← België

Arrest 140700 - - 15/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.700 Rolnummer: A. 118941/XIV-9320 Zaak: Arrest 140700 - - 15/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-02 07:42 Fiche Arrest nr 140.700 van 15 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.700 van 15 februari 2005 in de zaak A. 118.941/XIV-

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX,
  4. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41 bus 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, XXX en XXX, van onbepaalde nationaliteit, op 29 maart 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 februari 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken respectievelijk van 26 september 2000, 26 september 2000 en 19 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 4 april 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-9.320-1/7 Gelet op de beschikking van 22 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. DELGOUFFRE, die loco advocaat M. MANDELBLAT verschijnt voor de verzoekende partijen en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de eerste en de tweede verzoekende partij België de eerste maal binnenkomen op 28 oktober 1994 en zich vluchteling verklaren op dezelfde dag; dat op 13 december 1994 ten aanzien van beiden de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Overwegende dat de eerste en de tweede verzoekende partij België de tweede maal binnenkomen respectievelijk op12 september 1999 en 7 juli 1999 en zich vluchteling verklaren respectievelijk op 14 september 1999 en 8 juli 1999; dat de derde verzoekende partij België voor de eerste maal binnenkomt op 26 januari 2000 en zich vluchteling verklaart op 28 januari 2000; dat respectievelijk op 26 september 2000, 26 september 2000 en 19 juni 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 27 februari 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn, die luiden als volgt: Inzake de eerste verzoekende partij: “U diende in België op 28 oktober 1994 een asielaanvraag in die door de dienst Vreemdelingenzaken op 13 december 1994 onontvankelijk werd verklaard. Tegen deze weigeringsbeslissing hebt u geen beroep ingediend. Op 14 september 1999 diende u een tweede asielaanvraag in die door de dienst Vreemdelingenzaken op 26 september 2000 eveneens onontvankelijk verklaard werd. U beweerde een etnische XXX te zijn, afkomstig uit S., de hoofstad van de ‘V.”. In 1988 zou u omwille van problemen met de politie na een uit de hand gelopen ruzie met uw gezin naar Duitsland gevlucht zijn en er asiel gevraagd hebben. Nadat u in Duitsland een uitwijzingsbevel gekregen had, zou u eind 1994 met uw echtgenote naar België vertrokken zijn en hier asiel gevraagd hebben. Enkele dagen later zou u in Duitsland zijn opgepakt toen u er uw persoonlijke bezittingen wou gaan ophalen. Daarop zou u binnen de maand door de Duitse autoriteiten per vliegtuig naar S. gerepatrieerd zijn. Ongeveer een week en ruim een maand na uw terugkeer in M. zou u tweemaal door de politie geconvoceerd en gedurende een uur ondervraagd zijn over uw verblijf in Duitsland. Na uw terugkeer in S. zou u bij verschillende M. autoriteiten meermaals officiële XIV-9.320-2/7 identiteitsdocumenten (paspoort en identiteitskaart) gaan vragen zijn, maar deze zouden u steeds geweigerd zijn omdat uw ouders uit K. afkomstig zouden zijn en u verschillende jaren in Duitsland hebt verbleven. Volgens de autoriteiten zou u om deze redenen geen recht hebben op de M. nationaliteit. Ook uw echtgenote zou om dezelfde redenen geen identiteitsdocumenten gekregen hebben. Door deze weigering zou u nooit dezelfde rechten gekregen hebben als de andere M. Zo zou u niet officieel maar enkel in het zwart kunnen werken hebben en geen recht hebben gehad op een (sociale) uitkering, op scholing voor de kinderen of medische verzorging. Aangezien u geen zin had om in een land te blijven waar u geen rechten had, zou u in 1997 met een vals paspoort naar B. gereisd zijn. Aan de grens zou u echter door de B. autoriteiten onderschept en naar de M. ambassade gestuurd zijn. U zou er documenten gevraagd hebben om legaal naar S. te kunnen terugkeren, maar niet gekregen hebben. Ook uw vrouw zou bij de lokale autoriteiten een vijftal keer tevergeefs geprobeerd hebben om officiële inreisdocumenten voor u te bekomen. Bovendien zou de politie haar gezegd hebben dat ook zij zou worden uitgewezen. Aangezien het te gevaarlijk was om illegaal naar M. terug te keren, zou op 4 januari 1998 opnieuw naar Duitsland gereisd zijn, waar u een tweede asielaanvraag zou gedaan hebben en het ontheemdenstatuut (Duldung) zou gekregen hebben. Na uw vertrek naar B. zou de politie enkele malen bij uw echtgenote in S. zijn langsgekomen en haar ondervraagd hebben over u. De politie zou immers geweten hebben dat u een vals paspoort had. Daarop zou uw echtgenote, A., begin juli 1999, samen met drie minderjarige kinderen naar België gekomen zijn en er voor de tweede maal asiel gevraagd hebben. U zou ongeveer twee maand na uw vrouw opnieuw naar België gekomen zijn. Uw drie andere kinderen, waaronder uw oudste zoon B. (ov 4.921.245), zijn pas in januari 2000 in België aangekomen. Na uw aankomst zou u contact opgenomen hebben met de M. ambassade en er attesten gekregen hebben waarin vermeld staat dat u en uw vrouw de M. nationaliteit niet hebben. Ten slotte beweerde u momenteel niet naar M. te kunnen terugkeren aangezien u er geen rechten hebt, u een vals paspoort gebruikt hebt en u ook tweemaal in België en tweemaal in Duitsland geweest bent. U bent in het bezit van volgende documenten : een J. rijbewijs, uitgereikt in G. (K.) op 24 juni 1991; een oud (vervallen) J. paspoort van uw vrouw, uitgereikt in S. op 7 maart 1988; vier attesten van het M. Ministerie van Binnenlandse Zaken uitgereikt te S. op 10 juli 2000, waaruit blijkt dat u, uw vrouw en uw twee oudste zonen niet zijn ingeschreven in het register van de naturalisaties van de republiek M., en twee attesten van de M. ambassade in Brussel, dd 3 oktober 2000, waarin bevestigd wordt dat u en uw vrouw geen onderdanen van de republiek M. zijn en overeenkomstig de huidige wetgeving geen aanspraak kunnen maken op het bekomen van de M. nationaliteit. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u bij uw eerste asielaanvraag in 1994 beweerde afkomstig te zijn uit K. en daar (net zoals uw vrouw en uw vijf kinderen) geboren te zijn. Bij uw tweede asielaanvraag beweerde u in S. (M.) geboren te zijn en er altijd gewoond te hebben. Door bij uw twee asielaanvragen uitdrukkelijk verschillende identiteitsgegevens te vermelden, blijkt dat u op duidelijk intentionele wijze getracht heeft om de Belgische autoriteiten te misleiden. Wat betreft de weigering van de M. autoriteiten om u en uw vrouw de nodige identiteitsdocumenten te bezorgen, moet vooreerst worden opgemerkt dat zowel de nationaliteitswetgeving als de regeling van het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen tot de soevereine bevoegdheden van de verschillende nationale staten behoren. U heeft echter geen elementen aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat het voor u om redenen die verband houden met de Vluchtelingenconventie onmogelijk is om de M. nationaliteit te verkrijgen. Het louter feit dat u geen paspoort of identiteitskaart kon verkrijgen (omdat u geen staatsburgerschap bezit) volstaat niet om te besluiten tot een vervolging in de zin van voornoemde Geneefse Conventie. De door u aangebrachte redenen voor het weigeren van een paspoort door de M. autoriteiten - met name omdat uw ouders uit K. afkomstig zijn en u van 1988 tot 1994 (en dus ook op het moment van de onafhankelijkheid van M. in 1991) niet in het land maar in Duitsland en België verbleef - zijn een loutere toepassing van de wet. Uit de door u neergelegde attesten blijkt dat u niet bent ingeschreven in de registers van naturalisatie van M. U voldoet aldus niet aan de wettelijke voorwaarden om de nationaliteit te verkrijgen. Indien u werkelijk geen nationaliteit bezit, dient u de daartoe geëigende procedures aan te wenden. Voorts stelde u slechts in zeer algemene bewoordingen dat u niet over dezelfde rechten (geen werkvergunning, geen sociale uitkering, geen medische hulp, geen scholing) beschikt als de andere inwoners van M. omdat u geen identiteitsdocumenten kon verkrijgen, zonder hierbij evenwel concrete feiten of elementen aan te halen die kunnen wijzen op een doelgerichte en systematische vervolging in de zin van de VLuchtelingenconventie. Uit uw opeenvolgende verklaringen blijkt immers dat van u deze rechten en voordelen niet zou kunnen genieten omdat u geen M. onderdaan bent. Ook het feit dat u door de politie zou gezocht worden omdat u met een vals paspoort zou gereisd hebben, kan op zich in casu niet als een daad van persoonlijke en doelgerichte vervolging aanzien worden. XIV-9.320-3/7 Ten slotte kunnen de door u neergelegde documenten geen afbreuk doen aan bovenstaande vaststellingen aangezien deze enkel uw identiteit en het feit dat u en uw vrouw de M. nationaliteit niet hebben of kunnen krijgen, kunnen bevestigen.”; Inzake de tweede verzoekende partij: “(...) Aangezien uit uw opeenvolgende verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag volledig steunt op de door uw echtgenoot, A., aangehaalde motieven en aangezien in hoofde van deze laatste door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd, kan ten aanzien van u evenmin besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. (...).”; Inzake de derde verzoekende partij: “(...) Aangezien uit uw opeenvolgende verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag volledig steunt op de door uw vader, A. (ov 4.380.575), aangehaalde motieven en aangezien in hoofde van deze laatste door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd, kan ten aanzien van u evenmin besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. (...).”; 2.1.
  6. Overwegende dat de verzoekende partijen in het eerste middel de schending opwerpen van artikel 52, § 1, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 1, A, 2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) en van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”; dat de verzoekende partijen aanvoeren dat zij spontaan hun werkelijke geboorteplaats hebben vermeld, zodat de commissaris-generaal bezwaarlijk kon besluiten dat zij intentioneel de Belgische autoriteiten hebben willen misleiden, dat hun verklaringen betreffende hun geboorteplaats in het kader van hun eerste asielaanvraag niet relevant zijn, gelet op feit dat zij na hun eerste asielaanvraag zijn teruggekeerd naar hun land van herkomst, dat de commissaris-generaal zich niet zomaar achter de wetgeving van een land kan schuilen, zonder na te gaan of deze wetgeving op een al dan niet discriminerende wijze wordt toegepast, dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen dergelijke discriminerende wetten onder het toepassingsgebied brengt van de Vluchtelingenconventie, dat de aanvragen van de verzoekende partijen tot het bekomen van de M. nationaliteit en M. verblijfsdocumenten steeds werden geweigerd, dat zij door de politie werden uitgelachen, dat zij met een uitwijzing naar K. werden bedreigd, dat hun kinderen geen recht hadden op scholing en medische zorgen, dat zij evenmin konden werken, dat zij wel concrete feiten en elementen hebben aangehaald waaruit blijkt dat zij op een systematische wijze werden gediscrimineerd, dat de tweede en de derde verzoekende partij XIV-9.320-4/7 eigen motieven hebben aangehaald, die los staan van deze aangevoerd door de eerste verzoekende partij en dat de commissaris-generaal ten onrechte stelt dat hun motieven volledig berusten op deze van de eerste verzoekende partij, zodat hij hiermede bepaalde rechtspraak van de Raad van State doorkruist; 2.1.
  7. Overwegende dat de verzoekende partijen met de schending van artikel 52, § 1, 2/, van de Vreemdelingenwet, eigenlijk de schending van artikel 52, § 2, van de Vreemdelingenwet bedoelen, nu uit het administratief dossier blijkt dat zij hun asielaanvragen in het binnenland (in Brussel) hadden ingediend; Overwegende dat de stelling dat de eerste verzoekende partij spontaan haar werkelijke geboorteplaats heeft vermeld, geen afbreuk doet aan de vaststelling van de commissaris-generaal dat zij bij haar twee asielaanvragen uitdrukkelijk verschillende identiteitsgegevens heeft opgegeven en dat zij bijgevolg getracht heeft de Belgische autoriteiten te misleiden; dat de aangehaalde proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen geen afdwingbare rechtsregels bevat zodat de verzoekende partijen er niet op kunnen steunen om tot de onwettigheid van de bestreden beslissingen te besluiten; dat de verzoekende partijen bovendien uit het oog verliezen dat een bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen en dat niet ieder afzonderlijk in aanmerking genomen element een zelfstandig weigeringsmotief hoeft te vormen; dat de verzoekende partijen met betrekking tot de nationaliteit en verblijfsdocumenten van de eerste verzoekende partij zich enkel beperken tot algemene beweringen, ontdaan van concrete elementen; dat de commissaris-generaal derhalve op grond van het geheel der in aanmerking genomen feiten niet in onredelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen noch zich op onjuiste feiten heeft gesteund; Overwegende dat de kritiek tegen de vaststelling van de commissaris- generaal dat het asielrelaas van de tweede en derde verzoekende partijen volledig berusten op deze van de eerste verzoekende partij, niet kan worden bijgetreden, nu uit het administratief dossier blijkt dat de tweede en derde verzoekende partijen hun asielaanvragen hebben gesteund op het feit dat zij de M. nationaliteit niet konden verwerven en dat zij niet aan M. identiteitsdocumenten konden geraken; dat het om dezelfde motieven gaat als deze van de eerste verzoekende partij; Overwegende dat het eerste middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partijen nalaten aan te geven welk beginsel van behoorlijk bestuur zou zijn geschonden, zodat het eerste middel in die mate niet ontvankelijk is; XIV-9.320-5/7 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending opwerpen van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij aanvoeren dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing ondeugdelijk heeft gemotiveerd door zich te baseren op de vermeende poging om de Belgische autoriteiten te misleiden, door zich te schuilen achter nationaliteitswetgevingen en soevereine bevoegdheden van een nationale staat, door elementen van discriminatie in hoofde van de verzoekende partijen te negeren en door te beweren dat de asielaanvragen van de tweede en de derde verzoekende partij volledig berusten op de motieven van de eerste verzoekende partij; 2.2.
  9. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het tweede middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen en die motieven inhoudelijk aanvechten; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpen en dat het middel enkel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de motieven van de bestreden beslissingen niet onwettig zijn; dat de verzoekende partijen in het tweede middel met een algemene herhaling van hun standpunten die motieven niet weerleggen noch aantonen dat de commissaris-generaal zijn bevoegdheid mee heeft overschreden; dat zij derhalve niet aannemelijk maken dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het tweede middel ongegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-9.320-6/7 BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-9.320-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.700 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.