id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.732 Rolnummer: A. 156406/IX-4677 Zaak: Arrest 140732 - - 16/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-28 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 07:43 Fiche Arrest nr 140.732 van 16 februari 2005 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.732 van 16 februari 2005 in de zaak A. 156.406/IX-
- In zake : Hubert BECKERS, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA), gevestigd te Brussel, Lang Levenstraat 27-29 tegen : de POST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Hubert BECKERS op 11 oktober 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de commissie van beroep van DE POST van 8 september 2004, door hem aangeduid als “het bestreden advies” en van de beslissing van zijn onmiddellijke chef van 27 september 2004 waarbij hij wordt afgezet uit zijn bediening van eerstaanwezend postman; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 december 2004, datum waarbij de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 17 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-4677-1/7 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van juriste L. VANHOOREN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. 1.
- Verzoeker was werkzaam als postman in het kantoor Mechelen. 1.
- Op 27 januari 2004 wordt vastgesteld dat verzoeker een tijdschrift dat als onbestelbaar stuk is behandeld uit de kast “onbestelbare stukken” neemt, het toevouwt en ermee naar zijn werkpost trekt. Met een inspecteur, die er inmiddels bij geroepen is, wordt het tijdschrift teruggevonden in de tas van verzoeker die deze intussen naar zijn fiets heeft gebracht, klaar om zijn ronde te beginnen. Er wordt ook vastgesteld dat er in de fietszakken ook een pakje steekt dat niet tot de ronde van verzoeker behoort en ook niet als onbestelbaar stuk is aangemerkt. Verzoeker, zijn collega’s en de teamchef worden vervolgens ondervraagd door de postmeester. Verzoeker verklaart niet te weten hoe het pakje in zijn fietszakken is terechtgeko- men en van het tijdschrift weet hij niets. Hij wordt dezelfde dag nog uit de dienst verwijderd door de postmeester, die een voorstel tot schorsing in het belang van de dienst overmaakt aan het hoofdbestuur. Op 28 januari 2004 tekent verzoeker bezwaar aan tegen de schorsing. Hij verklaart nogmaals dat hij het pakje per ongeluk mee ingeladen heeft met zijn andere stukken en dat het tijdschrift mee tussen zijn stukken verzeild was. Op zijn ronde zou hij de vergissing wel bemerkt hebben en hij zou de stukken dan naar het kantoor teruggebracht hebben. Het is volgens hem een vergissing en er is geen kwaad opzet mee gemoeid. 1.3 De dienst Investigations van DE POST besluit na verscheidene personen te hebben ondervraagd dat verzoeker moedwillig de beide zendingen in zijn ransel en fietstas heeft gestoken teneinde ze achter te houden. IX-4677-2/7 1.
- Op 17 februari 2004 legt de postmeester aan verzoeker een document 12 voor waarin hij hem meedeelt dat hij zinnens is om hem te straffen met de afzetting wegens het wegnemen van een tijdschrift en een pakje, beide onbestel- baar, met de bedoeling ze achter te houden. Verzoeker dient een schriftelijk verweer in waarin hij nogmaals verklaart dat hij niets heeft gestolen maar dat het enkel om een vergissing gaat en dat hij niet de kans heeft gekregen om te bewijzen dat hij te goeder trouw handelde en om dit pakje en tijdschrift na zijn ronde terug te brengen naar het kantoor. Hij legt er de nadruk op dat er bij het doorzoeken van zijn kast op het kantoor en bij de huiszoeking door de politie niets bezwarends werd gevonden. Op 8 maart 2004 straft de postmeester verzoeker met de afzetting. In de motivering van die beslissing antwoordt hij op alle verklaringen die verzoeker gegeven heeft. Hij argumenteert ook waarom er volgens hem geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers verklaring dat het om een vergissing of een onbewuste handeling zou gaan en waarom hij als sanctie de afzetting oplegt. 1.
- Verzoeker tekent beroep aan bij de commissie van beroep die de zaak op 8 september 2004 behandelt. Verzoeker wordt gehoord. De commissie van beroep geeft met vijf stemmen tegen één een voor verzoeker ongunstig advies. Dit advies is als volgt gemotiveerd : “Omtrent de bevoegdheden en de wettelijkheid van sommige regels in het Statuut. De Commissie spreekt zich hierover niet uit vermits alle leden van oordeel zijn dat dit buiten hun bevoegdheid valt. Zij zijn aangesteld als assessoren en kunnen alleen een onafhankelijk en zo objectief mogelijk advies verstrekken omtrent de strafmaatregel gebaseerd op de gegevens vermeld in het strafdossier. Omtrent de opgelegde straf. Alle postkantoren werden bij schrijven van de Directie aangemaand om het stijgend aantal verdwenen zendingen drastisch in te perken onder het moto ‘Vertrouwen verdienen is een van onze waarden’. Via een ‘flashbericht* natio- naal en via een ‘weekbericht* lokaal in het postkantoor Mechelen 1, deelt men aan alle medewerkers mee dat streng zou worden toegezien op eventuele diefstallen en dat bij betrappen alleen de straf “de afzetting” toepasselijk zal zijn. Die signalen werden zeer duidelijk gegeven zodat elke medewerker van het kantoor op de hoogte zou zijn van de consequenties. Dit gold ook voor betrokkene. Hij had genoeg gelegenheid om voor zichzelf uit te maken welke de onvermijdelijke gevolgen zouden zijn indien men betrapt zou worden bij onregelmatigheden die onder de noemer ‘ontvreemding’ zouden vallen. Desondanks werd door een collega vastgesteld dat hij zich aan de kast der onbestelbare stukken bevond met een pakje in de hand dat helemaal niet voor zijn ronde bestemd was en er voordien door die collega zelf als onbestelbaar werd gedeponeerd. Meerdere keren merkte men hem op aan die kast terwijl hij er in snuisterde. Op een bepaalde dag nam hij uit diezelfde kast een tijdschrift ‘Ché’. Nadien stelde men vast dat het tijdschrift zich samen met een pakje ‘PABO’ in zijn postzak aan zijn fiets bevond. Het pakje had hij eveneens kort IX-4677-3/7 voordien in zijn handen gehad. Beide zendingen waren niet voor zijn ronde bestemd en hoorden niet in zijn bezit te zijn. Vermits betrokkene zich ondanks de meerdere verwittigingen niet hield aan de richtlijnen, nationaal en lokaal, wist hij welk risico hij nam wanneer hij zou betrapt worden met stukken bij zich waarvoor hij zich niet kon verantwoorden. Het weggenomen tijdschrift en het pakje dat hij eveneens enkele minuten voordien had vastgehad, bevonden zich in zijn ransel en waren onrechtmatig in zijn bezit. De leden van de Commissie achten de feiten bewezen en de meerderheid vindt de strafmaat gepast”. Dit is de eerste bestreden akte. 1.
- Hierop behoudt de postmeester van Mechelen op 27 september 2004 zijn beslissing tot afzetting en beslist dat verzoeker wordt afgezet met ingang van voornoemde datum. Dit is de tweede bestreden akte;
- Over de rechtspleging. 2.
- Overwegende dat alvorens de grond van de zaak aan te raken het past om aan de door verzoeker opgeworpen problemen, zoals hierna besproken, een oplossing te geven; dat partijen hierover ter zitting zijn ingelicht en het woord hebben kunnen voeren; 2.
- Overwegende dat verzoeker op 12 januari 2005 een uitgebreide pleitnota aan de Raad van State laat geworden; dat hij vraagt die nota niet uit de debatten te weren en dat, mocht de Raad van State daarop “niet zonder meer zou willen ingaan” de Raad van State een prejudiciële vraag zou stellen aan de Algemene Vergadering van de afdeling administratie; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij terecht vraagt dat de pleitnota, die verzoeker heeft neergelegd en welke niet is voorzien in de procedure- regeling kortgeding, uit de debatten zou worden geweerd; dat immers zelfs al kon de verwerende partij vóór de zitting kennis nemen van die pleitnota zij ook de gelegenheid zou moeten krijgen om haar antwoord op de standpunten ingenomen in de pleitnota te doen kennen; dat een en ander ontegensprekelijk niet alleen zou leiden tot vertraging in de procedure in kortgeding maar ook regelrecht zou ingaan tegen de bepalingen van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in IX-4677-4/7 kortgeding voor de Raad van State; dat voornoemd koninklijk besluit voorziet in een beperkt aantal procedurestukken omdat het in kort geding maar om een benadering op het eerste zicht gaat; dat de pleitnota derhalve uit de debatten moet worden geweerd en enkel als inlichting in aanmerking kan worden genomen; 2.
- Overwegende voorts dat luidens artikel 93, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een verzoeker een prejudiciële vraag kan laten stellen aan de Algemene Vergadering van de afdeling administratie omtrent de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet door een akte of een verordening van een administratieve overheid; dat wat verzoeker te dezen echter wil voorleggen aan de Algemene Vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State in feite niets anders is dan een parafrasering van een arrest nr. 91.699 van 19 december 2000 tegenover een arrest nr. 39.911 van 29 juni 1992 waarbij hij meent een uiteenlopende rechtspraak vast te stellen; dat hij aldus in feite duidt op een vermeend probleem van “eenheid van rechtspraak”; dat evenwel luidens artikel 92 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de verwijzing van een zaak naar de Algemene Vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State teneinde de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, alleen door de eerste voorzitter van de Raad van State, op zijn initiatief of op initiatief van de auditeur-generaal, kan worden bevolen; dat het arrest nr. 91.699 van 19 december 2000 waarnaar verzoeker verwijst om te duiden op een uiteenlopen van rechtspraak geen navolging lijkt te hebben gevonden in ’s Raads rechtspraak zodat te dezen een dergelijk initiatief zich niet opdringt; 2.
- Overwegende dat verzoeker ook nog laat gelden dat de nota met opmerkingen van de verwerende partij uit de debatten zou moeten worden geweerd omdat niet is bewezen dat het bevoegde orgaan van de verwerende partij binnen de voorgeschreven termijn beslist heeft om het verweer te voeren en dat Luc LUYTEN door het bevoegde orgaan is aangesteld om haar in rechte te vertegenwoordigen; 2.
- Overwegende dat de nota met opmerkingen werd ingediend binnen de voorgeschreven termijn; dat verzoeker onterecht de beslissing om een rechtsvordering in te stellen gelijkstelt met een daad van verweer; dat een beslissing van een rechtspersoon om als verzoeker een rechtsgeding aan te spannen uitdrukkelijk moet zijn en derhalve niet als een daad van dagelijks bestuur van de rechtspersoon kan worden aangemerkt; dat een daad van verweer zich evenwel fundamenteel onderscheidt van een beslissing om een rechtsvordering in te stellen; IX-4677-5/7 dat immers in het eerste geval de rechtspersoon in het geding wordt geroepen en dus zelf hiertoe geen initiatief neemt, omdat hij, zoals te dezen, door het bevoegde lid van het auditoraat als tegenpartij wordt aangeduid; dat het indienen van een nota met opmerkingen een daad van verweer is en dat een dergelijke daad van verweer behoort tot het dagelijks bestuur van de rechtspersoon; dat overigens de verwerende partij in feite ook geen andere keuze heeft dan op te treden als verwerende partij aangezien zij verplicht is om het administratief dossier neer te leggen; dat Luc LUYTEN door de afgevaardigd bestuurder van de verwerende partij delegatie heeft verkregen om haar in rechte te vertegenwoordigen; dat de nota met opmerkingen van de verwerende partij derhalve als een geldig processtuk moet worden beschouwd, BESLUIT: Artikel
- De pleitnota neergelegd door verzoeker wordt uit de debatten geweerd. Artikel
- Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan de Algemene Vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State wordt afgewezen. Artikel
- De nota met opmerkingen van de verwerende partij wordt niet uit de debatten geweerd. Artikel
- De debatten worden heropend en de zaak wordt vastgesteld op de zitting waarop het verzoek van Hubert BECKERS tot het bevelen van voorlopige maatregelen zal worden behandeld. IX-4677-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari 2000 en vijf, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4677-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.732 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.834 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.333 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.