart 2002 een telefonisch contact is geweest tussen de Advocaat van verzoeker en het Commissariaat-generaal, waarin een medewerkster van het Commissariaat-generaal meedeelde dat het antwoord op de vraag om inlichtingen uiterst summier mocht zijn; dat verzoeker uiteenzet dat zijn Advocaat op 21 maart 2002 een aangetekend schrijven verstuurde naar het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de Commissaris-generaal dit schrijven niet heeft aanvaard als een gevolg dat binnen de maand werd gegeven aan de vraag om inlichtingen vervat in de oproepingsbrief; dat hierdoor het evenredigheidsbeginsel (redelijkheidsbeginsel) wordt geschonden; dat verzoeker aanvoert dat, ongeacht de inhoud van het antwoord vervat in de brief van 21 maart 2002, hij door dit schrijven een gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen; dat verzoeker aanvoert dat in de bestreden beslissing geen reden wordt opgegeven waarom werd geoordeeld dat verzoeker geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen; dat dit een schending inhoudt van de motiveringplicht; dat het niet getuigt van behoorlijk bestuur dat verzoeker vooreerst in het ongewisse werd gelaten over het verder verloop van de procedure, ondanks herhaald aandringen van zijn Advocaat, en vervolgens dat verzoeker zijn beroepsmogelijkheid werd ontnomen om de enige reden dat hij zich ziek meldde, terwijl hij alle instructies heeft opgevolgd; 2.
- Overwegende dat de oproepingsbrief van het Commissariaat-generaal, verstuurd naar verzoeker op 6 maart 2002, onder meer het volgende vermeldt: “(...). Indien u niet komt, mag ik krachtens de wet uw asielaanvraag weigeren zonder de inhoud ervan te hebben onderzocht. Indien een geval van overmacht u belet gevolg te geven aan deze oproeping, dient u mij binnen de maand die volgt op de datum van dit schrijven, de reden hiervoor alsook een document dat hiervan het bewijs levert, per aangetekend schrijven te bezorgen. In dat geval zal ik uw dossier onderzoeken zonder dat ik verplicht ben u opnieuw op te roepen. In geval van overmacht moet u bijgevolg eveneens antwoorden op het volgende verzoek om inlichtingen: Is de Commissaris-generaal in het bezit van alle elementen die u ter ondersteuning van uw aanvraag wenst neer te leggen met het oog op het nemen van een beslissing? Indien u meent dat dit het geval is, bent u verplicht dit mij te bevestigen. XIV-9947-3/6 Indien u meent andere elementen (bijvoorbeeld documenten, verduidelijkingen van of aanvullingen bij uw vroegere verklaringen) te hebben die u nog niet hebt ingeroepen, verzoek ik u mij die zo snel mogelijk te bezorgen. Zonder antwoord van uwentwege binnen een maand na het verzenden van deze brief mag ik u de status weigeren wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen ondanks het bewijs van overmacht.”; Overwegende dat in het administratief dossier in dit verband volgende stukken terug te vinden zijn: - een origineel medisch attest van 11 maart 2002 waarin wordt vermeld dat verzoeker van 11 maart tot en met 19 maart 2002 niet kan werken om reden van ziekte; - een brief van de toenmalige Advocaat van verzoeker van 13 maart 2002 gericht naar het Commissariaat-generaal, waarin hij verwijst naar een e-mailbericht van 12 maart 2002 in deze zaak, waarin hij meedeelt dat verzoeker op 14 maart 2002 wegens ziekte niet kan aanwezig zijn op het verhoor, en waarin hij meedeelt dat een kopie van het medisch aftest wordt bijgevoegd (deze kopie ligt voor in de vorm van een faxbericht van 11 maart 2002 van een onbekende afzender naar het faxnummer van de Advocaat van verzoeker); - een op 26 maart 2002 aangetekend verstuurde brief van de Advocaat van verzoeker, gedateerd op 21 maart 2002, die als volgt luidt: “(...) Verwijzend naar mijn eerder schrijven van 13 maart en naar ons telefonisch onderhoud van maandag 18 maart, wens ik te antwoorden op uw verzoek om inlichtingen van 6 maart
- Gelieve echter op de eerste plaats opnieuw een copij (kopie) van het medisch attest in bijlage te vinden, (ter) rechtvaardiging voor de afwezigheid van mijn cliënt op 14 maart
- Ik kan u met huidig schrijven bevestigen dat mijn cliënt tot op heden, 21 maart 2002, u alle documenten ter ondersteuning van zijn asielaanvraag en die hij momenteel in zijn bezit heeft, heeft overgemaakt. Ik wijs er u echter op dat mijn cliënt telefonisch contact heeft gehad met kennissen uit zijn land van herkomst en deze laatsten hem enkele documenten hebben opgestuurd. Deze documenten zouden (bij) hem in principe op het einde van deze maand moeten toekomen. Ik zal uiteraard niet nalaten u onmiddellijk bij ontvangst van deze documenten een copij te laten geworden. Bovendien kan ik u melden dat, daar mijn cliënt zich niet meer elk detail van zijn verklaring voor de Dienst Vreemdelingenzaken kan herinneren, nu meer dan anderhalf jaar geleden, en dit interview zich in de grootste verwarring en spoed voordeed, hij niet met zekerheid kan stellen dat hij die verklaring nog wenst aan te vullen of te verduidelijken. Ik verzoek u om de hierboven vermelde redenen beleefd mijn cliënt opnieuw op te roepen en hem de mogelijkheid te bieden om zijn motieven mondeling uiteen te zetten. (...).”; - een faxbericht van 15 april 2002 van de Advocaat van verzoeker gericht naar het Commissariaat-generaal, waarin wordt verwezen naar een faxbericht en een e-mailbericht van 13 maart 2002 (lees: een brief van 13 maart 2002 en een e-mailbericht van 12 maart 2002), naar het medisch attest, naar een telefoongesprek (“Ondertussen heeft u mij telefonisch laten weten dat de antwoorden op de in de oproeping, in geval van overmacht, verzochte inlichtingen zeer summier dienen te zijn.”), en naar het aangetekend schrijven van de Advocaat van verzoeker van 21 maart 2002; Overwegende dat als bijlagen bij het verzoekschrift volgende stukken worden gevoegd: XIV-9947-4/6 - een kopie van de oproepingsbrief van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 maart 2002 waarop aantekeningen te vinden zijn die kunnen wijzen op een telefoongesprek (“verzoek om uitstel op 1 maand” en “wachten tot ma-di 11-12/3"); - een afdruk van een e-mailbericht van de Advocaat van verzoeker van 12 maart 2002 gericht tot een medewerkster van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waarin wordt meegedeeld dat verzoeker ziek is en op donderdag 14 maart 2002 niet aanwezig zal kunnen zijn op het interview, waarin tevens wordt meegedeeld dat het medisch attest zal worden opgestuurd, evenals een antwoord op het verzoek om inlichtin-gen; en waarin wordt gevraagd om verzoeker op een later tijdstip opnieuw op te roepen; - kopieën van de brieven van de Advocaat van verzoeker van 13 maart en 21 maart 2002; - bewijzen van aangetekende zendingen dd. 11 maart 2002 en 26 maart 2002; - een kopie van het medisch attest; - een afdruk van een e-mailbericht van de Advocaat van verzoeker van 15 maart 2002 gericht naar voornoemde medewerkster waarin om ontvangstmelding wordt verzocht van voormeld medisch attest en om bevestiging van de aanvraag om een tweede interview te laten plaatsvinden; Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat verzoeker zonder geldige reden, binnen de maand volgend op de brief van 6 maart 2002, geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen die in deze brief zat vervat; Overwegende dat uit de hierboven opgesomde stukken van het administratief dossier en de bijlagen bij het verzoekschrift blijkt dat de toenmalige Advocaat van verzoeker herhaaldelijk contact heeft opgenomen met het Commissariaat-generaal; dat er een telefoongesprek heeft plaatsgevonden op 18 maart 2002 tussen de Advocaat van verzoeker en een medewerkster van het Commissariaat-generaal; dat dit blijkt uit de verwijzing hiernaar in de aangetekende brief van de Advocaat van verzoeker dd. 21 maart 2002 en dat dit niet wordt betwist in de nota van de verwerende partij (zie punt 2.
- van de nota); dat aan de Advocaat van verzoeker zou zijn meegedeeld dat het antwoord op het verzoek om inlichtingen summier mocht zijn; dat de Advocaat van verzoeker bij aangetekende brief van 21 maart 2002 een antwoord heeft gegeven op dit verzoek om inlichtingen; dat hoewel dit antwoord summier is, wordt vastgesteld dat de Advocaat van verzoeker verschillende malen, gebruik makend van zowel een faxbericht als van e-mail-berichten als van per post verstuurde brieven, de opgedragen instructies in geval van overmacht heeft gevolgd en daarbij ook verschillende malen schriftelijk heeft aangedrongen op een nieuwe oproeping voor verhoor voor zijn cliënt; dat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met de talrijke pogingen van verzoeker om de voorgeschreven procedure na te leven en dat de Commissaris-generaal de schriftelijke vragen voor een nieuw verhoor niet heeft beantwoord; dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd en een schending inhoudt van het redelijkheidsbeginsel; dat zou kunnen worden overwogen, gelet op de rechtspraak in deze aangelegenheid en de beginselen van behoorlijk bestuur, om de tekst van de oproepingsbrieven aan te passen, te preciseren en XIV-9947-5/6 te verfijnen; dat in casu tevens ondermeer wordt verwezen naar het arrest nr. 112.541 van 14 november 2002 van deze kamer; dat het enig middel gegrond is in de mate die hiervoor werd aangegeven en dat de overige onderdelen van het enig middel niet tot een ruimere nietigverklaring kunnen leiden, vermits zij niet worden uitgewerkt, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 12 april
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9947-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.693 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.