id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.761 Rolnummer: A. 155319/VII-32714 Zaak: Arrest 140761 - - 17/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-28 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-02 07:49 Fiche Arrest nr 140.761 van 17 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.761 van 17 februari 2005 in de zaak A. 155.319/VII-32.
- In zake :
- de b.v.b.a. SORAF,
- Luc JANSSENS, die woonplaats kiezen bij Advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. SORAF en Luc JANSSENS op 3 september 2004 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 13 juli 2004 houdende uitspraak over het verzoek van de afdeling Milieu-Inspectie, buitendienst Antwerpen, Copernicuslaan 1, te Antwerpen, tot gedeeltelijke schorsing van de milieuvergun- ning verleend bij ministerieel besluit van 6 mei 1996 aan de b.v.b.a. SORAF, voor de exploitatie van een inrichting, gelegen te Rumst, Hollebeekstraat 89; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 januari 2005; VII-32.714-1/9 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Th. RYCKALTS die, loco Advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat J. NIJS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 6 mei 1996 wordt aan de n.v. Aannemingsbedrijf JANSSENS, rechtsvoorganger van de eerste verzoekende partij, een milieuvergunning verleend om aan de Hollebeekstraat nr. 89 te Rumst, kadastraal perceel afdeling 1, sectie C, perceelnr. 34 een inrichting uit te baten omvattende : - opslag en overslag van bouw- en sloopafval; - mobiele zeef- en sorteerinstallatie van 52 kW; - opslag en /of sorteren van papier, hout, karton, plastic, metaal- en glasafval; - opslag van max. 10 ton schroot; - stalplaats voor drie voertuigen; - een verhakselaar van hout met een vermogen van 55 kW; - opslag van 357 ton boomstronken en verhakseld hout in open lucht; - opslag van minerale producten op het deel van het perceel gelegen in industrie- zone. 1.
- Op 22 maart 2000 doet de b.v.b.a. SORAF, eerste verzoekende partij, melding van de overname. 1.
- Met een brief van 25 augustus 1999 vraagt de directeur van de afdeling milieu-inspectie van AMINAL, buitendienst Antwerpen, aan de Vlaamse minister van Leefmilieu om de milieuvergunning van de n.v. Aannemingsbedrijf Luc JANSSENS gedeeltelijk te schorsen. De gedeeltelijke schorsing wordt gevraagd om diverse redenen : VII-32.714-2/9 - de bandenwasinstallatie opgelegd als bijzondere voorwaarde in de milieuver- gunning van 6 mei 1996 is niet geïnstalleerd; - diverse algemene en sectorale milieuvoorwaarden worden niet nageleefd (geen weegbrug, geen afvalstoffenregister, onvolledig groenscherm, betonnen vloer zonder afwateringssysteem, opslag niet op aangewezen vloeren of in containers, onvoldoende maatregelen om te lange opslagtijden en -hoeveelheden te vermijden, onvergunde mazouttank, opslagtank en vaten staan niet in een inkuiping); - opslag van minerale producten en bouw- en sloopafval, en zeef- en sorteerin- stallatie bevinden zich in bufferzone; - grond, minerale producten en bouw- en sloopafval op een onvergund perceel dat in een natuurgebied ligt; - achtergelaten asfaltschraapsel nog steeds niet volledig verwijderd. Op 15 september 1995, 23 augustus 1996, 26 mei 1997, 25 maart 1998 en 12 augustus 1999 stelt de afdeling milieu-inspectie P.V.'s op. Door de rijkswachtbrigade worden op 15 februari 1995, 14 juli 1995 en 14 september 1995 drie P.V.’s opgesteld. Door de milieu-ambtenaar van de gemeente Rumst worden op 13 augustus 1997, 22 december 1997, 23 juni 1998 en 23 maart 1999 P.V.'s opgesteld voor het verbranden van afvalstoffen in open lucht. Vastgesteld wordt dat de n.v. Aannemingsbedrijf Luc JANSSENS telkens geen of onvoldoende gevolg geeft aan de onderrichtingen. 1.
- Op 28 oktober 1999 stelt de OVAM een verslag op in verband met het verzoek tot gedeeltelijke schorsing van de milieuvergunning. Op basis van de mededelingen van de exploitant besluit de OVAM dat voor het grootste deel tegemoet gekomen wordt aan de opmerkingen van de afdeling milieu-inspectie van AMINAL. Tijdens hetzelfde plaatsbezoek van de OVAM worden evenwel ook een aantal negatieve vaststellingen gedaan. 1.
- Op 12 november 1999 adviseert de burgemeester van de gemeente Rumst om de gedeeltelijke schorsing van de vergunning te laten ingaan en te behouden totdat het bedrijf zich op verschillende punten in regel stelt. 1.
- Op 14 mei 2003 stelt de milieu-inspectie (buitendienst Antwer- pen) een P.V. op ten laste van Luc JANSSENS, afgevaardigd bestuurder van de VII-32.714-3/9 b.v.b.a. SORAF. In het P.V. worden verschillende vaststellingen gedaan, die in essentie als volgt kunnen worden samengevat : - het uitvoeren van activiteiten op niet vergunde percelen; - het exploiteren van een geweigerd onderdeel van de vergunningsaanvraag en het niet naleven van de exploitatievoorwaarden; - het achterlaten van afvalstoffen; - het niet uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek. 1.
- Hierop richt de directeur van de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Antwerpen, op 16 mei 2003 aan de Vlaamse minister voor Leefmilieu een nota waarin herinnerd wordt aan de vraag tot gedeeltelijke schorsing die reeds van 25 augustus 1999 dateert. Zij wijst er op dat de toestand ondertussen niet is verbeterd. 1.
- In een verslag van 1 oktober 2003 van een extern milieucoördina- tor van de b.v.b.a. RECYCLING ASSISTANCE wordt aangegeven dat een deel van de vergunde activiteiten wordt uitgeoefend op niet vergunde percelen, en dat niet voldaan wordt aan bepaalde sectorale milieuvoorwaarden. Er wordt in het verslag ook melding gemaakt van een reeks acties die door de milieucoördinator en de exploitant zullen worden ondernomen om zich in regel te stellen met de geldende milieuwetgeving. 1.
- In een brief van 13 april 2004, gericht aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, stelt de externe milieudeskundige van de b.v.b.a. RECYCLING ASSSISTANCE dat het de bedoeling is zo snel mogelijk een aantal plannen in bijlage uit te voeren zodat aan alle algemene en sectorale milieuvoorwaarden zal kunnen worden voldaan, maar dat gewacht moet worden op een bijzonder plan van aanleg om de verdere uitbreiding en toevoeging van de milieuvergunning te kunnen aanvragen. 1.
- Op 13 juli 2004 wordt de bestreden beslissing genomen. Het beschikkend gedeelte ervan luidt als volgt : "Artikel
- Het verzoek van de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Antwerpen, tot gedeeltelijke schorsing van de milieuvergunning, verleend bij ministerieel besluit nr. AMV/00006466/600 van 6 mei 1996, wordt ingewilligd. Artikel
- De in artikel 1 vermelde vergunning op naam van SORAF bvba, voor de exploitatie van een aannemingsbedrijf gelegen te 2840 Rumst, Hollebeekstraat 89, wordt geschorst, voor wat betreft de aanvoer van minerale producten en de aanvoer, de uitsortering en opslag van afvalstoffen. VII-32.714-4/9 Artikel
- De schorsing vermeld in artikel 2 geldt tot wanneer uit een schriftelijk verslag van de afdeling Milieu-inspectie van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer blijkt dat de exploitant zich in regel heeft gesteld met alle opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden van de in artikel 1 vermelde milieuvergunning";
- Overwegende dat prima facie de tweede verzoeker niet over de vereiste hoedanigheid beschikt om de vordering tot schorsing in te stellen, vermits hij niet de exploitant is van de inrichting waarvoor de milieuvergunning gedeeltelijk werd geschorst; dat de vordering, wat hem betreft, onontvankelijk is;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de uiteenzetting van de eerste verzoekende partij neerkomt op wat volgt : De bestreden beslissing impliceert een stopzetting van iedere nuttige exploitatie. Het gedeelte van de vergunning dat geschorst wordt behelst de aanvoer van minerale producten en de aanvoer, de uitsortering en opslag van afvalstoffen. De inrichting is uitsluitend gericht op en geschikt voor de opslag, overslag en verwerking van afvalstoffen en minerale producten, hetgeen duidelijk blijkt uit de vergunde activiteiten. Door de gedeeltelijke schorsing van de vergunning rest enkel de stalplaats voor drie voertuigen, een verhakselaar van hout en een mobiele zeef- en sorteerinstallatie, waarvoor aangaande deze twee installaties geen materiaal meer kan worden aangevoerd. De stopzetting van de activiteiten brengt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel teweeg, hetgeen door de Raad van State in een overvloedige rechtspraak wordt aangenomen. Zulk een definitieve stopzetting van de activiteiten brengt, naast het verlies van alle cliënteel, marktaandeel en reputatie, een verlies van alle jaarlijkse inkomsten mee. Op basis van de gegevens van 2003 kan worden gesteld dat per jaar ongeveer 361.097,75 euro bedrijfsopbrengsten verloren zullen gaan. Niet alle bedrijfsuitgaven zullen evenwel wegvallen, gelet op de lopende contracten. Binnen het jaar zal het eigen vermogen opgesoupeerd zijn, en wordt een VII-32.714-5/9 faillissement onafwendbaar. Komt daarbij dat er nog een procedure hangende is voor het betalen van een bijkomende milieuheffing. Opdat de opgelegde maatregel zou kunnen worden opgeheven dient de planologische situatie te worden opgelost, doch een definitieve aanpassing van de planologische situatie kan nog jaren op zich laten wachten. De marktpositie van de verzoekende partij zal verloren gaan. De site in kwestie is de enige locatie waar de b.v.b.a. SORAF exploiteert. Zonder inkomsten kan het bedrijf niet blijven draaien. De stopzetting zal ook zwaarwegende gevolgen hebben voor het cliënteel van verzoekers. De klanten zullen elders hun toevlucht zoeken, en dit zal definitief zijn. Dat cliënteel is verloren, ook al kan de exploitatie later weer worden opgestart. De verzoekende partijen lijden ook een ernstig moreel nadeel. De verkregen vergunningen en certificaten, onder andere het COPRO-certificaat, zal vervallen bij een langdurige inactiviteit. De ernst van het nadeel dient mede beoordeeld in functie van de graad van ernst en de aard van de middelen. Verwezen wordt naar de ingeroepen middelen. Het ingeroepen nadeel zal niet hersteld kunnen worden door een annulatiearrest. Door een schorsingsarrest zal de overheid ertoe aangezet worden de zaak opnieuw te onderzoeken; 3.
- Overwegende dat in haar nota de verwerende partij, samengevat, repliceert dat, gelet op de in 1999 door de afgevaardigde bestuurder afgelegde verklaringen en de door de milieucoördinator opgestelde rapporten, vastgesteld moet worden dat een belangrijk deel van de opgelegde milieuvoorwaarden ondertussen werd gerealiseerd, dat mits een ernstige inspanning van de exploitant de voltooiing van alle opgelegde exploitatievoorwaarden binnen relatief korte termijn moet kunnen gebeuren, zodat de opgelegde schorsing slechts tijdelijk de stopzetting van een aantal activiteiten tot gevolg zal hebben, dat deze tijdelijke stopzetting voor de verzoekende partij quasi geen verlies aan cliënteel noch een verlies van het marktaandeel tot gevolg heeft, nu de aanvoer van de afvalstoffen grotendeels gebeurt door de n.v. Aannemingsbedrijf L. JANSSENS, dat beide vennootschappen met elkaar zijn verbonden en dat het niet uitgesloten of onmogelijk is dat tijdelijk een ander afvalstoffenverwerkend bedrijf wordt aangesproken; dat zij nog opmerkt dat de legale afvoer van de opgelegde minerale producten en afvalstoffen op het VII-32.714-6/9 vergunde perceel doch evenzeer op de andere gedeelten (in de bufferzone en het ontginningsgebied) en op de percelen nummers 34w en 34t wel is toegelaten, dat voor de opheffing van de schorsing het volstaat dat de verzoekende partij de milieuvergunningsvoorwaarden naleeft, en dat geen van deze voorwaarden gewag maakt van een planologische wijziging van de site; 3.3.
- Overwegende dat de bestreden gedeeltelijke schorsing van de milieuvergunning "voor wat betreft de aanvoer van minerale producten en de aanvoer, de uitsortering en opslag van afvalstoffen" verleend bij ministerieel besluit van 6 mei 1996 geldt "tot wanneer uit een schriftelijk verslag van de afdeling milieu-inspectie van de administratie Milieu-, Natuur-, Land, en Waterbeheer blijkt dat de exploitant zich in regel heeft gesteld met alle opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden van de in artikel 1 vermelde milieuvergunning"; dat uit de neergelegde stukken, alsook uit de op vraag van de auditeur door de raadsman van de verzoekende partijen verstrekte toelichting, blijkt dat de eerste verzoekende partij de bandenwasinstallatie en weegbrug heeft geplaatst op het gedeelte van het vergunde perceel 34v dat gelegen is in een bufferzone en dat voor de verplaatsing ervan een bouwvergunning is vereist; dat, voorts, de eerste verzoekende partij er voor opteert om de in de milieuvergunning van 6 mei 1996 opgelegde vloeistofdichte vloer niet alleen op het perceel 34v maar ook op het perceel 34w, waarvoor geen vergunning voorhanden is, in te planten, dit samen met een sorteerloods en een betoncentrale en dat zij stelt dat daartoe nog een bestemmingswijziging noodzakelijk is hetgeen een zeer lange tijd in beslag kan nemen; dat de eerste verzoekende partij het ingeroepen nadeel gelegen in de naar haar oordeel noodzakelijk lange termijn om zich in regel te stellen met de in de milieuvergunning van 6 mei 1996 opgelegde vergunningsvoorwaarden in de eerste plaats te wijten heeft aan haar eigen onwettig handelen; dat, bovendien, op de terechtzitting is gebleken dat de eerste verzoekende partij zelfs nog geen bouwvergunningsaanvraag heeft ingediend voor wat betreft het gedeelte industriegebied op het vergunde perceel 34v; dat de eerste verzoekende partij in haar toelichting er ook op wijst dat sinds 1 april 2004 een stedenbouwkundige vergunning moet worden aangevraagd voor de opslag van grond, dat "er zich heden grote hoeveelheden opslag situeren buiten het bewuste perceel 34v", en dat "een herlocalisatie naar het perceel 34v of naar elders, veel tijd in beslag zal nemen"; dat aldus de eerste verzoekende partij er zelf voor heeft gekozen om buiten de perken van de verleende vergunning, en dus illegaal, grond op te slaan; dat ook, wat dit VII-32.714-7/9 punt betreft, het onwettig handelen van de eerste verzoekende partij aan de basis ligt van het door haar aangevoerd moeilijk te herstellen ernstig nadeel; 3.3.
- Overwegende, tenslotte, dat om de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte te kunnen bevelen er cumulatief aan twee grondvoorwaarden moet zijn voldaan, namelijk het aanvoeren van een ernstig middel dat tot de schorsing - en later vernietiging - van de aangevochten akte kan leiden en het berokkenen van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte; dat het in casu gaat om twee onderscheiden voorwaarden; dat de afwezigheid van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen zonder dat "de ernst van de middelen" moet worden onderzocht; dat de eerste verzoekende partij dan ook niet nuttig naar de "ernst van de middelen" kan verwijzen, ter adstructie van het aangevoerd moeilijk te herstellen ernstig nadeel; 3.3.3 Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gestelde schorsingsvoorwaarde; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-32.714-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien februari tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-32.714-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.761 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.646 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.