← België

Arrest 140762 - - 17/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.762 Rolnummer: A. 153717/VII-32544 Zaak: Arrest 140762 - - 17/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-28 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-02 07:49 Fiche Arrest nr 140.762 van 17 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.762 van 17 februari 2005 in de zaak A. 153.717/VII-32.

  1. In zake : Anna VLEESCHOUWERS, die woonplaats kiest bij Advocaat K. BOSMANS, kantoor houdende te MAASMECHELEN, Rijksweg 358 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Anna VLEESCHOUWERS op 13 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 10 mei 2004 waarbij haar, na een proefperiode van één jaar, definitief de vergunning wordt geweigerd voor het verder exploiteren en veranderen van een rundveehoude- rij, gelegen te Opglabbeek, Weg naar Meeuwen 1; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 6 december 2004, houdende bevel tot neerlegging van het verslag en oproeping van de partijen om te verschijnen op 20 januari 2005; Gelet op de mededeling van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. VANHULSEL die, loco Advocaat K. BOSMANS verschijnt voor verzoekster; VII-32.544-1/7 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. In 2002 heeft Anna VLEESCHOUWERS een melkveebedrijf, gelegen aan de Weg naar Meeuwen 1 te Opglabbeek, overgenomen van haar echtgenoot Ivan BOUSSON. Zij meldt die overname aan de bevoegde overheid en vraagt tegelijk vergunning aan voor het verder exploiteren en het veranderen van de inrichting. 1.
  4. Bij besluit van 14 november 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg wordt het gevraagde geweigerd. 1.
  5. Na beroep van verzoekster bij de Vlaamse minister van Leefmilieu wordt de in eerste aanleg genomen beslissing opgeheven en in de plaats wordt bij ministerieel besluit van 16 mei 2003 : - akte genomen van de melding van overname van de inrichting; - aan verzoekster vergunning verleend, voor een proeftermijn van één jaar, voor het verder exploiteren en het veranderen van de inrichting, omvattende stallen voor het houden van 31 inheemse grote zoogdieren (19 melkkoeien, 7 runderen jonger dan een jaar en 5 runderen tussen een en twee jaar) en een opslagplaats voor 405 m³ dierlijke mest; - vergunning geweigerd voor het houden van 51 inheemse grote zoogdieren; - akte genomen van een grondwaterwinning bestemd voor het reinigen van de stallen. 1.
  6. Op 1 maart 2004 stelt de afdeling Milieu-inspectie een evaluatie- verslag op over de proefperiode. 1.
  7. In het kader van de definitieve beoordeling van het op proef verleende gedeelte van de milieuvergunningsaanvraag wordt advies uitgebracht door VII-32.544-2/7 - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen : gunstig, - de afdeling Natuur : ongunstig, - de Vlaamse Landmaatschappij : gunstig, - de afdeling Milieuvergunningen : ongunstig, en - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie : ongunstig. 1.
  8. Op 10 mei 2004 wordt door de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking de bestreden beslissing genomen waarbij aan verzoekster de definitieve vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van de inrichting wordt geweigerd;
  9. De gegrondheid van het beroep 2.1.
  10. Overwegende dat als eerste middel de schending wordt aangevoerd van "het motiveringsbeginsel"; dat verzoekster het middel als volgt toelicht : "6.
  11. Het bestreden besluit is onbehoorlijk gemotiveerd en schendt de rechten van verdediging van verzoekster; Verzoekster kan uit het besluit niet opmaken welke de preciese reden is van de weigering van de milieuvergunning aangezien in het besluit de algemene stijlclausule Bovendien wordt in het bestreden besluit vermeld Verzoekster en haar echtgenoot exploiteerden evenwel reeds een landbouwbedrijf op het ogenblik van de voorschriften van het gewestplan; Het gewestplan kan geen afbreuk doen aan de reeds verworven rechten in hoofde van verzoekster als rechtsopvolger van haar echtgenoot, de heer Ivan BOUSSON die oorspronkelijk het landbouwbedrijf uitbaatte; Ten onrechte is de weigering van de vergunning gebaseerd op het voorschrift van het gewestplan Hasselt-Genk zoals goedgekeurd bij K.B. van 3 april 1979 hetgeen een schending van het motiveringsbeginsel inhoudt"; 2.1.2.
  12. Overwegende dat in tegenstelling tot hetgeen verzoekster laat uitschijnen, de motivering van het bestreden besluit meer dan drie pagina's beslaat waarin achtereenvolgens de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten aan bod komen, aandacht wordt besteed aan de evaluatie van de proefperiode door de afdeling Milieu-inspectie zoals voorgeschreven wordt door artikel 53bis, § 2, 1 /, van Vlarem I, en de vergunningsaanvraag wordt beoordeeld in het licht van de toepasselijke bepalingen van het Meststoffendecreet en van Vlarem II; dat de VII-32.544-3/7 cruciale motieven voor de weigering van de vergunning te vinden zijn in de volgende overwegingen : "Overwegende dat de 2 afgevaardigden van de afdeling Milieuvergunningen, in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de milieudienst van de gemeente Opglabbeek, op woensdag 10 maart 2004 toch de toelating hebben gekregen van mijnheer en mevrouw Ivan Bousson-Anna Vleeschouwers om het terrein te betreden en alzo een visuele inspectie te kunnen uitvoeren; dat de ondergrondse mestkelders van de stal reeds oververzadigd waren en dat op dat ogenblik er een 40-tal runderen los in de rundveestal stonden op de betonverharding, welke volledig doordrenkt en verzadigd was van de uitwerpselen van de runderen en zelfs nog uitpuilden tot onder de deur van de stal naar buiten toe op de grond waar er helemaal geen verharding aanwezig was en er alzo aanleiding is tot verontreiniging van de bodem en het grondwater; dat er eveneens een grondwaterwinning aanwezig is waaruit minder dan 500 m³/jaar wordt onttrokken als reinigingswater voor de stallen; dat kon worden vastgesteld dat de klachten destijds aangehaald door de bezwaarindiener in eerste aanleg bij het openbaar onderzoek, in verband met vervuiling, onhygiënische uitbating van de inrichting, loslopende honden, volledig kunnen bijgetreden worden; dat de inrichting niet voldoet aan de volgende bepalingen van titel II van het Vlarem : Afdeling 5.9.8 : voorwaarden met betrekking tot beperking van de milieuhinder (de inrichting, de dieren en naaste omgeving, moeten in goede hygiënisch verantwoorde toestand worden gehouden), en Afdeling 5.9.9 : voorwaarden met betrekking tot het toezicht (de exploitant moet zorgen voor de goede staat van de inrichting inzonderheid van de stallen, opslagplaatsen voor dierlijke mest en mengmest en toebehoren, regelmatig onderhoud en controle) en Afdeling 4.1.3 de exploitant zal het nodige moeten doen om de buurt niet te hinderen en de inrichting zindelijk houden; dat de exploitant duidelijk in gebreke blijft om te voldoen aan deze bepalingen van titel II van het Vlarem; Overwegende dat de afdeling Natuur - Limburg, op 1 maart 2004 een negatief subadvies heeft gegeven welke hoofdzakelijk is gesteund op volgende gegevens : • volgens het advies van het gemeentebestuur vermeldt het dossier een rattenplaag op het bedrijf en gezien de nabijheid van een broedplaats voor weidevogels (binnen een straal van 500 meter ten noorden van het bedrijf) is de vrees van predatie van eieren en jongen van weidevogels als wulp en kievit door de ratten gegrond; • volgens het advies van de provinciale landbouwcommissie wordt de noodzaak vermeld tot sanering van de gebouwen; dat het advies van het gemeentebestuur eveneens de technisch slechte toestand vermeldt van de gebouwen; dat zowel ten noorden als ten zuiden zich ecologisch belangrijke gebieden (militair domein, vennengebied met domeinbossen, vallei van Abeek, boscomplex Luciebos) bevinden; • het bedrijf bevindt zich net op de waterscheidingslijn van de Maas- en het Scheldebekken; immers bij calamiteiten zal het insijpelend mest via de grondwaterstromingen het kwelwater zowel in noordelijke als in zuidelijke richting kunnen beïnvloeden; dat er onvoldoende garanties worden gegeven waaruit duidelijk blijkt dat de mestkelders zich in een zodanige toestand bevinden dat er bij calamiteiten geen vermesting van het grondwater kan optreden; • de inplanting van het bedrijf en de staat van de gebouwen en de bedrijfsterreinen hebben een uitgesproken negatieve impact op het VII-32.544-4/7 landschap; dat de planologische bestemming van de percelen niet wordt ingevuld door de exploitatie van het bedrijf"; dat bovenstaande motieven bezwaarlijk kunnen beschouwd worden als een nietszeggende "algemene stijlclausule"; dat die motieven bovendien afdoende zijn omdat verzoekster eruit kan opmaken waarom haar de milieuvergunning is geweigerd; dat evenwel in het verzoekschrift tot nietigverklaring met geen woord wordt gerept over de werkelijke redenen die aan de basis liggen van de bestreden beslissing; 2.1.2.
  13. Overwegende dat, wat de grief inzake de beweerde weigering van de vergunning gebaseerd op het gewestplan Hasselt-Genk betreft, verzoekster de passage uit het bestreden besluit slechts onvolledig weergeeft; dat bewuste overweging luidt als volgt : "Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de verdere exploitatie van de bestaande inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, principieel in strijd is met de later vastgestelde voorschriften van het gewestplan; dat het vergunde bedrijfsgebouw alsnog verenigbaar blijft met de ruimtelijke draagkracht van het gebied; dat de negatieve impact op het parkgebied door de ligging op de rand van het betrokken gebied minimaal is, zodat in toepassing van artikel 43, §§ 7 en 8 van het decreet op de ruimtelijke ordening toch een afwijking kan worden gegeven"; dat daaruit duidelijk blijkt dat de milieuvergunning niet werd geweigerd wegens strijdigheid of onverenigbaarheid met de bestemmingsvoorschriften van het toepasselijk gewestplan; dat, integendeel, toepassing werd gemaakt van artikel 43, §§ 7 en 8, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en dat, gelet op de "minimale negatieve impact" van de inrichting, wordt afgeweken van de bepalingen van het op 3 april 1979 vastgestelde en later herhaaldelijk gewijzigde gewestplan Hasselt-Genk dat ter plaatse in de bestemming van parkgebied voorziet; dat er dan ook geen sprake is van enige afbreuk aan de rechten die verzoekster definitief zou hebben verworven wegens het in exploitatie zijn van de betrokken inrichting vóór de totstandkoming van het gewestplan; 2.1.2.
  14. Overwegende dat het eerste middel kennelijk ongegrond is; 2.2.
  15. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert dat het bestreden besluit gebaseerd is op een willekeurige, en door haar betwiste, berekening van het gemiddeld aandeel van de mestproductie dat in het verleden afgezet werd conform de bepalingen van het Meststoffendecreet; VII-32.544-5/7 2.2.
  16. Overwegende dat het door verzoekster bekritiseerde motief waarin gesteld wordt dat "uit het advies van 11 maart 2004 van de Vlaamse Landmaat- schappij blijkt dat bovenvermelde inrichting in het verleden gemiddeld slechts voor 52 % van de opgegeven mestproductie werd afgezet conform de bepalingen van het meststoffendecreet" niet gediend heeft om de milieuvergunning voor het in eerste instantie op proef verleende definitief te weigeren, maar wel, zoals trouwens verder in de motivering van het bestreden besluit wordt opgegeven, om het aantal runderen te bepalen dat nog voor hernieuwing in aanmerking komt overeenkomstig de "bewezen mestafzet voor de drie voorafgaande kalenderjaren"; dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat die bewezen mestafzet overeenkomt met 31 inheemse grote zoogdieren, zijnde het aantal runderen dat met de vergunning van 16 mei 2003 op proef werd vergund; dat dienvolgens de bepaling van de "bewezen mestafzet" geen relevantie vertoont in het kader van de thans bestreden beslissing waarbij de vergunning voor de op proef verleende 31 runderen definitief wordt geweigerd, maar volledig geplaatst moet worden in de context van het vergunningsbesluit van 16 mei 2003 dat, naast het op proef vergunde gedeelte van de inrichting, een onmiddellijke vergunningsweigering inhoudt voor al het meergevraagde, namelijk het verder exploiteren van een inrichting met 51 grote inheemse zoogdieren; dat het tweede middel kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. VII-32.544-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien februari tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, A. WIJNANTS. griffier De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-32.544-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.762 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.