id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.731 Rolnummer: A. 159732/IX-4781 Zaak: Arrest 140731 - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen - 16/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-21 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 07:43 Fiche Arrest nr 140.731 van 16 februari 2005 Economische zaken - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.731 van 16 februari 2005 in de zaak A. 159.732/IX-
- In zake : Gilberte WAUTERS, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN BETSBRUGGE, E. VANDEBEMPT en Partners, kantoor houdende te TIENEN, IVe Lansierslaan 4 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie, die woonplaats kiest bij advocaten P. HOFSTRÖSSLER en K. LEMMENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Goedheidsstraat 5-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gilberte WAUTERS op 4 februari 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van 14.01.2005 tot doorhaling van de inschrijving nr. 132.000, toegestaan aan mevrouw Gilberte WAUTERS voor de duurtijd van 1 maand, ter kennis gebracht op 03.02.2005”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 7 februari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 10 februari 2005, om 14.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. VAN BETSBRUGGE, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat K. LEMMENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; IX-4781-1/4 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drie- voudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat overeenkomstig de voornoemde bepaling de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten moet bevatten die kan aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing aan verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat dit betekent dat een verzoeker zich bijgevolg niet mag beperken tot vaagheden en algemeen- heden maar zeer concrete gegevens moet aanreiken waaruit blijkt dat hij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te ondergaan; dat te dezen verzoeksters uiteenzetting daarover als volgt luidt: “Het nadeel dat verzoekster ondervindt is niet te compenseren mits geldelijke vergoeding. Door de publicatie in het Belgisch Staatsblad geniet verzoekster bovendien van een onmiskenbaar nadeel dat zij bovendien minstens gehuld wordt in een sfeer van verdachtmaking dat een wantrouwen creëert niet enkel opzichtens consumenten maar ook onder de kredietmaatschapiien als dusdanig. Dit nadeel dat ook moreel is is quasi onherstelbaar en de beste herstelling is de beperking van de schade door onmiddellijk ingrijpen “; dat verzoekster verder ook nog stelt dat voor haar vanaf 5 februari 2005 “de virtuele werkloosheid, zonder enig vervangingsinkomen, voor een ongekende duurtijd” begint; dat zij aldus als moeilijk te herstellen ernstig nadeel een moreel nadeel en een materieel nadeel aanvoert; dat zij zegt dat haar moreel nadeel erin bestaat gehuld te worden in “een sfeer van verdachtmaking dat een wantrouwen creëert niet enkel opzichtens consumenten maar ook onder de kredietmaatschappijen”; dat een moreel nadeel in de regel kan hersteld worden door de morele genoegdoening IX-4781-2/4 verkregen bij een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing; dat verzoekster echter geenszins aantoont welke bijzondere omstandigheden voorhan- den zijn die zouden moeten doen aanvaarden dat zij bij de consumenten en bij de kredietmaatschappijen in de toekomst zou gewantrouwd worden indien de bestreden beslissing, die overigens beperkt is in de tijd, niet wordt geschorst; dat zij immers in haar verzoekschrift er alleen toe gekomen is om dit te beweren en geen bewijs ervan aanbrengt; dat zij veeleer de publicatie van de bestreden beslissing in het Belgisch Staatsblad als hinderlijk lijkt te ervaren dan de bestreden beslissing zelf; dat ook een financieel nadeel in de regel kan worden hersteld; dat verzoekster in dat verband niet aantoont en zelf niet beweert dat zij of haar gezin ingevolge de bestreden beslissing in een dergelijke precaire situatie zullen terechtkomen dat zelfs een latere vernietiging de ingrijpende gevolgen niet zou kunnen wegnemen; dat zij integendeel in haar verzoekschrift zelf stelt dat zij “een plaatselijk klein kantoor met weinig omzet” uitbaat en dat ook uit haar eigen verklaringen van 19 februari 2003 tegenover de beëdigde controleur van het bestuur van de economische inspectie blijkt dat het inschrijvingsnummer van kredietmakelaar op haar naam staat “omdat (haar) man gepensioneerd is, anders had hij te veel inkomsten” met zijn activiteit als verzekeringsmakelaar; Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoeksters vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. IX-4781-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari 2000 en vijf, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4781-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.731 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.216 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.528 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.