← België

Arrest 140805 - - 17/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.805 Rolnummer: A. 125195/XII-3621 Zaak: Arrest 140805 - - 17/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-09 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-07-02 08:09 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 140.805 van 17 februari 2005 - Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.805 van 17 februari 2005 in de zaak A. 125.195/XII-

  1. In zake : de GEMEENTE SINT-GENESIUS-RODE, die woonplaats kiest bij advocaat N. Weinstock, kantoor houdende te Brussel, Tedescolaan 7 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat W. Muls, kantoor houdende te Brussel, A. Dansaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Sint-Genesius-Rode op 9 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 juni 2002 van de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegen- heden, ambtenarenzaken en buitenlands beleid houdende vernietiging van het besluit van 29 januari 2002 van de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode houdende benoeming in vast verband van Sabine Santacreu als onderwijzeres voor 24 lestijden aan de Franstalige gemeenteschool met ingang van 1 januari 2002; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2004; XII-3621-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. Weinstock, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat V. Schippers, die loco advocaat W. Muls verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Over de gegevens van de zaak.
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Bij besluit van 29 januari 2002 van de gemeenteraad van Sint- Genesius-Rode wordt Sabine Santacreu, geboren te Beaune (Frankrijk), vast benoemd als onderwijzeres aan de Franstalige gemeentelijke basisschool Vredelaan met een opdracht van 24 lestijden en dit met ingang van 1 januari
  5. 1.
  6. Bij besluit van 21 maart 2002 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant wordt het raadsbesluit van 29 januari 2002 houdende benoeming van S. Santacreu in zijn uitvoering geschorst, op grond van de overweging dat het betrokken personeelslid noch in het bezit is van het vereiste diploma waaruit blijkt dat zij het onderwijs in het Nederlands heeft genoten, noch van een getuigschrift van de vereiste kennis van het Nederlands afgeleverd door Selor, en de gemeenteraads- beslissing houdende haar benoeming in vast verband derhalve strijdig is met de terzake geldende taalwetten. 1.
  7. Op 18 april 2002 beslist de gemeenteraad kennis te nemen van het schorsingsbesluit van 21 maart 2002 en zijn beslissing van 29 januari 2002 te handhaven. 1.
  8. Bij besluit van 11 juni 2002 van de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, ambtenarenzaken en buitenlands beleid wordt het besluit van 29 januari 2002 van de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode houdende XII-3621-2/11 benoeming in vast verband van S. Santacreu tot onderwijzeres voor 24 lestijden aan de Franstalige gemeenteschool vanaf 1 januari 2002, vernietigd. Dat besluit, dat het voorwerp uitmaakt van het voorliggend beroep, luidt : “De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid, Gelet op de Nieuwe Gemeentewet, inzonderheid op de artikelen 149, 264 en 265; Gelet op het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, inzonderheid op de artikelen 30 tot en met 33; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering; Gelet op het besluit van 29 januari 2002, waarbij de gemeenteraad van Sint- Genesius-Rode Mevrouw Sabine Santacreu vast benoemt als onderwijzeres voor 24 lestijden aan de Franstalige gemeenteschool met ingang van 1 januari 2002; Gelet op het besluit van 21 maart 2002, waarbij de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant bovengenoemd raadsbesluit in zijn uitvoering schorst; Gelet op het besluit van 18 april 2002, ingekomen bij de Provinciale Afdeling Vlaams-Brabant op 2 mei 2002, waarbij de gemeenteraad van Sint- Genesius-Rode genoemd raadsbesluit van 29 januari 2002 rechtvaardigt; Gelet op de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs (hierna : 'onderwijstaalwet'); Gelet op het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna : 'bestuurstaalwet'); Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; Overwegende dat uit de artikelen 19 en 31 van bovengenoemd decreet van 27 maart 1991 blijkt dat niemand vast benoemd kan worden in het gesubsidieerd onderwijs, indien hij op het ogenblik van de benoeming niet voldoet aan de bepalingen van de taalwetten terzake; Overwegende dat artikel, 1 §1, 4/ van de bestuurstaalwet, bepaalt dat deze gecoördineerde wetten toepasselijk zijn op de administratieve handelingen van de schooloverheden; Overwegende dat het hierbovenstaande bevestigd wordt door de arresten nr. 74.028 en 74.029 van 2 juni 1998 van de Raad van State, die uitdrukkelijk bepalen dat onderwijzers in het lager gemeentelijk onderwijs, als gemeenteambtenaren, onderworpen zijn aan de bestuurstaalwet; dat bovengenoemde arresten bepalen dat men tevergeefs zou opwerpen dat doordat een onderwijzer aan de onderwijstaalwet onderworpen is, hij niet onder de bestuurstaalwet zou vallen; dat immers de onderwijstaalwet enkel het gebruik van de talen in verband met het verstrekken van onderwijs regelt om het zo doelmatig mogelijk te maken, terwijl de bepalingen van de bestuurstaalwet van toepassing zijn op de administratieve handelingen van die schooloverheden; dat de Raad van State in deze arresten bevestigt dat de leerkrachten in een Franstalige gemeentelijke lagere school gemeenteambtenaren zijn die verplicht XII-3621-3/11 zijn om voor de eigen inwendige dienst die taal te gebruiken die hun is voorgeschreven door de bestuurstaalwet, in casu het Nederlands; Overwegende dat de Raad van State in bovengenoemde arresten bevestigt dat de leerkrachten in een Fransta1ige gemeentelijke lagere school gemeenteambtenaren zijn die verplicht zijn om voor de eigen inwendige dienst de taal te gebruiken die hun is voorgeschreven door de bestuurstaalwet, in casu het Nederlands; Overwegende dat krachtens artikel 64, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de partijen die onderworpen zijn aan de bestuurstaalwet verplicht zijn om voor hun akten en verklaringen voor de Raad van State de taal te gebruiken die hun is voorgeschreven voor hun eigen inwendige dienst; dat daarom de Raad van State in de arresten nr. 74.028 en 74.029 van 2 juni 1998 oordeelde dat de beroepen niet geldig waren ingesteld; Overwegende dat het tuchtstatuut van het gesubsidieerd onderwijzend personeel in de gemeenten geregeld wordt door het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; dat artikel 68, §1, van bovengenoemd decreet bepaalt dat de tuchtmacht uitgeoefend wordt door de tot benoemen bevoegde overheid, behoudens de in §2 bepaalde afwijkingen; dat de tot benoemen bevoegde overheid de gemeenteraad is,. Overwegende dat artikel 23 van de bestuurstaalwet bepaalt dat iedere plaatselijke dienst die gevestigd is in de gemeenten Sint-Genesius-Rode, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem uitsluitend de Nederlandse taal gebruikt in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en zijn betrekkingen met de diensten uit het. Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad; dat bijgevolg, wanneer in de gemeenteraad van één van deze gemeenten een tuchtprocedure gevoerd wordt tegen een lid van het onderwijzend personeel waarbij het betrokken personeelslid gehoord wordt, het Nederlands de enige taal is die gebruikt mag worden; dat wanneer een onderwijspersoneelslid het Nederlands niet machtig is, hij zelfs niet in staat zou zijn zichzelf te verdedigen voor de gemeenteraad in een tuchtprocedure, noch eventueel om te getuigen voor een collega tegen wie een tuchtzaak zou zijn ingespannen; Overwegende dat volgens het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht van 22 januari 1976 sommige schooloverheden taalkundig in staat moeten zijn om in het raam van de bestuurstaalwet alle voorbedoelde handelingen van bestuurlijke aard te stellen in de voorgeschreven taal; Overwegende dat artikel 27 van de bestuurstaalwet bepaalt dat in de plaatselijke diensten van de randgemeenten niemand tot een ambt of betrekking kan worden benoemd of bevorderd indien hij de Nederlandse taal niet kent; dat deze kennis bewezen moet worden door middel van het vereiste diploma of studiegetuigschrift waaruit blijkt dat het onderwijs in het Nederlands werd genoten of, bij ontstentenis daarvan, door een examen; Overwegende dat artikel 53 van de bestuurstaalwet bepaalt dat alleen de Afgevaardigd Bestuurder van Selor bevoegd is om attesten uit te reiken inzake de taalkennis vereist door de bestuurstaalwet uit te reiken; Overwegende dat deze bepaling bevestigd wordt door het recente Koninklijk Besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen van taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van die bestuurstaalwet; Overwegende dat mevrouw Santacreu die met de genoemde gemeenteraadsbeslissing van 29 januari 2002 voor 24 lestijden in vast verband benoemd wordt aan de Franstalige gemeenteschool van Sint-Genesius-Rode, noch in het bezit is van het vereiste diploma waaruit blijkt dat ze het onderwijs XII-3621-4/11 in het Nederlands heeft genoten, noch van een bewijs van de vereiste kennis van het Nederlands afgeleverd door de Afgevaardigd Bestuurder van Selor; Overwegende dat het besluit van de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode van 29 januari 2002 strijdig is met de terzake geldende taalwetten”. 1.
  9. Tussen partijen wordt niet betwist dat S. Santacreu niet beschikt hetzij over een diploma of getuigschrift waaruit zou blijken dat zij haar onderwijs in het Nederlands heeft genoten of waaruit anderszins de kennis van deze taal blijkt, hetzij over enig ander getuigschrift of bewijs van enige kennis van het Nederlands door een examen; Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  10. Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie met verwijzing naar het arrest nr. 86.000, Voeren, van 15 maart 2000, opwerpt dat het beroep onontvankelijk is, omdat naast de bij artikel 270 van de nieuwe gemeentewet vereiste machtiging door de gemeenteraad om het annulatieberoep in te stellen geen uitdrukkelijke beslissing voorligt van het schepencollege -of, bij gebrek aan consensus in het college, de gemeenteraad- om als eiser in rechte te treden en een annulatieberoep in te stellen; 2.
  11. Overwegende dat luidens artikel 123, 8/, van de nieuwe gemeentewet het college van burgemeester en schepenen de rechtsgedingen voert waarbij de gemeente hetzij als eiser, hetzij als verweerder is betrokken; dat luidens artikel 270, tweede lid, van dezelfde wet, het college daartoe machtiging van de gemeenteraad dient te verkrijgen en deze kan worden gegeven tot aan het sluiten van de debatten; dat luidens artikel 107 van dezelfde wet in de randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en in de gemeenten Komen-Waasten en Voeren het college van burgemeester en schepenen bij consensus beslist en bij gebrek aan consensus de zaak door de burgemeester ter beslissing aan de gemeenteraad wordt voorgelegd; Overwegende dat de genoemde bepalingen van de nieuwe gemeentewet voor het instellen van een annulatieberoep door een gemeente een machtiging door de gemeenteraad én een beslissing van het college van burgemeester en schepenen vereist; dat met andere woorden duidelijk moet zijn dat beide gemeentelijke organen, elk binnen de grenzen van hun eigen specifieke bevoegdheid, een beslissing hebben genomen met betrekking tot het concrete dossier waarin het beroep is ingediend; dat alleen het college van burgemeester en XII-3621-5/11 schepenen bevoegd is om de beslissing om in rechte te treden te nemen; dat evenwel in de gemeente Sint-Genesius-Rode de bevoegdheid om de genoemde beslissing te nemen aan de gemeenteraad toekomt indien vooraf erover geen consensus is bereikt in het college van burgemeester en schepenen; Overwegende dat verzoekende partij als bijlage bij haar verzoekschrift een uittreksel uit het notulenboek van het schepencollege van 20 juni 2002 neerlegt, waaruit blijkt dat het college kennis neemt van het voorstel “om tegen voornoemd besluit van 11 juni 2002 van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden beroep in te stellen bij de Raad van State” en vaststelt “dat in de schoot van het College van Burgemeester en Schepenen geen consensus aanwezig is met betrekking tot het voorstel”, reden waarom het college “akte [neemt] van de mededeling van [de burgemeester] dat ze bij toepassing van artikel 107 van de Nieuwe Gemeentewet het punt tot instelling van beroep bij de Raad van State tegen het besluit dd. 11 juni 2002 van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en het vaststellen van een raadsman voor de gemeente aan de gemeenteraad van 4 juli 2002 zal voorleggen”; dat voorts bij het inleidend verzoekschrift twee voor eensluidend verklaarde uittreksels zijn gevoegd uit het notulenboek van de vergaderingen van de gemeenteraad van 4 juli 2002, een eerste waaruit blijkt dat de gemeenteraad op 4 juli 2002 heeft beslist

(1)kennis te nemen van het ministerieel besluit van 11 juni 2002 en
(2)het college van burgemeester en schepenen te machtigen om bij de afdeling administratie van de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen dat ministerieel besluit en een tweede waaruit blijkt dat de gemeenteraad, overwegende “dat onderhavig punt aan de Gemeenteraad wordt voorgelegd bij toepassing van artikel 107 van de Nieuwe Gemeentewet, bij gebrek aan consensus in de schoot van het Schepencollege”, op 4 juli 2002 heeft beslist om ,“[g]elet op zijn beslissing van heden waarbij aan het College van Burgemeester en Schepenen gemachtigd wordt om bij de afdeling administratie van de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen [...] tegen het besluit van 11 juni 2002”, een advocaat aan te stellen “in het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen het besluit dd. 11 juni 2002”; dat het eerste genoemde besluit begrepen moet worden als de in artikel 270, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet bedoelde machtiging van de gemeenteraad en het tweede genoemde besluit als de bij artikel 123, 8/, bedoelde beslissing om in rechte te treden; dat aldus naar genoegen van recht is voldaan aan de door de exceptie geschonden geachte rechtsregel; dat de exceptie wordt verworpen; XII-3621-6/11 De gegrondheid van het beroep. 3.
  1. Overwegende dat verzoekende partij in het eerste middel schending aanvoert “van artikel 30 van de Grondwet, van de wet van 2 augustus [lees: 30 juli] 1963 houdende taalregeling in het onderwijs”, “en meer in het bijzonder van artikelen 13 en 14 -, van de algemene beginselen van rechtszekerheid, redelijkheid, zorgvuldigheid, en gelijkheid, aan de schending van substantiële en/of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, en aan de machtsoverschrijding”; 3.1.
  2. Overwegende, vooreerst, dat de toelichting bij dit middel in het auditoraatsverslag is besproken in drie onderdelen; dat verzoekende partij zich niet heeft verzet tegen deze werkwijze; dat hierna het middel dan ook in deze drie onderdelen wordt onderzocht; Overwegende voorts, dat het aangevoerde eerste middel identiek is aan het tweede middel zoals dat wordt aangevoerd in de zaak gekend onder rolnummer A.93.751/XII-2703; dat het eerste, tweede en derde middelonderdeel van dit eerste middel overeenkomen, ongeveer letterlijk, met het eerste, het derde en het vierde middelonderdeel in voornoemde zaak; dat verzoekende partij in voorliggend beroep daarenboven verzoekt aan het Arbitragehof in voorkomend geval dezelfde drie prejudiciële vragen voor te leggen als de verzoekende partij vraagt in de andere zaak; Overwegende dat ook de feitelijke toedracht van beide zaken analoog is: zoals in de andere zaak is verzoekende partij een randgemeente en gaat het geschil hier om een onderwijzeres van de door haar georganiseerde Franstalige gemeentelijke basisschool, S. Santacreu, waarvan niet wordt betwist dat zij een lid “van het onderwijzend personeel” is als bedoeld in artikel 149 van de nieuwe gemeentewet waarvan de benoeming aan de gemeenteraad is opgedragen, is S. Santacreu bijgevolg onmiskenbaar gemeentelijk ambtenaar, en wordt niet aangevoerd, laat staan aangetoond, dat S. Santacreu op het ogenblik van haar benoeming de Nederlandse taal kent; 3.1.
  3. Overwegende dat de Raad er zich dan ook toe kan bepalen, om de redenen die hij heeft uiteengezet in het in de andere zaak uitgesproken XII-3621-7/11 arrest nr.140.803, gemeente Wezembeek-Oppem, van 17 februari 2005 en die hij ook voor de voorliggende zaak bijvalt, vast te stellen dat het bestreden ministerieel besluit terecht overweegt “dat het besluit van de gemeenteraad van Sint-Genesius- Rode van 29 januari 2002 strijdig is met de terzake geldende taalwetten”, dat het tweede middelonderdeel ongegrond is, dat het derde middelonderdeel niet wordt aangenomen zonder dat er noodzaak is om de voorgestelde vraag aan het Arbitragehof te stellen en dat het eerste middelonderdeel ongegrond is onder voorbehoud van de in het beschikkend gedeelte van dit arrest aan het Arbitragehof voor te leggen, door de Raad geherformuleerde vragen; dat, wat de formulering van die vraagstelling betreft, nog opgemerkt wordt dat verzoekende partij heeft nagelaten om te reageren op de vragen tot verduidelijking, niettegenstaande die vragen haar reeds voor de terechtzitting in opdracht van de staatsraad-verslaggever waren meegedeeld; 3.2.
  4. Overwegende dat verzoekende partij in een tweede middel, ontleend aan “de schending van artikel 1, § 1, 4/ van de bestuurstaalwet, van de algemene beginselen van rechtszekerheid, redelijkheid, zorgvuldigheid en gelijkheid, aan de schending van substantiële en/of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en aan de machtsoverschrijding”, aanvoert dat de bestreden beslissing stoelt op een vermeende schending van artikel 1, § 1, 4/, van de bestuurstaalwet (bedoeld zijn de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken), dat die bepaling toepasselijk is op de administratieve handelingen van de schooloverheden, terwijl de bestuurstaalwet kennelijk niet van toepassing is op het onderwijzend personeel “dat buiten het kader van de administratieve handelingen valt”, dat verzoekende partij dienaangaande uitdrukkelijk verwijst naar een brief van 20 juli 2001 van de Vlaamse minister van onderwijs en vorming aangaande de problematiek van de diploma’s van de leerkrachten in de Franstalige scholen en naar een advies van de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant; dat zij uit deze stukken afleidt dat het onderwijzend personeel buiten het kader van de administratieve overheids- handelingen valt en dat enkel de onderwijstaalwet op hen van toepassing is; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat de Raad van State in zijn arrest nr. 110.937 van 3 oktober 2002 gewezen zou hebben dat onderwijzers van een gemeenteschool gemeenteambtenaren zijn en dus als schooloverheid dienen te worden beschouwd in de zin van artikel 1, § 1, 4/, van de bestuurstaalwet, zodat de benoeming strijdig is met de taalwetten, dat verzoekende XII-3621-8/11 partij geen enkel bewijs aanbrengt dat de te benoemen kandidate over een diploma beschikt waaruit blijkt dat zij haar onderwijs in het Nederlands heeft genoten of dat een attest voorligt waaruit de taalkennis zou blijken, en dat het tweede middel derhalve faalt in feite en in rechte. Overwegende dat verzoekende partij dupliceert dat het arrest nr. 110.937 waaraan verwerende partij refereert en waarin wordt gesteld dat een onderwijzer van een gemeenteschool als dusdanig een gemeenteambtenaar is, niet wegneemt dat S. Santacreu, ook al is zij onderwijzeres en derhalve gemeenteambtenaar, bezwaarlijk in haar hoedanigheid van onderwijzeres kan worden beschouwd als een schooloverheid, dat het door de verwerende partij aangehaalde arrest deze vraag omzeilt, dat, ook al ligt de strekking van het bestreden besluit dus in de lijn van de rechtspraak van de Raad van State, het een draagkrachtige motivering ontbeert in de mate waarin gesteund wordt op een interpretatie van artikel 1, § 1, 4/, van de bestuurstaalwet die eenvoudig niet bestaanbaar is met de bewoordingen van de aangehaalde bepaling, en dat de Raad van State, ingevolge de formele motiveringswet van 29 juli 1991, de ondeugdelijke motivering niet vermag te vervangen door een passende motivering; 3.2.
  5. Overwegende dat uit de bespreking van het eerste onderdeel van het eerste middel is gebleken dat een onderwijzer van een gemeenteschool die, zoals te dezen, gelegen is in het Nederlands taalgebied maar waar onderwijs in het Frans wordt verstrekt, als gemeenteambtenaar hoe dan ook gerekend moet worden tot de “openbare diensten [...] van de gemeenten”, bedoeld bij artikel 1, § 1, 1/, van de bestuurstaalwet en op die grond onderworpen is aan de artikelen 23 en 27 van de bestuurtaalwet, hetgeen inhoudt dat hij of zij niet kan worden benoemd indien hij of zij de Nederlandse taal niet kent, dat het gemeenteraadsbesluit houdende benoeming van S. Santacreu wordt vernietigd als zijnde “strijdig met de terzake geldende taalwetten” omdat S. Santacreu niet aan de vereisten van artikel 27 van de bestuurstaalwet voldoet en dat dit laatste als feitelijk gegeven niet wordt tegengesproken; Overwegende dat daaruit volgt dat het tweede middel in de huidige stand van de rechtspleging -dit wil zeggen, onder voorbehoud van het antwoord dat door het Arbitragehof zal worden gegeven op de hem omtrent het eerste onderdeel van het eerste middel voor te leggen prejudiciële vragen- niet tot nietigverklaring kan leiden omdat een eventuele verwijzing in het bestreden besluit XII-3621-9/11 naar de “schooloverheden” bedoeld in artikel 1, § 1, 4/, van de bestuurstaalwet hoe dan ook als een overtollig motief moet worden aangemerkt, aangezien het bestreden ministerieel besluit in de hoger vermelde wetsbepalingen alleen reeds voldoende steun vindt om het gemeenteraadsbesluit van 29 januari 2002 houdende benoeming van S. Santacreu als “strijdig met de terzake geldende taalwetten” te achten, dus zonder dat het nodig was zich tevens uit te spreken over de vraag of een onderwijzeres van een gemeenteschool tevens moet beschouwd worden als een schooloverheid in de zin van artikel 1, § 1, 4/, van de bestuurstaalwet, BESLUIT: Artikel
  6. De debatten worden heropend. Artikel
  7. Aan het Arbitragehof worden de volgende prejudiciële vragen gesteld : - Schenden artikel 1, § 1, 1/, artikel 23 of artikel 27, eerste lid, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 24 en 30 van de Grondwet door, cumulatief van toepassing zijnde met de wetgeving op het gebruik der talen voor het onderwijs, inzake de talen het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied op te leggen aan het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente als bedoeld in artikel 7, § 3, B, derde lid, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat enkel lessen in de onderwijstaal van de inrichting verstrekt en daartoe het bewijs van de kennis van de onderwijstaal heeft geleverd? - Schenden artikel 1, § 1, 1/, artikel 23 of artikel 27, eerste lid, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 24 en 30 van de Grondwet, door, cumulatief van toepassing zijnde met de wetgeving op het gebruik der talen voor het onderwijs, inzake de talen het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied op XII-3621-10/11 te leggen aan het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente als bedoeld in artikel 7, § 3, B, derde lid, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat enkel lessen in de onderwijstaal van de inrichting verstrekt en daartoe het bewijs van de kennis van de onderwijstaal heeft geleverd, terwijl “de andere onderwijzers van andere gemeentelijke basisscholen slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal moeten leveren”? Artikel
  8. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt, na ontvangst van het arrest van het Arbitragehof, belast met het verder onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien februari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3621-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.805 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.398 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.884 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.