id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.760 Rolnummer: A. 156572/VII-32990 Zaak: Arrest 140760 - Milieuvergunningen - 17/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-28 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 07:49 Fiche Arrest nr 140.760 van 17 februari 2005 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.760 van 17 februari 2005 in de zaak A. 156.572/VII-32.
- In zake :
- Noël BROUCKAERT,
- Koen DENOO,
- Marc HESSEL,
- Francky BOUCKAERT,
- de gemeente HOOGLEDE, die woonplaats kiezen bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DESMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te GENT, Visserij 157 A tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
- tussenkomende partij : de b.v.b.a. SENERGHO, die woonplaats kiest bij Advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Noël BROUCKAERT, Koen DENOO, Marc HESSEL, Francky BOUCKAERT en de gemeente HOOGLEDE op 15 oktober 2004 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 augustus 2004, houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 12 februari 2004 houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de b.v.b.a. SENERGHO om een varkensbedrijf, gelegen te Gits (Hooglede), Driewegenstraat 21, uit te breiden; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-32.990-1/15 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 januari 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. VEKEMAN die, loco Advocaat B. ROELANDTS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat I. DE TANDT, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat met een verzoekschrift van 5 november 2004 de b.v.b.a. SENERGHO, houdster van de bestreden vergunning, heeft gevraagd in administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- De b.v.b.a. SENERGHO exploiteert een varkensfokkerij gelegen te Gits (Hooglede), Driewegenstraat 21 (vergunning voor de opslag van 2.448 m³ mest en voor het houden van 250 zeugen, 1.750 mestvarkens en 5 voedersilo’s (samen 60 ton) voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011). Deze inrichting is gelegen in een agrarisch landschappelijk waardevol gebied volgens het gewestplan Roeselare-Tielt. De eerste en tweede verzoekende partij wonen recht over de bestaande gebouwen van het bedrijf en de geplande inrichting zal op respectievelijk VII-32.990-2/15 ongeveer 40 en 15 meter van hun woning worden gevestigd. De derde en vierde verzoekende partij wonen in tuinbouwbedrijven, die respectievelijk op ongeveer 280 en 550 meter van de geplande inrichting zijn gelegen. 2.
- Op 10 november 2003 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie een milieuvergunningsaanvraag in met als voorwerp een varkensfokkerij uit te breiden met een biomethanisatie, productie van energie en verwerking en droging van het einddigestaat. Samengevat betreft de aanvraag de exploitatie van een mest- en afvalverwerkingsinstallatie, waarbij mest afkomstig van het eigen bedrijf en mest afkomstig van veeteeltbedrijven uit de omgeving (binnen een straal van 10 km), samen met andere afvalstoffen, omgezet wordt in biogas waarbij het brandbare methaan dient als brandstof voor een warmtekrachtmotor die een generator aandrijft en elektriciteit opwekt. In een volgende fase wordt de vaste fractie van de mest via droging en korrelpers omgezet in gekorrelde meststof bestemd voor export. De dunne (vloeibare) fractie wordt na filtering opgeslagen in een lagune en wordt nadien hergebruikt, o.m. voor beregening van akkers. Het resterend gedeelte wordt geloosd in het grachtenstelsel (indien voldaan is aan de sectorale normen). Het openbaar onderzoek naar aanleiding van deze aanvraag levert 101 bezwaarschriften op. Het college van burgemeester en schepenen en de afdeling Preventieve en Ambulante Gezondheidszorg adviseren ongunstig. De overige instanties adviseren gunstig. Op 12 februari 2004 beslist de bestendige deputatie de gevraagde milieuvergunning te verlenen voor een termijn van twintig jaar. 2.
- Tegen deze beslissing wordt beroep ingediend bij de minister door de gemeente Hooglede en door onder meer de eerste vier verzoekende partijen. Naar aanleiding van deze beroepen worden de volgende adviezen gegeven : - de Vlaamse Landmaatschappij op 29 april 2004 : gunstig mits het opleggen van een aantal bijkomende bijzondere voorwaarden, - de Vlaamse Milieumaatschappij op 5 mei 2004 : gunstig voor het lozen van maximum 0,33 m³/d en 120m³/j huishoudelijk afvalwater via kleinschalige waterzuiveringsinstallatie in ingebuisde gracht mits naleving van een aantal voorwaarden, en gunstig op proef voor 1 jaar voor het lozen van maximum 4 m³/u, 78 m³/d en 22.000 m³/j bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen (rubriek 3.4.1) mits voldaan wordt aan de sectorale voorwaarden; voor het overige ongunstig; VII-32.990-3/15 - de afdeling Milieuvergunningen op 10 mei 2004 : gunstig mits enkele wijzigingen aan de vergunningsvoorwaarden; - de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg op 12 mei 2004 : gunstig voor vergunning op proef voor twee jaar mits bijkomende bijzondere voorwaar- den; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op 12 mei 2004 : gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert op 17 mei 2004 dat het afvalaspect nog verder dient onderzocht te worden en dat daartoe nog aanvullend advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, de afdeling Milieuvergunningen en OVAM wordt gevraagd; - de afdeling Milieuvergunningen op 1 juni 2004 : aanvullend voorwaardelijk gunstig advies; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op 24 mei 2004 : aanvullend voorwaardelijk gunstig advies (de afvalverwerking dient van ondergeschikt belang te zijn aan de mestverwerking); op 4 augustus 2004 wordt dit advies aangevuld met de vermelding dat de verhouding 15%/85% tussen andere producten/mest nog te rijmen is met de eis van een hoofdzakelijk agrarische bestemming; - de Openbare Afvalmaatschappij voor het Vlaamse Gewest op 4 juni 2004 : gunstig mits bijkomende voorwaarde; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 7 juni 2004 : gedeeltelijk gunstig. 2.
- Op 15 juli 2004 zendt de minister het dossier zonder beslissing terug aan de afdeling Milieuvergunningen, enerzijds omdat nog bijkomende overtuigingsstukken aan de exploitant zijn gevraagd inzake de visuele impact, en anderzijds omdat de bijzondere voorwaarden op een aantal punten moeten verduidelijkt of aangevuld worden. Op 26 juli 2004 worden de bijkomende overtuigingsstukken overgemaakt. 2.
- Op 10 augustus 2004 beslist de minister de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren, waardoor de beslissing in eerste aanleg gewijzigd wordt om tegemoet te komen aan de voorwaarden die door de adviserende instanties werden geformuleerd. De vergunning wordt verleend voor een termijn verstrijkend op 1 september
- Dit is de bestreden beslissing; VII-32.990-4/15
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen in het verzoekschrift volgend betoog houden : "V.1 MTHEN in hoofde van eerste en tweede verzoekende partij. Zoals reeds werd aangestipt, wonen de eerste twee verzoekende partijen op 40 m, respectievelijk 15 m van de op te richten verwerkingsinstallatie (stuk 25 en 26). Punt is dat de exploitatie onverminderd aanleiding zal geven tot verkeers- hinder - ca 6 vrachtbewegingen per dag, zonder dat de rijbewegingen op het terrein zelf (kranen en bulldozers) in rekening werden gebracht alsook het vrachtverkeer verbonden aan de bestaande varkensfokkerij (aan- en afvoer van mestvarkens), i.e. bedrijf waarmee de inrichting een milieutechnische eenheid vormt - en waarbij niet alleen gevaarlijke verkeerssituaties zullen ontstaan, nu de lokale, openbare wegen totaal onaangepast zijn voor zwaar transport (stuk 31) en nauwelijks toelaten dat twee personenwagens elkaar kruisen zonder in grachten of zijbermen te verzakken, en niet in het minst omdat deze wegen deel uitmaken van een gefrequenteerde toeristische wandel- en fietsroute (stuk 28), maar ook bijkomende geluidshinder (aanrijden, afrijden, laden en lossen met kranen, ...) zal worden gegenereerd en een aanmerkelijke verstoring van de rust van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Verder zal de exploitatie aanleiding geven tot stofhinder - door het vrij drukke vrachtverkeer - en tot een bijkomende visuele aantasting van de schoonheidswaarde van het omliggende landschap. De verzoekende partijen zijn er zich van bewust dat de tolerantiedrempel in het agrarisch gebied hoger ligt dan in bv. een woongebied, hetgeen evenwel niet wegneemt dat de aard en de omvang van de voorgenomen activiteit een belangrijke hypotheek zal leggen op de leefbaarheid van de volledige omgeving, terwijl het landschappelijk waardevolle karakter volledig teniet zal worden gedaan en dit met het argument van een verhoogde tolerantiedrempel onmogelijk kan worden vergoeilijkt. Nu de b.v.b.a. SENERGHO via het bestreden vergunningsbesluit titularis is geworden van een milieuvergunning, is de burgerlijke actiemogelijkheid van de verzoekende partijen om een einde te stellen aan de hinder die voortvloeit uit de inplanting en de exploitatie van de mest- en afvalverwerkingsinstallatie volgens de heersende opvattingen beperkt tot een procedure voor de burgerlijke rechtbank waar hij in het kader van het leerstuk van de evenwichtsleer (foutloze aansprakelijkheid) enkel en alleen een geldelijke compensatie, maar in principe geen rechtstreekse maatregel ter beëindiging van de hinder zal kunnen vorderen (Zie Cass., 14 september 1995, TRD& I, 1996, afl. 3,37; J.L.M.B., 1996, 966, noot HENRY, P.; R.W., 1996-97, 188; A.J.T., 1995-1996, 525, noot SNAET S.; zie ook BOCKEN, H., ‘Herstel in natura en rechterlijk bevel of verbod’ in Liber amicorum Jan Ronse, 1986,
(493), 510-511). In dit opzicht is het nadeel onmiskenbaar moeilijk herstelbaar. VII-32.990-5/15 En zèlfs indien na de vernietiging toch herstelmaatregelen zouden worden bekomen, dan nog kunnen deze vanzelfsprekend in geen geval de schade dekken die de verzoekende partijen gedurende de periode van de annulatiepro- cedure heeft geleden (R.v.St., Bedoret, nr. 39.049, 25 maart 1992). Dit alles heeft voor gevolg dat de verzoekende partijen - bij gebrek aan een schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit - hun woon- en leefomstandigheden ook in de komende jaren onherstelbaar aangetast zien en de hiermee gepaard gaande onaanvaardbare hinder lijdzaam zullen moeten ondergaan, zodat niet kan worden miskend dat het ernstig nadeel dat de verzoekende partijen ingevolge de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit lijden, helemaal niet of in ieder geval bijzonder moeilijk kan worden hersteld. V.
- MTHEN in hoofde van de derde en vierde verzoekende partij. De derde en vierde verzoekende partij baten een tuinbouwbedrijf (kropsla- bedrijf) uit op 280 m, respectievelijk 550 m afstand van de nieuwe bedrijfssite (stuk 25 en 26). Beide bedrijven liggen ongeveer 7,5 m lager dan het bedrijf van SENERGHO bvba en hebben nu reeds te kampen met wateroverlast komende uit de richting van de inplantingsplaats voor de nieuw op te richten verwerkingsinstallatie (stuk 30 en 32). Als gevolg van de geplande uitbating zullen de verzoekende partijen ongetwijfeld worden geconfronteerd met een vermeerdering van deze wateroverlast, nu het bestaande grachtenstelsel niet voorzien is op een nieuwe toevloed van bedrijfsafvalwater, en in dat verband aan het bedrijf niet de vereiste, bijzondere vergunningsvoorwaarden werden opgelegd (cfr. derde middel). De impact van dergelijke wateroverlast op beide tuinbouwbedrijven mag nauwelijks worden onderschat nu dit evident schade aan de teeltgewassen en een dito inkomensverlies met zich meebrengt (cfr. foto’s waaruit blijkt dat de jonge slaplantjes volledig onder water zijn gelopen en ten gevolge van het daaropvolgende rottingsproces - o.a. door oververzadiging van de ondergrond - als Onnodig te vermelden dat dergelijke toestand onhoudbaar alsook ontoelaatbaar is, en dat - bij een gebrek aan schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit - de verzoekende partijen hun woon-, leef- en werkomstandigheden ook in de komende jaren onherstelbaar aangetast zien, zodat er bijgevolg moet vastgesteld worden dat ook in hoofde van de derde en vierde verzoekende partij voldaan is aan de tweede voorwaarde bedoeld in artikel 17, § 2 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State. De verzoekende partijen zijn uiteraard niet gebaat met een geldelijke compensatie in het licht van een procedure voor de burgerlijke rechtbank, nu zij op een wat betreft hun woon- en leefomstandigheden - gevrijwaard wensen te weten van (overmatige) wateroverlast. V.
- MTHEN in hoofde van de vijfde verzoekende partij In hoofde van de vijfde verzoekende partij is het nadeel van morele aard. De gemeente heeft zich zeer formeel verzet tegen dit project, wat blijkt uit het uitgesproken negatief advies. De bestreden beslissing doorkruist regelrecht het door haar beoogde milieu- en ruimtelijk beleid. VII-32.990-6/15 Bovendien wordt zij door de bestreden vergunningsbeslissing de facto verhinderd om ten aanzien van het gebied conform haar eigen beleidsinzichten en haar beleidsvrijheid, een beslissing te nemen omtrent de ruimtelijke inrichting alsook de verkeersveiligheid op de lokale en landelijke wegen. Dit wordt door de gemeente ervaren als een frontale aanslag op haar gemeentelijke bevoegdheden inzake de organisatie en inrichting van de lokale ruimtelijke ordening, hetgeen in het licht van het door de wetgever gewilde subsidiariteitsbeginsel onmiskenbaar ook te begrijpen valt. Deze grieven laten zich des te scherper aanvoelen nu zij door de burgers verantwoordelijk geacht wordt voor de gang van zaken, vermits zij ervan uitgaan dat het in haar macht lag en ligt om dit project te voorkomen. Als dusdanig wordt de goede naam van de vijfde verzoekende partij, als behoeder van het lokaal milieubeleid en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, zwaar bezoedeld. Door dit alles lijdt de vijfde verzoekende partij zeer zware morele schade die enkel door het meteen onmogelijk maken van de uitvoering van het project, kan worden goedgemaakt. Er is bijgevolg eveneens aan de tweede voorwaarde als bedoeld in artikel 17, § 2 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State voldaan"; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota als volgt repliceert : "1.
- Het MTHEN van de eerste en tweede verzoekende partijen wordt als volgt aangekaart : Volgens de eerste en tweede verzoekende partij zal de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit tot gevolg hebben dat hun woon- en levensomstandigheden onherstelbaar zal aangetast worden, hetgeen gepaard zal gaan met onaanvaardbare hinder dewelke zij lijdzaam zullen moeten ondergaan, namelijk verkeershinder, geluidshinder, verstoring van de rust, stofhinder en de visuele aantasting van de schoonheidswaarde. Verweerder ontkent het voormeld omschreven MTHEN; meer nog de Minister gaat ervan uit - op grond van alle door hem gekende gegevens - dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting mogelijks veroorzaakt door de kwestieuze exploitatie, mits naleving van de aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. De bestreden beslissing wordt tevens in die zin gemotiveerd. Wat de verkeershinder betreft, blijkt dat het aantal vrachtwagens beperkt zal worden tot 2 (4 bewegingen) hetgeen ongeveer 15 vrachten per week zal betekenen. Daarenboven zal de aanvoer en afvoer enkel en alleen gebeuren langs de Amersveldestraat en de Kortemarkstraat én zal alle transport van de mestverwerkingsinstallatie in eigen beheer gebeuren, zodat de exploitant alles in goede banen kan leiden. De rijbewegingen op de exploitatie zullen met de meeste zorg uitgevoerd worden en het vrachtverkeer verbonden aan de bestaande varkensfokkerij zal geenszins stijgen. Ook van de opgeworpen geluidshinder en of geurhinder zal geen sprake zijn, noch van een verstoring van de rust of stofhinder. De gebruike tankwagens zijn immers volledig gesloten; deze worden gelost binnen in de loods, zijnde in de ondergrondse mestopslag. Daarenboven verloopt het hele proces in een gesloten luchtdichte ruimte! Er worden evenmin metingen voorgelegd, dewelke een (potentieel) geluids- of geurhinder zouden kunnen bewijzen. VII-32.990-7/15 Bovendien hebben de overige exploitanten ook te maken met vrachtvervoer, zodat bezwaarlijk alles in de schoenen van de bvba Senergho kan gestoken worden. De opgeworpen aantasting van de visuele schoonheidswaarde komt evenmin als een MTHEN over, daar een landschappelijke inkleding met streekeigen groen wordt voorzien (ter bevordering van de integratie van het kwestieus complex in de plaatselijke site). Daarnaast is de geplande installatie vrij compact, hetgeen de ruimtelijke impact op de omgeving ten zeerste beperkt. Meer nog, de installatie vormt een ruimtelijke eenheid met het gebouwenbestand van het bestaande veeteeltbedrijf en de serre van het naastliggende glastuinbouwbedrijf. Bovendien werd een groenscherm (dewelke in de bouwvergunningsaanvraag werd opgenomen) in de exploitatievoorwaarden opgelegd én werd een simulatie van de visuele impact opgesteld waaruit mag geconcludeerd worden dat de visuele impact op de omgeving gering zal zijn, rekening houdende met de omliggende bestaande bedrijfsgebouwen. Tevens maakt de verscheidene opgeworpen hinder slechts hypothesen uit. Momenteel hebben verzoekers geen last, en zij zullen in de toekomst evenmin hinder ondervinden! Bijgevolg betwist verweerder - gelet op al het voorgaande - met de meeste klem dat de vergunde activiteit een belangrijke hypotheek zal leggen op de leefbaarheid van de volledige omgeving, zodat van een MTHEN geen sprake kan zijn in hoofde van de twee eerste verzoekers. 1.2 Als MTHEN van de derde en vierde verzoekende partij wordt de aantasting van hun woon-, leef- en werkomstandigheden opgeworpen: Wat de woon- en levensomstandigheden betreft, kan verweerder verwijzen naar hetgeen daaromtrent zopas werd uiteengezet. Wat hun werkomstandigheden betreft, meent verweerder dat er ook hier geen risico’s zullen zijn. De wateroverlast met dewelke zij te kampen hebben gehad maakte slechts een toevallige overlast uit. Heel de waterregeling wordt immers in het bestreden besluit omschreven en toen verzoekers met de overlast werden geconfronteerd, waren al de voorgestelde en opgelegde maatregelen nog niet in werking getreden, bovendien kan niet met zekerheid vastgesteld worden dat de wateroverlast enkel en alleen van de kwestieuze exploitatie afkomstig was : - het bedrijfsafvalwater wordt gezuiverd en zoveel mogelijk hergebruikt in de exploitatie en het resterende gedeelte wordt geloosd in oppervlaktewater, dewelke moet voldoen aan de sectorale lozingsvoorwaarden voor bedrijfsafvalwater; dat daarenboven een lagune zal aanwezig zijn en dat slechts zal mogen geloosd worden bij droog weer en niet in periodes van overlast op de lager, stroomafwaarts gelegen gronden; - het huishoudelijk afvalwater zal intern gebruikt worden; - het niet-verontreinigde regenwater wordt daarenboven opgevangen en hergebruikt; Bovendien herhaalt verweerder dat men ook hier te maken heeft met hypotheses. Bijgevolg meent verweerder dat het MTHEN in hoofde van de derde en vierde verzoekende partij evenmin bewezen is, laat staan dat het ernstig is en/of dat het niet herstelbaar zou zijn. 1.3 De vijfde verzoekende partij meent tenslotte dat zij zeer zware morele schade lijdt daar: - de bestreden beslissing haar beoogde milieu- en ruimtelijk beleid doorkruist; - zij door de burgers verantwoordelijk geacht wordt voor de gang van zaken. Feit is dat de Minister vrij zijn beleid kan bepalen en aanpassen, doch dat hij zich steeds aan alle hogere normen (dient) te houden. VII-32.990-8/15 De Minister heeft de beslissing genomen zich baserende op alle gegevens van het dossier en heeft dit gedaan op een onpartijdige en objectieve wijze, rekening houdende met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien mag men niet vergeten dat voor de Provincieraad slechts 2 op de 8 adviezen negatief waren (waaronder deze van de vijfde verzoekende partij) én dat in de administratieve procedure voor de Minister er geen enkel negatief advies werd verstrekt! De Minister dient zich op al deze gegevens te baseren, na grondig onderzoek van het dossier. Ook hieruit blijkt bijgevolg dat vijfde verzoekende partij niet voldoet aan de tweede voorwaarde, als bedoeld in artikel 17, § 2 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State"; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoek tot tussenkomst als volgt repliceert : "
- De eerste twee verzoekende partijen De eerste twee verzoekende partijen voeren samengevat als nadeel aan : - verkeershinder; - geluidshinder; - verstoring van de rust; - stofhinder; - visuele hinder. Geurhinder wordt niet ingeroepen. Zoals verder zal worden aangetoond, zijn deze verzoekers niet met concrete en precieze gegevens onderbouwde Verkeershinder Verzoekende partijen leggen helemaal niet in concreto uit welke verkeershinder er wel dreigt. De verzoekende partijen beoordelen de wegen als zouden die wegen bestemd zijn voor personenwagens. Niets is minder waar. Het gaat om landbouwwegen in het agrarisch gebied. Deze landbouwwegen zijn verhard met beton. De uitrusting van deze landbouwwegen is voldoende voor de moderne land- en tuinbouwactiviteit. Verzoekers leggen niet uit waarom die wegen niet voldoende uitgerust zouden zijn. Het enige wat verzoekers aanvoeren is dat twee personenwagens elkaar niet zouden kunnen kruisen. De betrokken wegen hebben de normale breedte van landbouwwegen zoals overal in Vlaanderen. Op de meeste landbouwwegen is er transport met zware tractoren, aanhangwagens, vrachtwagens en machines. Het valt niet in te zien hoe 2 à 3 vrachtwagens per dag die weg plotseling ongeschikt zouden maken. Het is niet omdat de woningen van de eerste twee verzoekende partijen in het agrarisch gebied moeten geduld worden dat de (wegen)structuur van dat gebied moet aangepast worden aan het wooncomfort van de verzoekende partijen. Het tegendeel is waar. De zonevreemdheid houdt in dat men geen volledig woongenot kan opeisen, zoals in een woongebied. Het voorbij rijden van transporten die in verband staan met de agrarische activiteit kan in het agrarisch gebied moeilijk als een hinder bestempeld worden, ook niet ten aanzien van zonevreemde woningen. VII-32.990-9/15 De verzoekende partijen hebben het over 6 vrachtwagenbewegingen per dag. Dat zijn dus drie vrachtwagens die heen en terug rijden. Het vervoersplan gaat echter over 2 à 3 vrachtwagens per dag. De verzoekers laten na uit te leggen hoe dat een ernstig nadeel uitmaakt. Hoe het feit dat de betrokken landbouwwegen zouden opgenomen zijn in een toeristische wandel- en fietsroute zou meebrengen dat er een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ontstaat voor de verzoekende partijen wanneer deze wegen verder gebruikt worden voor de landbouw, is een raadsel. Men kan zich overigens afvragen of een landbouwweg gelegen in landbouwgebied van het gewestplan wel een toeristische bestemming kan krijgen ? In ieder geval kan deze bestemming nooit afbreuk doen aan de gewestplanbestemming. Verzoekers maken niet aannemelijk dat het beperkte verkeer dat onlosmakelijk met de inrichting verbonden is (2 à 3 vrachtwagens per dag) voor hen een ernstig nadeel kan uitmaken dat moeilijk te herstellen is. Geluidshinder en verstoring van de rust in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied Volgens de verzoekende partijen zal er geluidshinder zijn door het voorbijrijdend verkeer en door de bedrijfsactiviteit. Ook hier zijn verzoekers alles behalve concreet. Weerom blijkt het hier op neer te komen dat verzoekers het wooncomfort opeisen van een woning die gelegen is in het woongebied daar waar hun woning zonevreemd ligt in het agrarisch gebied. Verzoekers maken niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteit hun rust meer dan toelaatbaar in het agrarisch gebied zal verstoren en dat er meer geluidshinder zal zijn dan toegelaten in een agrarisch gebied. Verder wordt nergens uitgelegd waarom deze beweerde hinder ernstig zou zijn of moeilijk te herstellen. Stofhinder Verzoekers beweren, weerom zonder enige concrete invulling, dat het vrachtverkeer aanleiding zal geven tot stofhinder. De bestreden vergunning legt bijvoorbeeld op dat de transporten gebeuren met gesloten vrachten. Nergens maken zij aannemelijk dat er meer dan toelaatbaar in het landbouwgebied stof zal zijn door het verkeer dat onlosmakelijk met de inrichting verbonden is (2 à 3 vrachtwagens per dag). Ook hier wordt niet aannemelijk gemaakt dat deze beweerde hinder, ernstig is of moeilijk te herstellen. Visuele hinder Een gebeurlijke schending van het uitzicht vloeit niet voort uit de milieuvergunning maar uit de bouwvergunning (R.v.St., nr. 88.296, Depret, 27 juni 2000).
- De derde en vierde verzoekende partij De derde en de vierde verzoekende partij voeren aan dat zij nu reeds te kampen hebben met wateroverlast. Deze overlast zal volgens hen vermeerderen. Zij zullen kosten moeten maken om privé-riolering aan te leggen en waterpompen te plaatsen en dat zou psychologische spanningen teweeg brengen in hun gezin. In de mate dat de verzoekende partijen gewagen van psychologische spanningen, kan dit enkel betrekking hebben op de reeds bestaande wateroverlast. Verzoekers lichten de bestaande wateroverlast nergens toe. Verzoekers leggen ook niet uit wat de verergering zou zijn van de bestaande situatie. Verzoekers leggen ook niet uit welke maatregelen zij op vandaag hebben genomen tegen de bestaande wateroverlast en waarom deze maatregelen niet voldoende zouden zijn bij het uitvoeren van het bestreden besluit. Men kan natuurlijk niet zo ver gaan om te beweren dat de bestaande wateroverlast zou voortvloeien uit de bestreden beslissing. VII-32.990-10/15 Verzoekers geven trouwens geen enkele informatie over de bestaande wateroverlast en de impact daarvan op hun bedrijfsvoering. De overgelegde foto’s van jonge sla-plantjes die onder water staan, tonen niet aan wat verzoekers beweren. Deze foto's gaan hoogstens over een bestaand probleem, waarvoor verzoekers blijkbaar zelf niet de nodige maatregelen nemen. Alleszins maken verzoekers niet duidelijk welke maatregelen ze genomen zouden hebben. Blijkbaar hebben de verzoekende partijen op vandaag voor het bestaande wateroverlastprobleem nog geen adequate maatregelen genomen. Zij stellen immers in hun verzoekschrift dat privé-riolering en pompen zullen moeten aangelegd worden. Een dergelijk nadeel is alleszins niet moeilijk te herstellen. Verzoekers geven zelf aan hoe het nadeel kan hersteld worden. Bovendien is dat nadeel een louter financieel nadeel. Verzoekers brengen geen gegevens bij waaruit zou kunnen blijken dat een dergelijk financieel nadeel moeilijk te herstellen zou zijn. De verzoekende partijen leggen ook niet uit of zij de vroeger bestaande brede gracht hebben vervangen door grachtbuizen met een kleine diameter. In ieder geval was er vroeger ter plaatse een brede gracht. Mogelijks liggen verzoekers dus mee aan de basis van hun bestaande waterprobleem. De tuinbouwers zouden de gemeente al herhaald aangesproken hebben om het bestaande probleem van de wateroverlast op te lossen. De derde en vierde verzoekende partij blijken dus een tegengesteld belang te hebben met de vijfde verzoekende partij. Verzoekers leggen geenszins uit waarom de door het bestreden besluit opgelegde voorwaarden inzake waterzuivering en lozing niet zouden volstaan en voor hen een verhoging van het bestaande wateroverlastprobleem zou inhouden die onoverkomelijk is. Zo is er een lozingsdebiet van maximaal 4 m³ per uur, 78 m³ per dag of 22.000 m³ per jaar opgelegd. In hoofdzaak moet het gezuiverde afvalwater hergebruikt worden in de inrichting. De bedrijven van de verzoekende partijen zijn minstens 400 meter van het geplande lozingspunt voor het bedrijfsafvalwater gelegen. De topografische kaart toont aan dat het grootste gedeelte van de waterdoorvoer in het gebied van de bedrijven van de verzoekende partijen afkomstig is van de bebouwingen richting dorp Gits. Het water komt voor die bedrijven dus uit de oostelijke richting. De geplande inrichting ligt ten westen.
- De vijfde verzoekende partij De gemeente Hooglede beweert een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te lijden doordat de bestreden beslissing haar beleidsinzichten en beleidsvrijheid zou doorkruisen. Daarbij wordt vooral gewezen op de ruimtelijke inrichting. Ook deze verzoekende partij brengt geen concrete onderbouwing van haar beweringen. Hoger, bij het belang werd er reeds op gewezen dat de gemeente op grond van haar beleidsinzichten inzake ruimtelijke ordening, als zij die dan al heeft, niet wettig kan opkomen tegen het bestreden besluit. De bewering dat de burgers de gemeente verantwoordelijk achten voor de goede gang van de zaken, kan moeilijk begrepen worden als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat volgt uit het bestreden besluit. De verzoekende partij legt niet uit dat de inwoners de perceptie zouden hebben dat de gemeente verantwoordelijk is voor wat er verkeerd zou gaan op niveau van het Vlaamse Gewest. En, als dat dan al het geval zou zijn, dan is dat nadeel niet het gevolg van het bestreden besluit, maar van een verkeerde perceptie"; VII-32.990-11/15 3.4.
- Overwegende dat de door de eerste en de tweede verzoekende partij aangevoerde aspecten inzake het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt worden beoordeeld : VII-32.990-12/15 - Verkeershinder : Zelfs aangenomen dat er effectief zou moeten worden rekening gehouden met zes vrachtbewegingen (= 3 vrachtwagens) per dag in plaats van vier zoals in de bestreden beslissing wordt vooropgesteld kan er bezwaarlijk sprake zijn van een "vrij druk vrachtverkeer". Uit de zowel door de verzoekende als door de tussenkomende partij neergelegde stukken blijkt bovendien dat de wegen waarlangs het vervoer dient te gebeuren in niets verschillen van de normale verharde landbouwwegen in landbouwgebied, waarlangs dus aan- en afvoer van vee, mest, veevoeder en dergelijke meer via vrachtverkeer mogelijk is. Er wordt dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het vrachtverkeer aanleiding zal geven tot gevaarlijke verkeerssituaties, ernstige geluids- en stofhinder en een "aanmerkelijke" verstoring van de rust. Wat betreft de aangevoerde hinder veroorzaakt door de rijbewegingen op het terrein zelf door kranen en bulldozers, waarmee in het bestreden besluit geen rekening zou zijn gehouden, blijkt uit de motivering van het bestreden besluit dat de mest gelost wordt "binnen in de loods in de ondergrondse mestopslag en dat het hele proces van laden en lossen gebeurt in een gesloten luchtdichte ruimte". Dienvolgens zal de vergunde exploitatie niet leiden tot het gebruik van kranen en bulldozers op het terrein zelf. Eventuele rijbewegingen op het terrein zijn aldus reeds afkomstig van de bestaande exploitatie en vloeien niet voort uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. In de mate dat wordt aangevoerd dat de verkeershinder geschiedt op de wegen die deel uitmaken van een gefrequenteerde toeristische fiets- en wandelroute, ontbeert dit aspect het vereiste persoonlijk karakter. Bovendien blijkt het enkel om een kruising van die route te gaan. - Visuele hinder : De visuele impact van de vergunde exploitatie vloeit voort uit de stedenbouwkundige vergunning en dus niet uit de bestreden beslissing; 3.4.
- Overwegende, wat de door de derde en de vierde verzoekende partij aangevoerde vermeerdering van de bestaande wateroverlast betreft, dat blijkens het bestreden besluit het bedrijfsafvalwater wordt gezuiverd en zo veel mogelijk zal worden hergebruikt in de inrichting zelf, dat er een lagune aanwezig is van twee miljoen liter die het resterend gezuiverd bedrijfsafvalwater gedurende ongeveer een maand kan opvangen en dat om het overstromingsgevaar van de omliggende beken te ontwijken als bijzondere exploitatievoorwaarde werd opgelegd VII-32.990-13/15 dat enkel mag worden geloosd bij droog weer en zeker niet in periodes van wateroverlast op de lager, stroomafwaarts gelegen gronden; dat in die omstandigheden de aangevoerde ernstige verzwaring van de wateroverlast als een louter hypothetisch nadeel voorkomt; 3.4.
- Overwegende dat de vijfde verzoekende partij op geen enkele wijze concreet toelicht welk haar beoogde milieu- en ruimtelijk beleid is inzake de projectsite en omgeving, zodat ook niet kan beoordeeld worden hoe dit beleid doorkruist wordt door de bestreden beslissing, laat staan dat onderzocht zou kunnen worden of deze doorkruising haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent; dat de bewering dat de inwoners van Hooglede haar verantwoordelijk achten voor de gang van zaken omdat zij er van uitgaan dat het in haar macht lag om te verhinderen dat de bestreden exploitatie werd vergund, geen nadeel inhoudt dat rechtstreeks voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit; dat bovendien de vijfde verzoekende partij aan de bewoners voldoende bewijzen kan aanbrengen dat zij alles in het werk heeft gesteld om te verhinderen dat de bestreden vergunning werd verleend, te weten haar negatief advies verstrekt tijdens de procedure in eerste aanleg, het administratief beroep dat zij tegen de in eerste aanleg verleende vergunning heeft aangetekend en de huidige vordering;
- Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen zonder dat de door de tussenkomende partij opgeworpen excepties van onontvankelijkheid van de vordering moeten worden onderzocht, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de b.v.b.a. SENERGHO in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-32.990-14/15 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomende partij, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien februari tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-32.990-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.760 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.916 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.214 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div