← België

Arrest 140803 - - 17/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.803 Rolnummer: A. 93751/XII-2703 Zaak: Arrest 140803 - - 17/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-09 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 08:12 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 140.803 van 17 februari 2005 - Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.803 van 17 februari 2005 in de zaak A. 93.751/XII-2703. In zake : de GEMEENTE WEZEMBEEK-OPPEM, die woonplaats kiest bij advocaten M. Uyttendaele en J.-F. De Bock, kantoor houdende te Brussel, Bronstraat 68 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat W. Muls, kantoor houdende te Brussel, A. Dansaertstraat 92. tussenkomende partijen : 1. Marie-Catherine FAUT, 2. Isabelle FARCY, 3. Alain LAMBOT, die woonplaats kiezen bij advocaat G. Generet, kantoor houdende te Brussel, Terkamerenlaan 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Wezembeek-Oppem op 17 juli 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 17 mei 2000 waarbij de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, ambtenarenzaken en sport de besluiten vernietigt van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem, van 16 december 1999, houdende benoeming in vast verband van Isabelle Farcy tot onderwijzeres voor 21 uren per week, van Marie-Catherine Faut tot kleuteronderwijzeres voor 9 uren per week en van Alain Lambot tot leermeester protestantse godsdienst voor 8 uren per week aan de Franstalige gemeenteschool “Het Hoeveke” vanaf 1 januari 2000; Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 17 en 18 mei 2001; XII-2703-1/33 Gelet op de beschikking van 28 juni 2001 die de tussenkomsten van Marie-Catherine Faut, Isabelle Farcy en Alain Lambot toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 4 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J.-F. De Bock, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat V. Schippers, die loco advocaat W. Muls verschijnt voor de verwerende partij en van advocaat B. Staelens, die eveneens verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Chr. Lépinois, die loco advocaat G. Generet verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak. 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Bij besluit van 16 december 1999 van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem wordt Alain Lambot vanaf 1 januari 2000 deeltijds benoemd XII-2703-2/33 tot leermeester protestantse godsdienst in vast verband aan de Franstalige gemeenteschool “Het Hoeveke” voor acht uren per week. Bij besluit van dezelfde datum wordt Marie-Catherine Faut vanaf 1 januari 2000 deeltijds benoemd tot kleuteronderwijzeres in vast verband aan de Franstalige gemeenteschool “Het Hoeveke” voor negen uren per week. Bij besluit van dezelfde datum wordt Isabelle Farcy vanaf 1 januari 2000 deeltijds benoemd tot onderwijzeres in vast verband aan de Franstalige gemeenteschool “Het Hoeveke” voor 21 uren per week. 1.2. Bij besluit van 11 februari 2002 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant worden de drie voornoemde gemeenteraadsbeslissingen in hun uitvoering geschorst. Dat besluit luidt : “Gelet op de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs; Gelet op het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken; Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medische-sociale centra; Overwegende dat uit de artikels 31 en 19 van het bovenvermelde decreet d.d. 27 maart 1991 blijkt dat niemand vast benoemd kan worden in het gesubsidieerd onderwijs indien hij op het ogenblik van de benoeming niet voldoet aan de bepalingen van de taalwetten terzake; Gelet op artikel 14 van de bovenvermelde wet d.d. 30 juli 1963 dat bepaalt dat in de lagere scholen waar het onderwijs van de tweede taal wettelijk verplicht is, dit onderwijs wordt gegeven door een onderwijzer die het bewijs heeft geleverd van zijn grondige kennis van deze tweede taal en ten minste van zijn voldoende kennis van de onderwijstaal; Gelet op artikel 16 van de bovenvermelde wet d.d. 30 juli 1963 dat bepaalt dat, zo een inrichting moeilijkheden ondervindt om een kandidaat aan te werven die de vereiste taalbekwaamheid bezit, de minister een tijdelijke afwijking mag toestaan op de bepalingen van de artikelen 13 en 14; dat die afwijking slechts geldt voor de duur van één jaar en slechts tweemaal hernieuwd kan worden; Gelet op artikel 1, §1, 4/ van het bovenvermelde KB d.d. 18 juli 1966 dat bepaalt dat deze gecoördineerde wetten toepasselijk zijn op de administratieve handelingen van de schooloverheden; Gelet op het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht d.d. 22 januari 1976 dat stelt dat onder 'schooloverheden' dient te worden verstaan hetzij de overheid die een onderwijsinstelling organiseert, dit wil zeggen de inrichtende macht, hetzij al wie gezag heeft over leerlingen of verantwoordelijkheid draagt in de administratieve organisatie van een onderwijsinstelling; Gelet op artikel 27 van het bovenvermelde KB d.d. 18 juli 1966 dat bepaalt dat niemand in de plaatselijke diensten van de randgemeenten tot een ambt of betrekking benoemd of bevorderd kan worden indien hij de Nederlandse taal niet kent; dat deze kennis moet bewezen worden doormiddel van het vereiste XII-2703-3/33 diploma of studiegetuigschrift waaruit blijkt dat het onderwijs in het Nederlands werd genoten, of bij ontstentenis daarvan door een examen; Gelet op artikel 53 van het bovenvermelde KB d.d. 18 juli 1966 dat bepaalt dat alleen de Vaste Wervingssecretaris bevoegd is om bewijzen inzake taalkennis vereist door de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken uit te reiken; Overwegende dat met toepassing van de bovenvermelde wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken het onderwijzend personeel van de gemeentelijke Franstalige basisscholen in de zes randgemeenten hun kennis dienen te bewijzen van de taal van het taalgebied waarin de school gelegen is, dus het Nederlands; Overwegende dat het bovenvermelde KB d.d. 18 juli 1966 niet voorziet in een mogelijke afwijking, in tegenstelling tot de bovenvermelde wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs; dat het opportuun is dat de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming een tijdelijke afwijking op de taalwetgeving toestaat voor tijdelijke aanstellingen zodat het betreffende personeelslid in staat gesteld wordt om in tussentijd het vereiste bewijs van Nederlandse taalkennis te behalen; dat enkel de beslissing tot tijdelijke aanstelling voor de duur van de door de Vlaamse minister toegestane afwijking op de taalwetgeving in redelijkheid aanvaardbaar zijn; dat het betrokken personeelslid op het ogenblik van de vaste benoeming in het bezit moet zijn van het vereiste bewijs van Nederlandse taalkennis; dat alle officiële relaties, met inbegrip van de tuchtprocedure, met het personeel dat vast benoemd wordt aan de Franstalige gemeentescholen in de randgemeenten, in het Nederlands verlopen; Overwegende dat de drie bovenvermelde personeelsleden die met de genoemde gemeenteraadsbeslissingen d.d. 16 december 1999 deeltijds in vast verband benoemd worden aan de Franstalige gemeenteschool van een randgemeente, noch in het bezit zijn van het vereiste diploma waaruit blijkt dat ze het onderwijs in het Nederlands hebben genoten, noch van een bewijs van de vereiste Nederlandse taalkennis afgeleverd door het Vast Wervingssecretariaat; Overwegende dat de genoemde gemeenteraadsbeslissingen d.d. 16 december 1999 daarom de bovenvermelde wettelijke bepalingen schenden; Gelet op artikel 264 van de nieuwe gemeentewet”. 1.3. Op 6 april 2000 neemt de gemeenteraad kennis van het schorsingsbesluit van 11 februari 2000, en beslist hij de drie geschorste gemeenteraadsbeslissingen van 16 december 1999 te handhaven. Hij motiveert : “Overwegende dat de schorsing op een onrechtmatige basis steunt gezien de heer Gouverneur zijn bevoegdheden heeft overschreden om inzake het onderwerp van vaste benoemingen binnen het onderwijs enige uitspraak te doen; Overwegende dat de door de heer Gouverneur ingenomen stelling steunt op een foutieve interpretatie van de wet van 30 juli 1963 houdende de taalregeling in het onderwijs; Gelet op artikel 13 van voornoemde wet waarbij de personeelsleden van de Franstalige basisscholen van de faciliteitengemeenten, die de verplichte taal Nederlands niet onderwijzen, slechts het bewijs moeten leveren van de grondige kennis van de onderwijstaal, in casu het Frans en dit onder meer door het aantonen dat het diploma waarop de aanstelling steunt in het Frans werd behaald; XII-2703-4/33 Overwegende dat mevrouw Isabelle Farcy onder personeelsleden valt die de verplichte tweede taal Nederlands niet onderwijzen, namelijk onderwijzeres van het derde, vierde, vijfde of zesde leerjaar, waar de lessen Nederlands worden gegeven door een andere leerkracht, die hiervoor voldoet aan artikel 14 van voornoemde wet; Overwegende dat mevrouw Marie-Catherine Faut onder personeelsleden valt die de verplichte tweede taal Nederlands niet onderwijzen, namelijk kleuteronderwijzeres; Overwegende dat de heer Alain Lambot onder personeelsleden valt die de verplichte tweede taal Nederlands niet onderwijzen, namelijk leermeester Protestantse godsdienst; Gelet op het standpunt ingenomen door de Afdeling Personeel en Beleidsuitvoering van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in datum van 4 februari 2000”. 1.4. Bij ministerieel besluit van 17 mei 2000 worden de besluiten van 16 december 1999 van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem houdende benoeming in vast verband van Isabelle Farcy, Marie-Catherine Faut en Alain Lambot aan de Franstalige gemeenteschool “Het Hoeveke” vernietigd. Dat besluit, dat het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep, luidt : “Gelet op de Nieuwe Gemeentewet, inzonderheid op de artikelen 149, 264 en 265; Gelet op het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, inzonderheid op de artikelen 30 tot en met 33; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 15 oktober 1999 en 14 april 2000; Gelet op de besluiten van 16 december 1999, waarbij de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem Mevrouw Isabelle Farcy vast benoemt als onderwijzeres voor 21 uren/week, Mevrouw Marie-Christine Faut vast benoemt als kleuteronderwijzeres voor 9 uren/week en de heer Alain Lambot vast benoemt als leermeester protestantse godsdienst voor 8 uren/week; Gelet op het besluit van 11 februari 2000, waarbij de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant bovengenoemde raadsbesluiten in hun uitvoering schorst; Gelet op het besluit van 6 april 2000, ingekomen bij het Provinciaal Gouvernement Vlaams-Brabant op 11 april 2000, waarbij de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem de genoemde raadsbesluiten van 16 december 1999 rechtvaardigt; Gelet op de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs (hierna : 'onderwijstaalwet'); Gelet op het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna : 'bestuurstaalwet'); Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; XII-2703-5/33 Overwegende dat uit de artikelen 19 en 31 van bovengenoemd decreet van 27 maart 1991 blijkt dat niemand vast benoemd kan worden in het gesubsidieerd onderwijs, indien hij op het ogenblik van de benoeming niet voldoet aan de bepalingen van de taalwetten terzake; Overwegende dat artikel 1, §1, 1/ van de bestuurstaalwet bepaalt dat deze gecoördineerde wetten toepasselijk zijn op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde openbare diensten van de Staat, van de provinciën, en van de gemeenten, voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet; Overwegende dat artikel 1, §1, 4/ van de bestuurstaalwet bepaalt dat deze gecoördineerde wetten toepasselijk zijn op de administratieve handelingen van de rechterlijke macht, van dezer medewerkers en van de schooloverheden; Overwegende dat het hierbovenstaande bevestigd wordt door de arresten nr. 74.028 en 74.029 van 2 juni 1998 van de Raad van State, die uitdrukkelijk bepalen dat onderwijzers in het lager gemeentelijk onderwijs, als gemeenteambtenaren, onderworpen zijn aan de bestuurstaalwet; dat bovengenoemde arresten bepalen dat men tevergeefs zou opwerpen dat doordat een onderwijzer aan de onderwijstaalwet onderworpen is, hij niet onder de bestuurstaalwet zou vallen; dat immers de onderwijstaalwet enkel het gebruik van de talen in verband met het verstrekken van onderwijs regelt om het zo doelmatig mogelijk te maken, terwijl de bepalingen van de bestuurstaalwet luidens artikel 1, §1, 1/ op de openbare diensten van onder meer de gemeenten toepasselijk zijn voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet en artikel 1, §1, 4/ uitdrukkelijk bepaalt dat de wet van toepassing is op de administratieve handelingen van de schooloverheden; Overwegende dat de Raad van State in bovengenoemde arresten bevestigt dat de leerkrachten in een Franstalige gemeentelijke lagere school gemeenteambtenaren zijn die verplicht zijn om voor de eigen inwendige dienst de taal te gebruiken die hun is voorgeschreven door de bestuurstaalwet, in casu het Nederlands; Overwegende dat krachtens artikel 64, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de partijen die onderworpen zijn aan de bestuurstaalwet verplicht zijn om voor hun akten en verklaringen voor de Raad van State de taal te gebruiken die hun is voorgeschreven voor hun eigen inwendige dienst; dat daarom de Raad van State in de arresten nr. 74.028 en 74.029 van 2 juni 1998 oordeelde dat de beroepen niet geldig waren ingesteld; Overwegende dat het tuchtstatuut van het gesubsidieerd onderwijzend personeel in de gemeenten geregeld wordt door het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; dat artikel 68 §1 van bovengenoemd decreet bepaalt dat de tuchtmacht uitgeoefend wordt door de tot benoemen bevoegde overheid, behoudens de in §2 bepaalde afwijkingen; dat de tot benoemen bevoegde overheid de gemeenteraad is; Overwegende dat artikel 23 van de bestuurstaalwet bepaalt dat iedere plaatselijke dienst die gevestigd is in de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem, uitsluitend de Nederlandse taal gebruikt in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en zijn betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad; dat bijgevolg, wanneer in de gemeenteraad van één van deze gemeenten een tuchtprocedure gevoerd wordt tegen een lid van het onderwijzend personeel waarbij het betrokken personeelslid gehoord wordt, het Nederlands de enige taal is die gebruikt mag worden; dat wanneer een onderwijspersoneelslid het Nederlands niet machtig is, hij zelfs niet in staat zou zijn zichzelf te verdedigen voor de XII-2703-6/33 gemeenteraad in een tuchtprocedure, noch eventueel om te getuigen voor een collega tegen wie een tuchtzaak zou zijn ingespannen; Overwegende dat volgens het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht van 22 januari 1976 sommige schooloverheden taalkundig in staat moeten zijn om in het raam van de bestuurstaalwet alle voorbedoelde handelingen van bestuurlijke aard te stellen in de voorgeschreven taal; Overwegende dat artikel 27 van de bestuurstaalwet bepaalt dat in de plaatselijke diensten van de randgemeenten niemand tot een ambt of betrekking kan worden benoemd of bevorderd indien hij de Nederlandse taal niet kent; dat deze kennis bewezen moet worden door middel van het vereiste diploma of studiegetuigschrift waaruit blijkt dat het onderwijs in het Nederlands werd genoten of, bij ontstentenis daarvan, door een examen; Overwegende dat artikel 53 van de bestuurstaalwet bepaalt dat alleen de Vaste Wervingssecretaris bevoegd is om bewijzen inzake taalkennis vereist door de bestuurstaalwet uit te reiken; Overwegende dat de drie bovenvermelde personeelsleden die met de genoemde gemeenteraadsbeslissing van 16 december 1999 deeltijds in vast verband benoemd worden aan de Franstalige gemeenteschool van Wezembeek- Oppem, noch in het bezit zijn van het vereiste diploma waaruit blijkt dat ze het onderwijs in het Nederlands hebben genoten, noch van een bewijs van de vereiste kennis van het Nederlands afgeleverd door het Vast Wervingssecretariaat; Overwegende dat de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem in het besluit van 6 april 2000, waarmee de besluiten van 16 december 1999 gehandhaafd worden, aanvoert dat de schorsing op een onrechtmatige basis steunt, aangezien de gouverneur zijn bevoegdheden zou overschreden hebben om inzake vaste benoemingen in het onderwijs enige uitspraak te doen; dat deze stelling foutief is; dat benoemingen in het gemeentelijk lager onderwijs onder de bepalingen van titel VII van de Nieuwe Gemeentewet, inzonderheid van de artikelen 264 en 265, vallen, aangezien er geen specifiek toezicht van toepassing is op besluiten van gemeenteraden betreffende benoemingen in het gemeentelijk lager onderwijs; Overwegende dat de besluiten van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem van 16 december 1999 strijdig zijn met de terzake geldende taalwetten”. 1.5. Tussen partijen wordt niet betwist dat geen van de tussenkomende partijen beschikt hetzij over een diploma of getuigschrift waaruit zou blijken dat zij haar onderwijs in het Nederlands heeft genoten of waaruit anderszins de kennis van deze taal blijkt, hetzij over enig ander getuigschrift of bewijs van enige kennis van het Nederlands door een examen; De ontvankelijkheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verwerende partij opwerpt dat overeenkomstig artikel 123, 8/, van de nieuwe gemeentewet, het college van burgemeester en schepenen de rechtsgedingen voert, dat het college van burgemeester en schepenen op uitdrukkelijke wijze dient te beslissen in rechte te treden en dat, bij gemis aan voorlegging van een eensluidend verklaard uittreksel uit het notulenboek van de XII-2703-7/33 vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen met betrekking tot een tijdig genomen besluit zich in annulatieberoep voor de Raad van State te voorzien, de vordering onontvankelijk is; dat zij in de laatste memorie bijkomend argumenteert dat, moge al de machtiging om een raadsman aan te stellen voorhanden zijn, idealiter ook een afzonderlijk, principieel besluit getroffen moet worden om het geding in te leiden, waarmee de aanstelling van een raadsman niet samenvalt; 2.2. Overwegende dat verzoekende partij als bijlage bij haar verzoekschrift, een voor eensluidend verklaard uittreksel uit het notulenboek van de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen van Wezembeek- Oppem neerlegt, waaruit blijkt dat dit college, na hiertoe gemachtigd te zijn bij gemeenteraadsbesluit van 22 juni 2000, op 23 juni 2000 beslist heeft een advocaat aan te stellen, “teneinde namens het gemeentebestuur een verzoekschrift in te leiden bij de Raad van State ter vernietiging van de beslissing van Minister J. Sauwens van 17 mei 2000, houdende vernietiging van de beslissingen van de gemeenteraad van 16 december 1999, houdende benoemingen van Mw. I. Farcy, Mw. M.-C. Faut en Dhr. A. Lambot”; dat hiermee naar genoegen van recht is voldaan aan de opgeworpen ontvankelijkheidsvereiste; dat de exceptie faalt in feite; Het wettelijk kader. 3. Overwegende dat het wenselijk is voor een goed begrip van de zaak, eerst enkele wetsbepalingen waarvan de toepassing wordt aangevoerd of betwist, in herinnering te brengen : 3.1. De wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs (hierna ook: onderwijstaalwet) : “HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied. Bepalingen. Artikel 1. De officiële inrichtingen voor kleuter-, lager, middelbaar, normaal-, technisch, kunst- of buitengewoon onderwijs en dezelfde door het Rijk gesubsidieerde of erkende vrije inrichtingen, vallen onder de beschikkingen van deze wet. Nochtans vallen de inrichtingen gevestigd in de gemeenten opgesomd in § 1 van artikel 7 van de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken, wat betreft de onderwijstaal en het tweede taalonderricht, onder de beschikkingen van § 3 van ditzelfde artikel. [...] HOOFDSTUK II. - Onderwijstaal. Art. 4 - De onderwijstaal is het Nederlands in het Nederlandse taalgebied, [...] HOOFDSTUK IV. - Taalkennis van het personeel. XII-2703-8/33 Art. 13. Een onderwijsinrichting mag voor haar bestuurs-, onderwijzend of administratief personeel slechts personen aanwerven die het bewijs hebben geleverd van hun grondige kennis van de onderwijstaal van de inrichting of, in de tweetalige inrichtingen, van de afdeling waaraan zij verbonden zullen worden. Voor de leraars in andere levende talen dan de onderwijstaal, die in het bezit zijn van het vereiste diploma, volstaat het bewijs van een voldoende kennis. Art. 14. In de lagere scholen waar het onderwijs van de tweede taal wettelijk verplicht is, wordt dit onderwijs gegeven door een onderwijzer die het bewijs heeft geleverd van zijn grondige kennis van deze tweede taal en ten minste van zijn voldoende kennis van de onderwijstaal. Art. 15. Een kandidaat levert het bewijs van zijn grondige kennis van een taal zo hij, in deze taal, het diploma waarop zijn aanwerving steunt, heeft behaald, of zo hij een getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij, ten overstaan van een bij koninklijk besluit ingestelde examencommissie, geslaagd is voor een examen over de grondige kennis van die taal. Een kandidaat levert het bewijs van zijn voldoende kennis van een taal, zo het diploma waarop zijn aanwerving steunt zulks vermeldt, of zo hij een getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij, ten overstaan van een bij koninklijk besluit ingestelde examencommissie, geslaagd is voor een examen over de voldoende kennis van die taal. Art. 16. Zo een inrichting moeilijkheden ondervindt om een kandidaat aan te werven die de vereiste taalbekwaamheid bezit, mag de Minister een tijdelijke afwijking toestaan op de bepalingen van de artikelen 13 en 14. De afwijking geldt slechts voor de duur van één jaar en kan slechts tweemaal hernieuwd worden.”. 3.2. De wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken (niet opgenomen in de bestuurstaalwet) : “Art. 7., § 3. Inzake onderwijs in de zes gemeenten: A. - De onderwijstaal is het Nederlands. Het onderwijs in de tweede taal mag in het lager onderwijs worden verstrekt naar rata van 4 uur per week in de 2e graad en van 8 uur per week in de 3e en de 4e graad. B. - Het kleuteronderwijs en het lager onderwijs mag worden verstrekt in het Frans indien deze taal de moedertaal of de gebruikelijke taal van het kind is en indien het gezinshoofd verblijf houdt in een van deze gemeenten. Dit onderwijs mag slechts worden georganiseerd op verzoek van zestien gezinshoofden die in de gemeente verblijf houden. De gemeente, die vorenvermeld verzoek ontvangt, is ertoe gehouden dit onderwijs te organiseren. Het onderwijs van de tweede landstaal wordt verplicht in de lagere scholen naar rata van 4 uur per week in de 2e graad en van 8 uur per week in de 3e en de 4e graad. C. - Het onderwijs in de tweede taal mag herhalingsoefeningen van de andere stof van het programma omvatten.”. 3.3. De op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna ook: bestuurstaalwet) : “HOOFDSTUK I. - Toepassingssfeer van de gecoördineerde wetten. XII-2703-9/33 Artikel 1. § 1. Deze gecoördineerde wetten zijn toepasselijk : 1/ op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde openbare diensten van de Staat, van de provinciën, van de agglomeraties, van de federaties van gemeenten en van de gemeenten, voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet; 2/ op de natuurlijke en rechtspersonen die concessiehouder zijn van een openbare dienst of die belast zijn met een taak die de grenzen van een privaat bedrijf te buiten gaat en die de wet of de openbare machten hun hebben toevertrouwd in het belang van het algemeen; [ ...] 4/ op de administratieve handelingen van de rechterlijke macht, van dezer medewerkers en van de schooloverheden; [...] § 2. De onderscheiden diensten, met een bepaalde territoriale bevoegdheid, van de in § 1 bedoelde besturen, openbare diensten en instellingen, alsook de in dezelfde paragraaf vermelde natuurlijke personen, worden hierna 'diensten' genoemd. Tenzij zij onder het gezag van een openbare macht staan, zijn de in § 1, 2/, bedoelde personen niet onderworpen aan de bepalingen die in deze gecoördineerde wetten betrekking hebben op de organisatie van de diensten, op de rechtspositie van het personeel en op de door dit laatste verkregen rechten. [...] Art. 7. De gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Ro- de, Wemmel en Wezenbeek-Oppem worden begiftigd met een eigen regeling. Met het oog op de toepassing van de volgende bepalingen en inzonderheid die van hoofdstuk IV worden deze gemeenten beschouwd als gemeenten met een speciale regeling. Zij worden hierna 'randgemeenten' genoemd. [...] HOOFDSTUK III. - Gebruik van de talen in de plaatselijke diensten. Afdeling I. - Algemene bepalingen. Art. 9. Voor de toepassing van deze gecoördineerde wetten worden onder plaatselijke diensten verstaan diensten in de zin van artikel 1, § 2, waarvan de werkkring niet meer dan één gemeente bestrijkt. [...] Afdeling IV. - Randgemeenten. Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor al de randgemeenten. Art. 23. Iedere plaatselijke dienst die gevestigd is in de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem, gebruikt uitsluitend de Nederlandse taal in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en zijn betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad. Art. 24. De plaatselijke diensten die gevestigd zijn in de randgemeenten stellen de berichten, mededelingen en formulieren die voor het publiek bestemd zijn in het Nederlands en in het Frans. De bekendmakingen die betrekking hebben op de burgerlijke stand worden nochtans gesteld in de taal van de akte waarmee zij in verband staan. Art. 25. In hun betrekkingen met een particulier gebruiken dezelfde diensten de door betrokkene gebruikte taal voor zover die taal het Nederlands of het Frans is. Er wordt echter aan een privaat bedrijf, dat in een gemeente zonder speciale regeling uit het Frans of het Nederlands taalgebied gevestigd is, geantwoord in de taal van deze gemeente. Art. 26. Meergenoemde diensten stellen de aan de particulieren uitgereikte getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in het Nederlands of in het Frans, naar gelang van de wens van de belanghebbende. XII-2703-10/33 Art. 27. In de plaatselijke diensten van de randgemeenten kan niemand tot een ambt of betrekking benoemd of bevorderd worden indien hij de Nederlandse taal niet kent. De toelatings- en bevorderingsexamens geschieden in dezelfde taal. De kandidaat wordt enkel tot het examen toegelaten voor zover uit de vereiste diploma's of studiegetuigschriften blijkt dat hij zijn onderwijs in meergenoemde taal heeft genoten. Bij ontstentenis van een dergelijk diploma of getuigschrift moet de taalkennis vooraf door een examen bewezen worden. Indien het ambt of de betrekking begeven wordt zonder toelatingsexamen dient de vereiste taalkennis vastgesteld aan de hand van de daartoe in lid 2 voorgeschreven bewijzen. HOOFDSTUK VI. - Bijzondere bepalingen. [...] Art. 53. De Vaste Wervingssecretaris alleen is bevoegd om bewijzen omtrent de bij de wet van 2 augustus 1963 vereiste taalkennis uit te reiken. [...] [...]”; De gegrondheid van het beroep. 4.0. Overwegende, wat de tussenkomende partijen betreft, dat dezen naar luid van artikel 21bis, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ter ondersteuning van het verzoek geen andere middelen mogen aanvoeren dan die welke in het inleidende verzoekschrift zijn uiteengezet; dat onder “middel” in de eerste plaats de aanduiding van de geschonden geachte rechtsregels dient te worden begrepen; dat te dezen in het inleidend verzoekschrift twee middelen worden aangevoerd, het eerste ontleend aan de nietigheid van het schorsingsbesluit van 11 februari 2000 van de gouverneur van de provincie Vlaams- Brabant, het tweede genomen uit de schending van artikel 30 van de Grondwet, van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs en meer in het bijzonder van de artikelen 13 en 14 van deze wet, van “de rechtsveiligheid-, redelijkheids-, zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginselen” en “van substantiële en/of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en uit machtsoverschrijding”; dat de tussenkomende partijen een enig middel aanvoeren, geput uit de miskenning “van artikels 3, 6 en 13 tot 16 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs, artikels 19 en 31 van het decreet van de Vlaamse Raad van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, artikels 1, 9 en 27 van het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, overschrijding of misbruik van bevoegdheid”; dat, ambtshalve, wordt vastgesteld dat het door de tussenkomende partijen aangevoerde middel dermate afwijkt van het tweede middel zoals het door verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift wordt aangevoerd, XII-2703-11/33 dat het als een ander middel moet worden beschouwd; dat het derhalve niet ontvankelijk is; 4.1. Overwegende dat verzoekende partij een eerste middel put “uit de nietigheid van het schorsingsbesluit van de Gouverneur van de provincie Vlaams- Brabant”; 4.1.1.1. Overwegende dat zij in een eerste middelonderdeel genomen “uit de schending van artikel 159 van de Grondwet, van artikel 7 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van de onbevoegdheid en van de machtsoverschrijding”, aanvoert wat volgt: het schorsingsbesluit werd genomen door het “Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Afdeling provinciaal gouvernement Vlaams-Brabant”, de gouverneur heeft dus in naam van de Vlaamse Gemeenschap de uitvoering van de drie benoemingsbesluiten van 16 december 1999 geschorst, zulks is evenwel in strijd met artikel 7 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, luidens welk het gewoon administratief toezicht op de gemeenten genoemd in artikel 7 van de bestuurstaalwet (waartoe verzoekster behoort) wordt georganiseerd door de federale overheid, maar moet worden uitgeoefend door het Vlaamse Gewest, vermits de onwettigheid van een voorbereidende handeling de nietigheid van de definitieve beslissing met zich meebrengt, maakt de onwettigheid van het schorsingsbesluit het thans aangevochten vernietigingsbesluit nietig; Overwegende dat verwerende partij repliceert dat de vermelding “Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - afdeling Provinciaal Gouvernement Vlaams-Brabant” op het schorsingsbesluit uiteraard niet impliceert dat de gouverneur als orgaan van de Vlaamse Gemeenschap zou zijn opgetreden, dat omwille van de asymmetrie van de staatshervorming, zoals verankerd in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ook de gewestelijke taken worden uitgevoerd door een administratie die “het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap” genoemd wordt en er niet zoiets bestaat als een “Ministerie van het Vlaamse Gewest”, en dat de verwijzing op het schorsingsbesluit naar het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dan ook enkel impliceert dat er door de gouverneur een beroep is gedaan op een administratie die zowel werkt voor het Vlaamse Gewest als voor de Vlaamse Gemeenschap; XII-2703-12/33 Overwegende dat verzoekende partij in de memorie van wederantwoord dupliceert dat het feit dat de staatshervorming asymmetrisch is geweest geen afbreuk doet aan de vaststelling dat het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap twee aparte rechtspersonen zijn met verschillende bevoegdheden, waarvan de attributen door éénzelfde administratief geheel, namelijk de Vlaamse regering, worden uitgeoefend, dat de Vlaamse regering bijgevolg bepaalde bevoegdheden in naam van het Vlaamse Gewest moet uitoefenen, en andere in naam van de Vlaamse Gemeenschap, dat in casu blijkt dat het administratief toezicht door de gouverneur ongetwijfeld in naam van de Vlaamse Gemeenschap werd uitgeoefend, alhoewel hij enkel maar in naam van het Vlaamse Gewest mocht tussenkomen; Overwegende dat zij in de laatste memorie het middelonderdeel handhaaft omdat de vernietigingsbesluiten werden genomen door het “Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Afdeling provinciaal gouvernement Vlaams- Brabant”; 4.1.1.2. Overwegende dat luidens artikel 3, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de attributen van de rechtspersoonlijkheid voor het Vlaamse Gewest worden uitgeoefend “overeenkomstig deze wet, inzonderheid artikel 1”; dat artikel 1, tweede lid, van de bijzondere wet preciseert dat in het Vlaamse Gewest de Raad en de regering van de Vlaamse Gemeenschap de bevoegdheden uitoefenen van de gewestorganen, onder de voorwaarden en op de wijze bepaald door deze bijzondere wet; dat iedere regering blijkens artikel 87, § 1, eerste lid, van de bijzondere wet beschikt over “een eigen administratie, eigen instellingen en eigen personeel”; dat uit de opgesomde bepalingen volgt dat de regering van de Vlaamse Gemeenschap beschikt over één administratie voor de uitoefening van al haar bevoegdheden, zowel in gemeenschaps- als in gewestaangelegenheden; dat de overkoepelende benaming van deze administratie het “Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap” is; dat binnen dat ministerie een “administratie binnenlandse aangelegenheden” bestaat, met onder meer een afdeling “provinciaal gouvernement Vlaams-Brabant” waarop de gouverneur van Vlaams-Brabant een beroep kan doen, en te dezen een beroep heeft gedaan, ter voorbereiding en uitvoering van de beslissingen die hij neemt in het kader van de uitoefening van het administratief toezicht; dat de door verzoekster gewraakte vermelding van het ministerie, bovenaan het “besluit van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant”, niet aantoont dat de gouverneur die het XII-2703-13/33 schorsingsbesluit heeft ondertekend, het gewoon administratief toezicht op grond van artikel 264 van de nieuwe gemeentewet niet zou hebben uitgeoefend in naam van het Vlaamse Gewest; dat het middelonderdeel niet gegrond is; 4.1.2. Overwegende dat verzoekende partij in de laatste memorie verzaakt aan het tweede onderdeel van het eerste middel; 4.2. Overwegende dat verzoekende partij in het tweede middel schending aanvoert “van artikel 30 van de Grondwet, van de wet van 2 augustus [lees: 30 juli] 1963 houdende taalregeling in het onderwijs”, “en meer in het bijzonder van zijn artikelen 13 en 14 van deze wet, van de rechtsveiligheid-, redelijkheids-, zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginselen, uit de overtreding van substantiële en/of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, en uit de machtsoverschrijding”; dat de toelichting bij dit middel in het auditoraatsverslag is besproken in vier onderdelen; dat verzoekende partij zich blijkens haar laatste memorie aansluit bij deze werkwijze; dat hierna het middel dan ook in deze vier onderdelen wordt onderzocht; 4.2.1.1. Overwegende dat in een eerste middelonderdeel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing de gemeentelijke benoemingsbesluiten vernietigt omdat de drie betrokken personeelsleden noch in het bezit zijn van het vereiste diploma waaruit blijkt dat zij het onderwijs in het Nederlands hebben genoten, noch van een bewijs van de vereiste kennis van het Nederlands afgeleverd door het Vast Wervingssecretariaat (thans: Selor), zoals vereist door de bestuurstaalwet, terwijl niet de bestuurstaalwet, maar wel de onderwijstaalwet van toepassing is, volgens welke de drie betrokken personeelsleden met het oog op hun aanwerving slechts het bewijs moeten leveren van hun grondige kennis van de onderwijstaal, zijnde het Frans; dat verzoekster toelicht dat in een taalregeling inzake onderwijs door de onderwijstaalwet wordt voorzien, welke een specifieke regeling is en dat de bestuurstaalwet overeenkomstig zijn artikel 1, § 1, 1/, enkel toepasselijk is indien er in geen andere specifieke wetgeving wordt voorzien zodat de bepalingen over de taalkennis van het personeel van de onderwijstaalwet de toepassing van de bestuurstaalwet uitsluiten; Overwegende dat verzoekende partij voorts toelicht: de onderwijstaalwet is bovendien niet beperkt tot de bepaling van de taal “in verband met het verstrekken van onderwijs”, vermits zij diverse aspecten van het taalgebruik XII-2703-14/33 inzake onderwijs regelt (“onderwijstaal”, “tweede taal onderricht”, “taalkennis van het personeel”); zulks blijkt ook uit artikel 1 van die wet, dat een algemene draagwijdte aan de wet toeschrijft; bovendien verwijst datzelfde artikel, met betrekking tot de randgemeenten, naar de bestuurstaalwet “wat betreft de onderwijstaal en het tweede taalonderricht”; a contrario bepaalt dat artikel dat de andere aspecten van de taalregeling inzake onderwijs in de randgemeenten (waaronder de vereisten inzake taalkennis van het personeel) door de onderwijstaalwet worden geregeld; van een complementariteit tussen de bepalingen van de onderwijstaalwet en die van de bestuurstaalwet is er dus geen sprake; de voorwaarden opgelegd bij artikel 13 van de onderwijstaalwet zijn bezwaarlijk verenigbaar met die van artikel 27 van de bestuurstaalwet, vermits het bestuurs-, onderwijzend en administratief personeel “op grond van de eerste reglementering ‘slechts (...) het bewijs (...) van hun grondige kennis van de onderwijstaal van de inrichting’ (in casu het Frans) moeten leveren terwijl ze op grond van de tweede reglementering niet aangeworven zouden zijn ‘indien (
  2. ze)de Nederlandse taal niet (kennen)’”; de in het bestreden besluit aangehaalde interpretatie van de Vaste commissie voor taaltoezicht van het begrip “schooloverheden” en arresten van de Raad van State zijn niet relevant: enerzijds is voornoemde commissie niet bevoegd om zich over de interpretatie of de draagwijdte van de onderwijstaalwet uit te spreken, anderzijds blijkt uit de aangehaalde arresten dat de problematiek de taal van de procedure voor de Raad van State betrof, en geenszins de vereiste taalkennis inzake benoeming van onderwijzers in de randgemeenten; Overwegende dat verzoekende partij haar betoog over dit middelonderdeel besluit, stellende dat de bestuurstaalwet een beperking van het beginsel van de vrijheid der talen met zich meebrengt, zoals voorgeschreven door artikel 30 van de Grondwet, en dan ook restrictief moet worden geïnterpreteerd, dat de extensieve interpretatie die door de verwerende partij wordt gemaakt, meer in het bijzonder van de artikelen 23 en 27 van deze wet, dan ook verworpen moet worden en, indien de Raad “per impossibile” van mening zou zijn dat de bestuurstaalwet in casu wel van toepassing is, vraagt verzoekende partij in ondergeschikte orde dat de volgende prejudiciële vragen aan het Arbitragehof worden gesteld : “Schenden artikelen 13 à 16 van de wet van 2 augustus 1963 houdende taalregeling in het onderwijs artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet in zoverre die artikelen geïnterpreteerd worden als zijnde cumulatief van toepassing met artikel 23 en 27 van de wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en, bijgevolg, als bepalend dat een dubbele voorwaarde inzake bewijs van de taalkennis aan de onderwijzers van de XII-2703-15/33 Franstalige gemeentelijke basisscholen van de faciliteits- en randgemeenten wordt opgelegd?”, en, in geval van negatief antwoord “Schenden artikelen 1, §1, 1/, 23 en 27 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1966, artikelen 10, 11, 24 en 30 van de Grondwet, in zoverre die artikelen geïnterpreteerd worden als bepalend dat onderwijzers van de Franstalige gemeentelijke basisscholen van de faciliteiten- en randgemeenten het bewijs van de kennis van een tweede taal moeten leveren, terwijl de andere onderwijzers van andere gemeentelijke basisscholen slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal moeten leveren?”; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat de toepasselijkheid van de onderwijstaalwet allesbehalve de toepasselijkheid uitsluit van de bestuurstaalwet, dat de beide regelgevingen perfect verzoenbaar zijn en samen dienen te worden toegepast om de in het bestreden ministerieel besluit opgesomde redenen; Overwegende dat de memorie van wederantwoord geen nieuwe argumenten bevat; dat verzoekende partij in de laatste memorie nog verklaart zich aan te sluiten bij een standpunt dat ter zake werd ingenomen door de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant: in de mate dat de tussenkomende partijen niet gewoonlijk gehouden zijn tot het stellen van handelingen met een administratief karakter - zoals blijkt uit hun functiebeschrijving - doch integendeel deel uitmaken van het zuiver onderwijzend personeel van de Franstalige gemeenteschool is de bestuurstaalwet op hen niet van toepassing en is derhalve voor hun vaste benoeming niet vereist dat zij een bewijs van grondige kennis van het Nederlands zouden neerleggen; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie nog repliceert dat verzoekster rond de evidentie heen blijft lopen dat tussenkomende partijen als onderwijzers van de gemeenteschool ook gemeenteambtenaren zijn; 4.2.1.2. Overwegende dat elke gemeente van het Rijk krachtens artikel 4, tweede lid, van de Grondwet tot een van de vier in het eerste lid van dat artikel genoemde taalgebieden behoort; dat de gemeente Wezembeek-Oppem sinds de wet van 23 december 1970 tot wijziging van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in de bestuurszaken onbetwistbaar tot het Nederlandse taalgebied behoort; dat zij echter luidens artikel 7 van de bestuurstaalwet als “randgemeente” XII-2703-16/33 wordt begiftigd met een eigen regeling met het oog op de toepassing van de bepalingen van de bestuurstaalwet; Overwegende dat de gemeentelijke basisschool “Het Hoeveke”, als officiële inrichting voor kleuteronderwijs en lager onderwijs, valt onder de beschikkingen van de onderwijstaalwet; dat de randgemeenten niet voorkomen in het artikel 3 van de onderwijstaalwet dat de gemeenten opsomt die “met het oog op de bescherming van hun minderheden met een speciale regeling [worden] begiftigd”; dat echter, luidens artikel 1, tweede lid, van de onderwijstaalwet, een onderwijsinrichting gevestigd in een randgemeente valt “onder de beschikkingen van [artikel 7,] § 3 [van de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken]”, “wat betreft de onderwijstaal en het tweede taalonderricht”; Overwegende dat de bepalingen die het voorwerp zijn van het artikel 7, § 3, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, niet werden opgenomen in de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (bestuurstaalwet), maar door de Koning krachtens artikel 57, eerste lid, 2/, van de wet van 2 augustus 1963 te coördineren zijn met de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs (onderwijstaalwet); dat aldus ook de randgemeenten met een speciale taalregeling inzake onderwijs worden begiftigd; Overwegende dat naar luid van voormeld artikel 7, § 3, van de wet van 2 augustus 1963, inzake onderwijs in de zes randgemeenten, de onderwijstaal het Nederlands is, het kleuteronderwijs en het lager onderwijs mag worden verstrekt in het Frans indien deze taal de moedertaal of de gebruikelijke taal van het kind is en indien het gezinshoofd verblijf houdt in één van de randgemeenten, maar dit onderwijs slechts georganiseerd mag worden op verzoek van zestien gezinshoofden die in de gemeente verblijf houden; dat bovendien de gemeente die dit voorvermeld verzoek ontvangt ertoe gehouden is dit onderwijs te organiseren; dat van dit onderwijs vanaf de tweede graad een verstrekt onderricht van de tweede landstaal -bedoeld is: de taal van het taalgebied- deel moet uitmaken; Overwegende dat de onderwijstaalwet aldus in een regime voorziet ten behoeve van de inwoners van de randgemeenten wier kinderen het Frans als moedertaal of gebruikelijke taal spreken, ten einde die kinderen in de mogelijkheid te stellen het basisonderwijs in het Frans te volgen; dat als een XII-2703-17/33 begeleidende maatregel, van deze kinderen wordt vereist dat zij vanaf de tweede graad ook de taal van de streek onderwezen krijgen; Overwegende dat de eerstgenoemde maatregel -het bepalen als speciale regeling van het Frans als de onderwijstaal- een aangelegenheid is die het gebruik van de talen voor het onderwijs betreft, namelijk de taal waarin het onderricht wordt verstrekt; dat de laatstgenoemde maatregel -het leergebied Nederlands als verplicht tweede-taalonderricht- als taalonderricht zaak is van onderwijsbevoegdheid; dat de wetgever, met het oog op de doelmatigheid van het verstrekte onderricht en om de taalvoorschriften in het onderwijs ten volle te verwerkelijken, in de artikelen 13 tot 16 van de onderwijstaalwet bepaalt welke kennis het onderwijspersoneel moet hebben van de onderwijstaal van de inrichting en, in voorkomend geval, van de tweede taal als leerstof, en verder de wijze waarop het die kennis bewijst en de voorwaarden waaronder tijdelijke afwijkingen worden toegestaan; Overwegende dat, zoals blijkt uit wat voorafgaat, inderdaad met verzoekende partij wordt vastgesteld dat de onderwijstaalwet “niet [is] beperkt tot de bepaling van de taal 'in verband met het verstrekken van onderwijs'”, als zij daarmee bedoelt dat de onderwijstaalwet niet is beperkt tot de aangelegenheid van het regelen van “het gebruik van de talen voor [...] het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen”, zoals bedoeld in het artikel 129, § 1, 2/, van de Grondwet; dat een andere vraag is of de onderwijstaalwet ook regels bevat met betrekking tot “het gebruik van de talen voor [...] de bestuurszaken”, als bedoeld in het artikel 129, § 1, 1/, van de Grondwet; dat immers bestuurszaken en onderwijs twee afzonderlijke aangelegenheden zijn waarvoor het gebruik van de talen aan regels onderworpen kan worden, zoals uit hun aparte vermelding in meervermeld artikel 129, § 1, van de Grondwet blijkt; dat het antwoord op die vraag ontkennend is; dat de onderwijstaalwet immers geen enkele bepaling bevat met betrekking tot de taal die een gemeentelijke onderwijsinrichting dient te gebruiken in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en zijn betrekkingen met andere diensten of met particulieren in het algemeen; dat met andere woorden de onderwijstaalwet het gebruik van de talen uitsluitend in verband met het verstrekken van onderricht regelt; XII-2703-18/33 4.2.1.3. Overwegende dat de toepassing van de onderwijstaalwet niet de gelijklopende toepassing van andere taalregelingen uitsluit, zoals de regeling voor het gebruik van de talen in bestuurszaken of -voor scholen van het vrij gesubsidieerd onderwijs- van het gebruik van de talen in de sociale betrekkingen of nog, voor de handelingen van gerechtelijke aard, van de wetgeving op het gebruik van de talen in gerechtszaken; dat dit nog is bevestigd door de Raad van State in zijn arresten, vermeld in het bestreden besluit, nr. 74.028, Peeters, en nr. 74.029, Mahieu, van 2 juni 1998; dat het verweer dat een onderwijsinstelling geen openbaar bestuur is waarop de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken van toepassing is reeds werd verworpen bij het arrest nr. 6.430, Douillez, van 30 juni 1958, waarin de Raad van State overwoog dat de toenmalige bestuurstaalwet van 28 juni 1932 toepasselijk is op de “ondergeschikte openbare besturen en overheden” en dat ook een onderwijsinstelling als het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel daarbij gerangschikt moest worden; 4.2.1.4. Overwegende dat thans, naar luid van artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet, de bepalingen van de bestuurstaalwet toepasselijk zijn op de “openbare diensten” van, onder meer, de gemeenten “voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet”; Overwegende, wat het begrip “openbare diensten” betreft, dat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de latere bestuurstaalwet gerefereerd wordt aan het verslag over de draagwijdte “ondergeschikte besturen en overheden” in de zo-even vernoemde bestuurstaalwet van 28 juni 1932 (Parl. St. Kamer 1961-1962, nr. 331/1, blz. 2); dat in het kamerverslag voorts is te lezen: “Zoals de wet van 28 juni 1932 moet de nieuwe wet toepasselijk zijn op al de openbare diensten in de ruimste zin van het woord en op alle administratieve handelingen die ervan uitgaan” (Parl. St. Kamer 1961-1962, nr. 331/27, blz. 4); Overwegende dat de gemeentelijke basisschool “Het Hoeveke” een openbare dienst van de gemeente Wezembeek-Oppem is als bedoeld in artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet; Overwegende, wat het begrip “andere wet” betreft, nu is vastgesteld dat de onderwijstaalwet geen regels bevat over het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat anders dan verzoekende partij betoogt, de woorden “voor XII-2703-19/33 zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet” in artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet niet de toepassing van deze wet uitsluit om reden dat de gemeentelijke basisschool ook onderworpen is aan de onderwijstaalwet; dat die uitleg vooreerst al niet strookt met de bedoeling van de wetgever, zoals die is uitgedrukt in het kamerverslag (Parl. St. Kamer 1961-1962, nr. 331/27, blz. 6) : “De termen ‘voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet’ steunen op volgende passus uit het verslag van de heer Van Cauwelaert (Parl. Stuk nr 67 - Kamer 1931-1932, blz. 4): ‘Voortaan zal geen twijfel meer mogelijk zijn. Geen openbaar bestuur, afhangend van de Staat, van de provinciën of van de gemeenten, zal zich nog aan de verplichtingen van deze wet kunnen onttrekken, tenzij het steunen kan op een wettelijke en nadrukkelijke vrijstelling. Deze uitzondering bestaat alleen voor het legerbestuur, waarvan de verplichtingen inzake bestuurstaal geregeld worden door de wet van 7 november 1928)’ (thans wet van 30 juli 1938). M.a.w., zo de wet van 30 juli 1938 de administratieve activiteit bij het leger niet had geregeld, zou deze activiteit aan de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken onderworpen zijn. Het ware derhalve onjuist de tekst van het ontwerp uit te leggen alsof hij de wetten op het gebruik van de talen in gerechts- en onderwijszaken bedoelt, omdat de overheden die aan bedoelde wetten onderworpen zijn, enkel behoren de voorschriften van de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken te eerbiedigen ten aanzien van hun handelingen van administratieve aard. [...] Buiten de onderhavige wet blijven dus nog voor administratieve aangelegenheden gelden: de wet op het gebruik van de talen bij het leger, de zoëven vermelde speciale wetten tot oprichting van de Orden der geneesheren, apothekers enz., en andere wetten welke eventueel later mochten uitgevaardigd worden”; Overwegende dat de verzoekende partij bijgevolg tevergeefs opwerpt dat de tussenkomende partijen aan de onderwijstaalwet zijn onderworpen en daarom op grond van het bepaalde in artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet niet onder de bestuurstaalwet zouden vallen; dat voorts, zonder dat onderzocht moet worden of de tussenkomende partijen “zuiver onderwijzend personeel” zijn in de betekenis die verzoekende partij aan die termen geeft, niet wordt betwist dat de tussenkomende partijen “leden van het onderwijzend personeel” zijn als bedoeld in artikel 149 van de nieuwe gemeentewet waarvan de benoeming aan de gemeenteraad is opgedragen - het zijn immers die benoemingsbesluiten die door het bestreden ministerieel besluit worden vernietigd; dat de tussenkomende partijen bijgevolg onmiskenbaar gemeenteambtenaren zijn, waarop luidens artikel 143, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, de bepalingen van de nieuwe gemeentewet met betrekking tot het personeel behoudens uitdrukkelijke afwijking toepasselijk zijn; dat zij als gemeentelijk onderwijspersoneel, in hun ambtelijke hoedanigheid betrekkingen onderhouden met andere diensten en handelingen stellen van XII-2703-20/33 administratieve aard; dat het bestreden ministerieel besluit bij wijze van voorbeeld terecht in concreto de tuchtprocedure die op de bedoelde personeelsleden toepasselijk is, als voorbeeld geeft; dat daarbij ook nog de tuchtprocedure voor de kamer van beroep -orgaan van de Vlaamse Gemeenschap- vermeld mag worden, bedoeld in het rechtspositiedecreet van 27 maart 1991; dat nog steeds bij wijze van voorbeeld meer in het algemeen kan worden vastgesteld dat tal van handelingen van administratieve aard worden verwacht van de tussenkomende partijen met betrekking tot hun loopbaanverloop, zoals kandidaatstellingen, verlofaanvragen en evaluatieprocedures; 4.2.1.5. Overwegende dat het Nederlands de officiële taal is voor het bestuur en het onderwijs in het Nederlandse taalgebied; dat het voordeel om een andere taal dan de officiële taal te gebruiken dat de onderwijstaalwet -of de taalwetgeving in het algemeen- instelt er een is ten behoeve van de bestuurde, niet van de bestuurders; dat daaruit volgt dat de gemeentelijke ambtenaren die de personeelsleden van de inrichting zijn, behalve wanneer ze tot prestaties verplicht zijn tegenover Franstalige bestuurden, voor hun bestuurshandelingen overeenkomstig de artikelen 23 tot 27 van de bestuurstaalwet het Nederlands moeten gebruiken, kennen en de kennis ervan bewijzen; Overwegende overigens dat verzoekende partij in haar verzoekschrift artikel 13 van de onderwijstaalwet onvolledig citeert en er zo een verkeerde draagwijdte aan geeft; dat het woord “slechts” in artikel 13, eerste lid, van de onderwijstaalwet slaat op wat de onderwijsinrichting mag doen -die inrichting mag “slechts” personen aanwerven die de kennis van een bepaalde taal bewijzen- en niet betekent zoals verzoekende partij betoogt, dat het personeel enkel het bewijs van die taalkennis zou moeten leveren (in het Frans: “Un établissement d'enseignement ne peut recruter dans son personnel de direction, enseignant et administratif que des personnes qui ont fourni la preuve de leur connaissance approfondie de la langue de l'enseignement de l'établissement [...]”); dat het voorschrift van dit artikel 13 de voorgaande overwegingen bijgevolg niet tegenspreekt en meer bepaald de complementaire toepassing van artikel 27 van de bestuurstaalwet niet uitsluit; Overwegende tenslotte dat, los van de interpretatie van de bestuurstaalwet, het standpunt van verzoekende partij nog minder kan worden aanvaard nu de Grondwetgever met de grondwetsbepaling van 24 december 1970 XII-2703-21/33 in huidig artikel 4 van de Grondwet de taalgebieden als grondwettelijk begrip heeft bekrachtigd en aldus de inhoud van dit begrip tot grondwettelijke norm heeft willen verheffen; 4.2.1.6. Overwegende, samengevat, dat de onderwijstaalwet geen verplichtingen bevat inzake de bestuurstaal; dat nadien voorschriften betreffende de bestuurstaal in de onderwijsinstellingen wel zijn tot stand gekomen in andere regelgeving, te weten voor de hogescholen en de universiteiten thans bij het artikel 90 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen; dat voor het basisonderwijs in de randgemeenten echter geen “andere wet” als bedoeld bij artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet is aangenomen; Overwegende dat het stilzwijgen van de onderwijstaalwet, anders dan verzoekende partij het ziet, niet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat daardoor in het Nederlandse taalgebied -een eentalig gebied- een regime wordt ingesteld waardoor de taal van dat gebied in een plaatselijke dienst niet langer de status van officiële taal zou hebben; dat integendeel de zogenaamde “faciliteiten” die de taalwetgevingen invoeren, en die zich voordoen als uitzonderingen op de algemene regel dat het Nederlands de officiële taal is en bijgevolg onderwijstaal en bestuurstaal, restrictief moeten worden geïnterpreteerd; Overwegende, kortom, dat artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurs- taalwet, opdat geen afbreuk zou worden gedaan aan het principieel eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied en aan de grondwettelijke voorrang die het Nederlands blijkens artikel 4 van de Grondwet in dat taalgebied geniet, overeenkomstig de hiervoor geciteerde wil van de wetgever in die zin moet worden uitgelegd dat met andere wetten inzake taalgebruik enkel wordt gerefereerd aan bijzondere wetgeving op het gebruik van de talen voor de bestuurszaken, zodat : - de gemeentelijke onderwijsinrichtingen van een randgemeente inzake het gebruik van de talen in verband met het verstrekken van onderwijs onderworpen zijn aan de onderwijstaalwet, hetgeen impliceert dat het personeel van een dergelijke onderwijsinrichting waarvan de onderwijstaal het Frans is, slechts kan worden aangeworven indien het het bewijs heeft geleverd van een grondige of, voor leraars in andere levende talen, voldoende kennis van die onderwijstaal (artikel 13 van de onderwijstaalwet); XII-2703-22/33 - diezelfde gemeentelijke onderwijsinrichtingen van een randgemeente, voor zover zij inzake het gebruik van de talen niet beheerst worden door de onderwijstaalwet, zoals voor de te gebruiken taal in de binnendiensten, in de betrekkingen met de diensten waaronder zij ressorteren en in de betrekkingen met andere diensten of met particulieren in het algemeen, beheerst worden door de bestuurstaalwet, hetgeen impliceert dat een gemeentelijke schoolinrichting van een randgemeente, ook al verstrekt zij onderwijs in het Frans, voor de binnendienst uitsluitend de Nederlandse taal gebruikt (artikel 23 van de bestuurstaalwet) en, a fortiori, dat in een dergelijke onderwijsinrichting niemand tot een ambt of betrekking kan worden benoemd of bevorderd indien hij de Nederlandse taal niet kent (artikel 27, eerste lid, van de bestuurstaalwet); 4.2.1.7. Overwegende dat verzoekende partij niet aanvoert, laat staan aantoont, dat een tussenkomende partij op het ogenblik van haar benoeming de Nederlandse taal kent; dat het bestreden ministerieel besluit dan ook terecht overweegt “dat de besluiten van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem van 16 december 1999 strijdig zijn met de terzake geldende taalwetten”; dat dan de vraag is of die “geldende taalwetten” zelf in overeenstemming zijn met de door verzoekende partij aangevoerde grondwetsbepalingen; dat het antwoord op die vraag gegeven moet worden door het Arbitragehof; Overwegende dat uit de motivering van het bestreden besluit naar voren komt dat de voor de voorliggende zaak in aanmerking genomen -en blijkens wat voorafgaat in aanmerking te nemen- “terzake geldende taalwetten” de voorschriften zijn zoals neergeschreven in artikel 23 en artikel 27, eerste lid, van de bestuurstaalwet welke moeten worden toegepast gelet op de door verwerende partij gegeven en door de Raad van State correct bevonden interpretatie van artikel 1, § 1, 1/, van diezelfde wetten; 4.2.1.8. Overwegende dat verzoekende partij met de eerste door haar geformuleerde vraag het Arbitragehof wenst te ondervragen over de bestaanbaarheid van de door haarzelf in het middel aangevoerde onderwijstaalwet met de Grondwet; dat die vraag -waarvan zij ter terechtzitting zelf opmerkt op een ontkennend antwoord van het Hof te hopen- niet dienend is voor de oplossing van het geschil, nu het bestreden ministerieel vernietigingsbesluit niet is gesteund op enige bepaling van de onderwijstaalwet en de beslechting van het geschil dan ook XII-2703-23/33 niet door het antwoord van het Arbitragehof kan worden beïnvloed; dat de eerste vraag onontvankelijk is; 4.2.1.9. Overwegende dat hetgeen verzoekende partij in wezen grieft, de eis is om de situatie van tussenkomende partijen niet enkel aan de onderwijstaalwet, waarvan geen der partijen de toepassing betwist, maar ook aan de bestuurstaalwet te onderwerpen; dat die eis volgens verzoekende partij afbreuk doet aan de onderwijsvrijheid (artikel 24 van de Grondwet) en aan de vrijheid van het gebruik der in België gesproken talen (artikel 30 van de Grondwet); dat die eis het gevolg is van het artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet zoals uitgelegd door de Raad van State en niet van enig artikel van de onderwijstaalwet; dat verzoekende partij bijgevolg met de tweede door haar geformuleerde vraag van het Arbitragehof een uitspraak wenst te krijgen over de grondwettigheid van artikel 1, § 1, 1/, van artikel 23 en van artikel 27, eerste lid, van de bestuurstaalwet zoals de Raad van State die bepalingen interpreteert; dat het Arbitragehof bevoegd is om op dergelijke prejudiciële vraag te antwoorden; Overwegende evenwel dat de verplichting prejudiciële vragen te stellen niet behelst dat de bewoordingen die verzoekende partij geeft aan de vraagstelling zonder meer moeten worden overgenomen; dat moeten worden weggelaten de beschouwingen die niet dienstig zijn; dat echter wel de geest van de vraag dient te worden gerespecteerd in die zin dat het rechtspunt dat verzoekende partij ter beoordeling aan het Arbitragehof wil voorleggen niet mag worden beperkt; Overwegende dat een vraag over “de faciliteitengemeenten” te ruim is, nu te dezen enkel de regelgeving voor de randgemeenten van toepassing en bijgevolg voor de oplossing van het geschil rechtens relevant is; dat verzoekende partij voorts ter terechtzitting erkent dat de tussenkomende partijen enkel les geven in de onderwijstaal en het geschil dus geen betrekking heeft op bijvoorbeeld Franstalige onderwijzers die ook belast zijn met het tweede-taalonderricht of het onderricht in andere levende talen; dat de voorgestelde vraag op die punten wordt verfijnd; Overwegende dat hiervoor is vastgesteld dat niet de bewijsvoering van de voorgeschreven taalkennis in het geschil is, maar louter de vereiste taalkennis zelf; dat de vraag dienovereenkomstig wordt aangepast; XII-2703-24/33 Overwegende dat tussenkomende partijen niet zomaar “een tweede taal” moeten kennen; dat het voorschrift uit de bestuurstaalwet meer precies de kennis van de bestuurstaal betreft; dat die precisering in de vraag dient aangebracht, met dien verstande dat het voor de tussenkomende partijen de facto betekent dat zij twee talen moeten kennen, nu de onderwijstaal en de bestuurstaal wat hen betreft niet samenvallen; Overwegende dat de Raad de door verzoekende partij voorgestelde vraag, geherformuleerd overeenkomstig de voorgaande overwegingen, in het beschikkend gedeelte van dit arrest als eerste vraag aan het Arbitragehof voorlegt; 4.2.1.10. Overwegende dat verzoekende partij niet enkel de toetsing vraagt aan de artikelen 24 en 30 van de Grondwet, maar ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in haar vraagstelling als toetsingsgrond opneemt; dat zij daarom ook de categorie van rechtsonderhorigen aanduidt met welke zij de tussenkomende partijen vergeleken wil zien om aldus tot een discriminerende behandeling te besluiten: “de andere onderwijzers van andere gemeentelijke basisscholen”; dat de vraag rijst of die categorie voldoende duidelijk is en relevant; dat immers “andere onderwijzers van andere gemeentelijke basisscholen” een diversiteit van categorieën omvat al naargelang het onderwijzers zijn die onderwijs verstrekken in de onderwijstaal, in een andere taal, in een andere levende taal (enzovoort), of andere gemeentelijke basisscholen, in een randgemeente, in een taalgrensgemeente, in een gemeente van het tweetalig gebied, in een gemeente die niet is begiftigd met een speciale taalregeling (enzovoort), hetgeen een behoorlijk aantal varianten oplevert; dat bovendien het uitgangspunt dat die “andere onderwijzers” wat de taalkennis betreft “slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal moeten leveren” (versta: slechts de onderwijstaal moeten kennen) gelet op al de mogelijke varianten ook voor discussie vatbaar is; dat immers, bij voorbeeld, een onderwijzer die onderwijs verstrekt in de onderwijstaal in een Nederlandstalige gemeentelijke basisschool van de verzoekende partij of een dergelijke onderwijzer van een gemeentelijke basisschool van een gemeente in het Nederlandse taalgebied zonder bijzondere regeling, als gevolg van de complementaire toepassing van de beide taalwetten beiden ook de iure de onderwijstaal én de bestuurstaal moeten kennen, weze het dat het anders dan voor de tussenkomende partijen in beide voorbeelden de facto om dezelfde taal -de streektaal- gaat; XII-2703-25/33 Overwegende dat verzoekende partij, hierover om verduidelijking gevraagd, vooreerst opmerkt dat zij “ervan [is] uitgegaan dat, bij formulering van een prejudiciële vraag, de melding van de twee te vergelijken categorieën personen of situaties niet verplicht is”; dat zij subsidiair voorstelt dat de vraag anders kan worden geformuleerd en wel door de vergelijking te maken als volgt: “[...] dat bij onderwijzers die lessen in de onderwijstaal van de inrichting verschaffen, ze het bewijs van de kennis van een tweede taal moeten leveren in de Franstalige gemeentelijke basisscholen van de faciliteiten- en randgemeenten, terwijl ze slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal moeten leveren in andere gemeentelijke basisscholen”; Overwegende dat de nieuwe formulering de strekking van de te maken vergelijking wijzigt en het gebrek aan accuratesse van de vraagstelling niet wegneemt; dat de verschillende strekking van de beide formuleringen en de niet weggenomen onduidelijkheid aan verzoekende partij zijn toe te schrijven; dat zulks de Raad van State verhindert om de vergelijking in de vraagstelling zelf te verbeteren of te wijzigen, aangezien hij dan in de plaats van verzoekende partij en misschien tegen de geest van haar vraagstelling in zou handelen; dat de Raad ook hierom behoedzaam moet omgaan met de eventuele herformulering van de te maken vergelijkingen, aangezien hij niet in de plaats van het Arbitragehof mag treden om na te gaan of er inderdaad sprake is van ongelijke behandeling van gelijke situaties of van gelijke behandeling van ongelijke situaties die uit de wetgevende normen voortvloeit; dat, indachtig ten slotte ook de bij artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof in het kader van de rechtsbescherming aan de Raad opgelegde verplichting tot prejudiciële vraagstelling, nu verzoekende partij ter terechtzitting insisteert om de door haar geformuleerde vergelijking aan het oordeel van het Arbitragehof onderworpen te zien, de Raad in die omstandigheden meent dat er grond is om in het beschikkend gedeelte van dit arrest de door verzoekster geformuleerde vergelijkingen in een tweede vraag aan het Arbitragehof voor te leggen; 4.2.2. Overwegende dat verzoekende partij in de laatste memorie verzaakt aan het tweede onderdeel van het tweede middel; 4.2.3.1. Overwegende dat verzoekende partij in het derde onderdeel van het tweede middel aanvoert dat verwerende partij een tegenstrijdige houding aanneemt en, door zo te handelen, de “beginselen van de zorgvuldigheid, gelijkheid XII-2703-26/33 en de rechtsveiligheid” schendt, hetgeen zij als volgt toelicht: de verwerende partij heeft tot nu toe nooit de bestuurstaalwet ingeroepen om benoemingsbesluiten als de voorliggende te vernietigen, maar keurde in het verleden integendeel het standpunt van verzoekster goed; daarenboven deelde de Vlaamse Gemeenschap met een brief van 4 februari 2000 aan de directeur van “Het Hoeveke” mee dat de personeelsleden van de Franstalige basisschool van de faciliteitengemeenten die de verplichte tweede taal Nederlands niet onderwijzen slechts het bewijs moeten leveren van de grondige kennis van de onderwijstaal van de school; A. Lambot werd bij gemeenteraadsbeslissing van 22 december 1998 tot deeltijds onderwijzer benoemd in de gemeente Kraainem, zijnde één van de zes randgemeenten, nochtans heeft de verwerende partij deze benoeming goedgekeurd; verzoekende partij kan moeilijk geloven dat dit verschil gebaseerd zou zijn op een verschil tussen het faciliteitenregime van de zogenaamde “kleine faciliteitengemeenten” (Sint- Genesius-Rode en Wezembeek-Oppem) en dat van de zogenaamde “grote faciliteitengemeenten” (Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel) maar, indien de Raad van State van mening zou zijn dat dit wel zo is, vraagt zij dat daarover een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof zou worden gesteld; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat ten onrechte wordt geponeerd dat de toezichthoudende overheid thans niet meer zou kunnen optreden omwille van het feit dat er vroeger niet is opgetreden in het kader van het administratief toezicht, temeer nu zij het spoor van de rechtspraak van de Raad van State heeft gevolgd, dat het bestreden besluit overigens uitdrukkelijk refereert aan die rechtspraak, dat de verwijzing naar een vorige benoeming van A. Lambot dan ook irrelevant is, dat, a fortiori, de prejudiciële vraag met betrekking tot het derde onderdeel al even irrelevant is, vermits het bestreden besluit niet gebaseerd is op enig onderscheid tussen de verschillende faciliteitengemeenten, en dat er ten onrechte wordt geponeerd dat het zorgvuldigheidsbeginsel zou geschonden zijn door te verwijzen naar brieven van de Vlaamse Gemeenschap, vermits (alhoewel optredend via dezelfde organen) de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest twee aparte rechtspersonen blijven, en een brief van een bestuur bovendien niet ingeroepen kan worden, contra legem, tegen de bestuurstaalwetgeving; Overwegende dat de repliek niet overtuigt en de beleids- tegenstrijdigheid niet verantwoordt, aldus verzoekende partij in de memorie van wederantwoord; dat zij voorts opmerkt dat verwerende partij, indien zij haar beleid XII-2703-27/33 wijzigt, dit op zijn minst moet motiveren, wat ter zake niet is gebeurd; dat zij in de laatste memorie betoogt dat het vertrouwensbeginsel -dat een onderdeel is van de “rechtsveiligheid”- geschonden wordt wanneer de overheid plots afwijkt van een bestendige praktijk of een vast beleid en dat het bestuur in dergelijk geval zelfs gedwongen is de bestendige praktijk voort te zetten; XII-2703-28/33 Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie opmerkt dat verzoekende partij klaarblijkelijk afstand doet van de prejudiciële vraag, en niet betwist dat het irrelevant zou zijn om een prejudiciële vraag te stellen met betrekking tot een verschillende behandeling van gemeenten, nopens een onderscheid dat niet bestaat en dat niet is gemaakt; dat zij voorts haar verbazing uitdrukt dat precies in het kader van het facultatieve administratief toezicht het vertrouwensbeginsel contra legem zou ingeroepen worden nu het facultatieve toezicht bij uitstek de materie is waar een wijziging van beleid kan doorgaan; dat volgens haar overigens uit het niet stellen van bepaalde handelingen, dat door vele factoren kan zijn veroorzaakt zoals een gebrek aan kennis nopens bepaalde toestanden, tijdsgebrek enzovoorts, geen “vertrouwen” kan worden afgeleid; 4.2.3.2. Overwegende, vooraf, dat de Raad van State met verwerende partij akte neemt van het feit dat verzoekende partij haar in dit onderdeel geformuleerde verzoek tot prejudiciële vraagstelling niet handhaaft in de laatste memorie en nog enkel vraagt de twee prejudiciële vragen te stellen bedoeld in het eerste middelonderdeel en de prejudiciële vraag bedoeld in het vierde middelonderdeel; Overwegende dat de bepalingen van de bestuurstaalwet van openbare orde zijn; Overwegende dat luidens artikel 58 van de bestuurstaalwet, alle administratieve handelingen en verordeningen die naar vorm of inhoud strijdig zijn met de bepalingen van de bestuurstaalwet, nietig zijn, en de nietigheid van die handelingen en verordeningen wordt vastgesteld op verzoek van iedere belanghebbende, hetzij, door de overheid van wie die handelingen en verordeningen uitgaan, hetzij naar gelang van het geval en de rangorde van hun respectieve bevoegdheden, door de toezichthoudende overheid, de hoven en rechtbanken of de Raad van State; Overwegende dat de toezichthoudende overheid in het voorliggende geval een bevoegdheid heeft uitgeoefend die niet facultatief is, aangezien zij krachtens voornoemde bepaling er toe verplicht is, een in strijd met de bestuurstaalwet verrichte handeling te vernietigen, reden waarom de Raad van State, indien de toezichthoudende overheid zich aan die verplichting onttrekt, niet alleen de met de bestuurstaalwet strijdige beslissing van het ondergeschikt bestuur XII-2703-29/33 zal vernietigen, maar ook indien zij mee bestreden is, de (expliciete of impliciete) weigering van de toezichthoudende overheid om die beslissing te vernietigen; Overwegende dat, wanneer de toezichthoudende overheid zoals te dezen haar gebonden bevoegdheid uitoefent, de Raad van State dat toezichtsbesluit dan ook bezwaarlijk kan vernietigen om reden dat die overheid zich in het verleden aan de haar bij artikel 58 van de bestuurstaalwet opgelegde verplichting zou hebben onttrokken, laat staan om reden dat zij bij het nemen van haar beslissing zou zijn afgeweken van een standpunt dat werd ingenomen door een administratie -met name de “afdeling basis personeel beleidsuitvoering” van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap- die in casu dan nog niet eens tot taak heeft de Vlaamse regering bij te staan bij de voorbereiding en uitvoering van beslissingen in het kader van de uitoefening van het gewoon administratief toezicht; dat, ten overvloede, wordt vastgesteld dat de brief van 4 februari 2000 waarnaar verzoekende partij verwijst enkel beoogt uitleg te verschaffen over het bewijs van taalkennis bij vaste benoeming in het onderwijs uit oogpunt van de onderwijstaalwet en op geen enkel ogenblik een “standpunt” verkondigt met betrekking tot de al dan niet toepassing of interpretatie van de bestuurstaalwet; dat, tenslotte, in de veronderstelling dat de verwerende partij wegens een beweerde wijziging in haar beleid in de motieven van het besluit iets zou moeten veruitwendigen, blijkt dat zij zulks effectief heeft gedaan door te refereren aan de rechtspraak van de Raad van State; Overwegende dat het derde middelonderdeel niet gegrond is; 4.2.4.1. Overwegende dat verzoekende partij in een vierde onderdeel van het tweede middel de aandacht van de Raad wil vestigen “op een andere discriminatie die mogelijks uit de nieuwe regeling van tegenpartij zou kunnen voortvloeien”; dat zij toelicht dat uit artikel 13 van de onderwijstaalwet blijkt, dat voor leraars in andere levende talen dan de onderwijstaal, die in het bezit zijn van het vereiste diploma, het bewijs van een voldoende kennis van de onderwijstaal volstaat, dat voor deze personeelsleden nochtans, bij toepassing van de interpretatie van de taalwetgeving van de tegenpartij, vereist zou worden dat zij het bewijs leveren in het bezit te zijn van het gepaste diploma waaruit blijkt dat zij het onderwijs in het Nederlands hebben genoten of van de vereiste kennis van het Nederlands, afgeleverd door het Vast Wervingssecretariaat, dat van de geviseerde onderwijzers in dat geval verwacht wordt dat zij over een grondige kennis van het XII-2703-30/33 Nederlands beschikken en slechts over een voldoende kennis van de onderwijstaal van de inrichting, en dat een dergelijke onredelijke eis een flagrante schending van de gelijkheids- en evenredigheidsbeginselen inhoudt; dat verzoekende partij hieraan toevoegt, indien de Raad van State van een andere mening zou zijn, dat aan het Arbitragehof de volgende prejudiciële vraag zou worden gesteld : “Schenden artikelen 1, § 1, 23 en 27 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1966, artikelen 10, 11, 24 en 30 van de Grondwet, in zoverre die artikelen geïnterpreteerd worden als bepalend dat onderwijzers in andere levende talen dan de onderwijstaal van de Franstalige gemeentelijke basisscholen van de faciliteiten-, en randgemeenten het bewijs van de kennis van een extra derde taal moeten leveren, hetzij de taal van het Gewest, terwijl, enerzijds, ze slechts het bewijs van een voldoende kennis van de onderwijstaal van de inrichting moeten leveren en, anderzijds, de andere onderwijzers in andere levende talen van andere gemeentelijke basisscholen dergelijk bewijs van een extra derde taal niet moeten leveren?”; Overwegende dat de memorie van antwoord geen repliek bevat betreffende dit middelonderdeel, wat door verzoekende partij wordt vastgesteld in de memorie van wederantwoord; dat zij in de laatste memorie zich ertoe beperkt te verwijzen naar de prejudiciële vraag die zij de Raad verzoekt aan het Arbitragehof te stellen; 4.2.4.2. Overwegende dat het willen attenderen van de Raad van State op “een andere discriminatie die mogelijks uit de nieuwe regeling van tegenpartij zou kunnen voortvloeien” nog niet volstaat om op ontvankelijke wijze een rechtsmiddel aan te brengen; dat het bestreden besluit zich niet uitspreekt over de benoeming van “leraars in andere levende talen dan de onderwijstaal”; dat tussenkomende partijen met andere woorden niet de door verzoekende partij in dit middelonderdeel “geviseerde onderwijzers” zijn van wie zou worden verwacht dat zij een betere kennis hebben van de streektaal dan van de onderwijstaal; dat van tussenkomende partijen noch een betere kennis van de streektaal dan van de onderwijstaal wordt geëist, noch enige kennis van “een extra derde taal”; dat, derhalve, welkdanige toepassing van de taalwetgeving op dergelijke onderwijzers ook, vreemd is aan het voorliggend geschil; dat het middelonderdeel in die mate niet ontvankelijk is; dat, wat het gelijkheidsbeginsel betreft, het middel ook faalt in feite; dat immers de tussenkomende partijen als gezien niet de onderwijzers in andere levende talen zijn van de Franstalige gemeentelijke basisschool, noch uiteraard “andere onderwijzers in andere levende talen van andere gemeentelijke basisscholen”; dat een vergelijking tussen beide categorieën van onderwijzers dan ook irrelevant is voor de oplossing van voorliggend geschil; dat, ten overvloede, ook opgemerkt wordt dat tussen, XII-2703-31/33 eensdeels, de “geviseerde onderwijzers” en, anderdeels, de tussenkomende partijen géén verschillende behandeling bestaat wat de in voorliggend geschil betwiste kennis van de bestuurstaal betreft: beide categorieën moeten de kennis ervan bewijzen; dat er bijgevolg ook geen noodzaak is om de door verzoekster geformuleerde vraag aan het Arbitragehof voor te leggen, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Aan het Arbitragehof worden de volgende prejudiciële vragen gesteld : - Schenden artikel 1, § 1, 1/, artikel 23 of artikel 27, eerste lid, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 24 en 30 van de Grondwet door, cumulatief van toepassing zijnde met de wetgeving op het gebruik der talen voor het onderwijs, inzake de talen het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied op te leggen aan het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente als bedoeld in artikel 7, § 3, B, derde lid, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat enkel lessen in de onderwijstaal van de inrichting verstrekt en daartoe het bewijs van de kennis van de onderwijstaal heeft geleverd? - Schenden artikel 1, § 1, 1/, artikel 23 of artikel 27, eerste lid, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 24 en 30 van de Grondwet, door, cumulatief van toepassing zijnde met de wetgeving op het gebruik der talen voor het onderwijs, inzake de talen het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied op te leggen aan het onderwijzend personeel van een XII-2703-32/33 Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente als bedoeld in artikel 7, § 3, B, derde lid, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat enkel lessen in de onderwijstaal van de inrichting verstrekt en daartoe het bewijs van de kennis van de onderwijstaal heeft geleverd, terwijl “ze slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal moeten leveren in andere gemeentelijke basisscholen” of terwijl “de andere onderwijzers van andere gemeentelijke basisscholen slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal moeten leveren”? Artikel 3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt, na ontvangst van het arrest van het Arbitragehof, belast met het verder onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien februari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2703-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.803 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.340 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.