id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.747 Rolnummer: A. 159976/XIV-21789 Zaak: Arrest 140747 - - 16/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-22 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-02 07:47 Fiche Arrest nr 140.747 van 16 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.747 van 16 februari
- in de zaak A. 159.976/XIV-21.
- In zake : XXX in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordi- ger van haar zes minderjarige kinderen, die woonplaats kiest bij advocaat L. PEPERMANS kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 14 februari 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 december 2004 waarbij de regularisatie-aanvraag wordt verworpen en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 9 februari 2005; Gelet op de beschikking van 15 februari 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op de beschikking van 15 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 februari 2005 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DE LIEN, die loco advocaat L. PEPERMANS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; XIV-21.789-1/5 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij op 6 juli 1994 een asielaan- vraag indient, die op 10 maart 1998 door de Vaste Beroepscommissie voor de vluchteling- en wordt verworpen; dat de verzoekende partij op 25 januari 2000 een aanvraag tot regularisatie indient; dat op 28 augustus 2001 de Tweede Kamer van de Commissie voor regularisatie een gunstig advies verleent; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 2 december 2004 beslist om de verzoekende partij niet te regulariseren; dat dit de eerste bestreden beslissing is; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken op 9 februari 2005 een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten geeft; dat dit de tweede bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “Reden van de beslissing: Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite: De regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22/12/1999 werd definitief verworpen door een beslissing van de Minister op 02.12.2004.”; Overwegende dat de echtgenoot van de verzoekende partij op 17 november 2002 werd gemachtigd tot een verblijf van onbepaalde duur;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de eerste bestreden beslissing betreft, dat de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt; dat in de huidige stand van het geding geen uitspraak over deze exceptie dient te worden gedaan nu, zoals hierna zal blijken, niet aan de schorsingsvoorwaarden ten gronde is voldaan; 3.2.
- Overwegende, wat de eerste bestreden beslissing betreft, dat de minister van Binnenlandse zaken in die beslissing aangaande de toepassing van artikel 2,1/, van de Regularisatiewet stelt dat “(...) u naar aanleiding van uw asielaanvraag de asielinstanties opzettelijk heeft misleid. Meer bepaald blijkt uit het administratief dossier en de beslissing van de vaste beroepscommissie voor Vluchtelingen, een administratief rechtscollege, dat u van december 1991 tot juli 1994 in Duitsland verbleven heeft en er twee maal asiel heeft XIV-21.789-2/5 aangevraagd, terwijl uw feitenrelaas ter ondersteuning van uw asielaanvraag in België voor een groot deel steunt op problemen die u tijdens deze periode in Kosovo zou ondervonden hebben. Ik maak derhalve gebruik van artikel 6 van de wet van 22 december 1999 waarbij ik u uitsluit van de toepassing van deze wet”; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel tegen dit motief inbrengt dat zij in eerste instantie asiel had aangevraagd in Duitsland, dat zij de terugkeer naar haar land van herkomst niet veilig vond en daarom heeft beslist in België een asielaanvraag in te dienen, dat het onder de vluchtelingen bekend was dat een eerdere asielaanvraag in een ander land best niet kon worden bekendgemaakt, dat het gezin om een onbekende reden onmiddellijk asiel heeft gevraagd in plaats van een ontheemdenstatuut; Overwegende dat artikel 6 van de Regulariesatiewet als volgt luidt: “De in artikel 2,1,/ bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de minister, bij wie de aanvraag aanhangig is gemaakt door de Commissie voor regularisatie, kennelijk bedrog hebben gepleegd bij de procedure van hun asielaanvraag, zijn van de toepassing van deze wet uitgesloten”; Overwegende dat de verzoekende partij toegeeft dat zij eerder in Duitsland een asielaanvraag had ingediend en dat zij dit heeft verzwegen bij haar asielaanvraag in België; dat derhalve de minister van Binnenlandse Zaken op het eerste gezicht de verzoekende partij met toepassing van artikel 6 van de Regulariesatiewet kon uitsluiten; dat de overige kritiek in het eerste en het tweede middel is gericht tegen overtollige motieven; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste en het tweede middel nog de schending opwerpt van artikel 8 E.V.R.M.; dat echter de eerste bestreden beslissing een verwerping inhoudt van een regularisatieaanvraag doch op zichzelf geen verwijderingsmaatregel inhoudt; dat het tweede middel niet ernstig is; 3.
- Overwegende, wat de eerste bestreden beslissing betreft, dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van die beslissing af te wijzen, 4.1 Overwegende, wat de tweede bestreden beslissing betreft, dat de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt en stelt dat de verzoekende partij geen belang bij de vordering tot schorsing kan doen gelden omdat “de beslissing van 28 april 2004 alleszins uitvoerbaar blijft, meer bepaald de verklaring omtrent de niet-ontvankelijkheid van de verblijfsaanvraag, betekend op 28 april 2004”; XIV-21.789-3/5 Overwegende dat uit het loutere bestaan van de weigeringsbeslissing van 28 april 2004 op grond van het ontbreken van bepaalde stukken (genoemd “verklaring omtrent de niet-ontvankelijkheid van de verblijfsaanvraag”), prima facie geen verlies van belang bij het aanvechten van het thans bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten voortvloeit; dat ingevolge die “verklaring” van 28 april 2004 geen afzonderlijk bevel om het grondgebied te verlaten werd gegeven; dat weliswaar in het kader van de verwerping van de asielaanvraag reeds op 18 april 1998 een bevel om het grondgebied te verlaten aan de verzoekende partij werd gegeven; dat, zoals uit de feitelijke uiteenzetting hierboven blijkt, de verblijfssituatie van de echtgenoot van de verzoekende partij sedert het bevel van 18 april 1998 is gewijzigd, vermits hem een bevel tot inschrijving in het vreemdelingenregister werd gegeven en hij op 17 november 2002 werd gemachtigd tot een verblijf van onbepaalde duur; dat in het licht van deze niet-betwiste feiten in de huidige stand van het geding niet kan worden besloten tot een gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partij om de tweede bestreden beslissing aan te vechten; dat de exceptie wordt verworpen; 4.
- Overwegende, steeds wat de tweede bestreden beslissing betreft, dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van artikel 8 van het E.V.R.M. aangezien haar echtgenoot is gemachtigd om in België te verblijven terwijl zij met haar zes minderjarige kinderen het land dient te verlaten; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de echtgenoot van de verzoekende partij in het bezit werd gesteld van een bevel tot inschrijving in het vreemdelingenregister en als dusdanig gemachtigd is om regelmatig in België te verblijven; dat de verwijderingsmaatregel ten aanzien van de verzoekende partij en haar zes minderjarige kinderen derhalve op het eerste gezicht een inmenging betekent in het gezinsleven van de verzoekende partij en een schending uitmaakt van artikel 8 E.V.R.M.; dat het middel in die mate ernstig is; 4.
- Overwegende, wat de uiterst dringende noodzakelijkheid en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat uit de uiteenzetting van de verzoekende partij blijkt dat haar op 9 februari 2005 een bevel om het grondgebied te verlaten tegen uiterlijk 24 februari 2005 werd gegeven, dat de kinderen thuis Nederlands spreken en hier naar school gaan, dat de twee jongste kinderen in België zijn geboren, dat hun school- en sociaal leven hier abrupt zou worden onderbroken en dat de verzoekende partij en haar kinderen zouden worden gescheiden van hun echtgenoot, respectievelijk vader, die op legale wijze in België verblijft; dat in de omstandigheden, eigen aan de zaak, de verzoekende partij aldus voldoende in concreto aannemelijk maakt dat aan de voorwaarden van de uiterst dringende noodzakelijkheid en van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan met betrekking tot de tweede bestreden beslissing; XIV-21.789-4/5
- Overwegende dat ten aanzien van het bestreden bevel bijgevolg is voldaan aan de drie cumulatieve voorwaarden van voornoemd artikel 17,§§1en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ten aanzien van de eerste bestreden beslissing wordt verworpen. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 februari
- Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-21.789-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.747 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.