id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.889 Rolnummer: A. 105709/XIV-4930 Zaak: Arrest 140889 - - 21/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 07:56 Fiche Arrest nr 140.889 van 21 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.889 van 21 februari 2005 in de zaak A. 105.709/XIV-
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, Rue Saint-André
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Albanese nationaliteit, op 8 juni 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 mei 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 16 juli 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-4930-1/9 Gelet op de beschikking van 22 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 februari 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VAN VRECKOM, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 28 juni 2000 en zich vluchteling verklaren op 29 juni 2000; dat op 9 oktober 2000 de minister van Binnenlandse Zaken inzake beiden verzoekende partijen beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 10 mei 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn, die als volgt worden gemotiveerd: Inzake de eerste verzoekende partij: “Betrokkene werd verhoord op 12 april 2001 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Albanese taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, mr. Bola Gaby. Betrokkene, die beweert de Albanese nationaliteit te bezitten, zou van een anti- communistische familie afstammen. Betrokkenes grootvader zou een lokale voorzitter van ‘Balli Kambëtar’ zijn geweest en zou in 1945 wegens zijn politieke activiteiten door de toenmalige communistische overheid gefusilleerd zijn. Betrokkenes ooms zouden omwille van hun politieke activiteiten geïnterneerd zijn. In 1994 zou betrokkene lid van de ‘Legaliteitspartij’ (P.L.L.) geworden zijn. In 1997 zou hij zijn activiteiten voor deze partij geïntensifieerd hebben en zou hij lid van het P.L.L.-praesidium te Gjirokaster geworden zijn. In april 1997 zou koning Leka naar Albanië zijn teruggekeerd om er meetings over het referendum over de monarchie te houden. Betrokkene zou de troonpretendent in Gjirokaster en omstreken vergezeld hebben en als zijn rechterhand opgetreden zijn. Tijdens de parlementsverkiezingen en het referendum over de monarchie van 29 juni 1997 zou betrokkene lid van een kiescommissie in Gjirokaster zijn geweest. Na afloop van de verkiezingen zouden er gewapende mannen in het stemlokaal binnengekomen zijn en er de aanwezige oppositieleden onder bedreigingen van een vuurwapen naar huis getuurd hebben, zodat zij de stemmen niet konden tellen. Op 2 juli 1997 zou de ‘legaliteitspartij’ in Tirana een manifestatie georganiseerd hebben uit onvrede met de trage bekendmaking van de officiële resultaten van de stembusgang en omdat de verkiezingen zouden gemanipuleerd geweest zijn. De betoging zou door koning Leka Zogu aangevoerd zijn. De politie zou tijdens de betoging geïntervenieerd hebben en er zouden verscheidene gewonden en één dodelijk slachtoffer gevallen zijn. Op 3 juli 1997 zou de koning Albanië in het geheim verlaten hebben en naar Zuid-Afrika vertrokken zijn. Na zijn vertrek zou de socialistische regering een proces tegen de koning aangespannen hebben wegens openbare ordeverstoring. In augustus 1997 zou betrokkene zich voor het sportpaleis in Gjirokaster bevonden hebben toen hij door twee mannen zou aangevallen zijn. XIV-4930-2/9 De mannen, de neef en de lijfwacht van de lokale politiecommissaris, zouden betrokkene beledigd en geslagen hebben. Op 15 november 1997 zou betrokkene aan een controlepost, op enkele honderden meters afstand van zijn woning, tegengehouden en tot uitstappen gedwongen zijn. Gemaskerde politieagenten van een speciale interventie-eenheid zouden betrokkene zonder enige reden geslagen hebben. Ze zouden tevens van betrokkene geëist hebben dat hij al zijn politieke activiteiten zou stopzetten. In maart 1998 zou betrokkene op de autosnelweg door vier gemaskerde militairen onderschept en hardhandig aangepakt zijn. Betrokkene zou het bewustzijn verloren hebben en zou pas twee uren later langs de kant van de baan wakker geworden zijn. Hij zou naar huis teruggekeerd zijn en zou er gedurende 15 dagen in bed moeten blijven zijn. Eind april 1998 zouden betrokkene en zijn gezin bij een oom in Zhulat ondergedoken zijn, waar zij nagenoeg twee jaar zonder problemen zouden verbleven hebben. Op 15 mei 2000 zou betrokkene aan een manifestatie voor het gebouw van de Krijgsraad en georganiseerd door de ‘legaliteitspartij’, deelgenomen hebben. De manifestatie zou bedoeld geweest zijn om tegen de veroordeling van koning Zogu te protesteren. Toen de politie aankwam, zou betrokkene onmiddellijk vertrokken zijn. Omdat betrokkene vreesde voor zijn leven, zou hij Albanië begin juni 2000 verlaten hebben. Hij zou, vergezeld van zijn echtgenote, XXX en hun minderjarige zoon, via Italië en Frankrijk naar België uitgeweken zijn, waar hij op 29 juni 2000 asiel aanvroeg. Op 15 november 2000 zou betrokkenes vader een convocatie voor betrokkene ontvangen hebben, waarin vermeld stond dat betrokkene zich op 20 november 2000 bij de Krijgsraad moest aanbieden. Volgens betrokkene zou hij deze convocatie ontvangen hebben wegens zijn deelname aan de manifestatie van 15 mei
- Toen betrokkene zich niet op de voorziene datum bij de Krijgsraad aanbood - hij verbleef inmiddels in België - zou de politie naar betrokkenes ouderlijke woning zijn gekomen en er zijn vader hardhandig aangepakt en uiteindelijk voor ondervraging meegenomen hebben. Toen betrokkenes vader zei dat zijn zoon inmiddels vertrokken was, zou de politie naar betrokkenes oom en schoonmoeder in Zhulat zijn geweest en hen hardhandig aangepakt hebben. Betrokkene is in het bezit van een geboorteakte, uitgereikt te Gjirokaster op 14 juli 1998; een geboorteakte van zijn, zoon, uitgereikt te Gjirokaster op 6 juni 2000, van een Albanees rijbewijs, uitgereikt te Gjirokaster op 27 november 1997 en een familiecertificaat. Ter staving van zijn asielaanvraag legde betrokkene bovendien volgende documenten neer: een (ongedateerde) lidkaart van de ‘Legaliteitspartij’ afdeling Tirana; een attest van de ‘Legaliteitspartij’ dd. 25 juli 2000, waarin betrokkenes deelname aan de protestactie van 2 juli 1997 wordt bevestigd; een attest van het Instituut voor de Integratie van Politiek Vluchtelingen, dd. 26 juli 199?, waarin betrokkenes vader het statuut van politiek vluchteling wordt toegekend en een convocatie van het parket van Gjirokaster, dd. 15 november 2000, waarin betrokkene wordt opgeroepen voor verhoor op 20 november
- Vooreerst moet opgemerkt worden dat de door betrokkene aangehaalde feiten - de executie van zijn grootvader en de vervolging van zijn ooms - die dateren van voor de zogenaamde democratische omwenteling in Albanië (1990-1991), dienen geplaatst te worden tegen de achtergrond van het repressief optreden van de toenmalige communistische autoriteiten tegen alle politieke opposanten. Niettegenstaande Albanië nog steeds niet als een volwaardig democratisch land kan worden omschreven, werden sindsdien toch enkele belangrijke democratische hervormingen doorgevoerd. Politieke gevangenen werden vrijgelaten, betogingen en manifestaties werden toegelaten en worden georganiseerd, partijen van verschillende ideologische strekkingen werden opgericht en kunnen onafhankelijk functioneren, vrije verkiezingen worden georganiseerd. In het licht van deze vaststellingen kan dan ook bezwaarlijk aangenomen worden dat betrokkene omwille van het toenmalige anti- communistische verleden van zijn familie anno 2001 bij een terugkeer naar zijn land van herkomst het gevaar loopt persoonlijk en systematisch te worden vervolgd zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Tevens dient vastgesteld te worden dat betrokkenes opeenvolgende verklaringen ernstige anomalieën en tegenstrijdigheden bevatten, waardoor de geloofwaardigheid ervan ernstig wordt aangetast. Zo beweerde betrokkene op het commissariaat-generaal dat hij op 15 november 1997 aan een controlepost die op honderd meter van zijn woning was opgesteld, door een speciale interventie-eenheid van de politie zou onderschept en hardhandig aangepakt zijn (verhoorverslag CGVS, p. 8), dit in tegenstelling tot betrokkenes verklaringen afgelegd op de dienst Vreemdelingenzaken en in zijn verzoekschrift, waar hij met geen woord repte over bovengenoemd voorval. Ook betrokkenes echtgenote liet na dit voorval te vermelden, zowel tijdens het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken als op het commissariaat-generaal. Bovendien verklaarde betrokkene op de dienst Vreemdelingenzaken dat hij in maart 1998 zou geslagen zijn door gemaskerde mannen waarvan hij vermoedt dat het socialisten waren (verhoorverslag DVZ, vraag 42). Op het commissariaat-generaal daarentegen beweerde betrokkene dat hij in maart 1998 zou onderschept en geslagen zijn door gemaskerde mannen die in militair uniform waren gekleed (verhoorverslag CGVS, p. 9). Hier kan nog aan toegevoegd worden dat betrokkenes echtgenote op het commissariaat-generaal verklaarde dat zij verscheidene anonieme brieven zouden ontvangen hebben (verhoorverslag vrouw CGVS, p. 4), terwijl betrokkene nooit met een woord gerept heeft over de ontvangst van dreigbrieven. XIV-4930-3/9 Tenslotte verklaarde betrokkene op het commissariaat-generaal dat hij op 15 mei 2000 voor het gebouw van de Krijgsraad in Gjirokaster aan een manifestatie heeft deelgenomen en hij er vertrokken is toen hij de politie zag naderen (verhoorverslag CGVS, p. 12), terwijl zijn vrouw verklaarde dat hij er toen geslagen werd (verhoorverslag vrouw CGVS, p. 5). Opmerkelijk hierbij is bovendien dat beide echtgenoten van deze feiten helemaal geen melding gemaakt hebben op de dienst Vreemdelingenzaken ofschoon deze deelname de onmiddellijke aanleiding voor betrokkenes beweerde convocatie door het parket (november 2000) zou zijn geweest. Wat betreft de door betrokkene neergelegde oproepingsbrief van het parket van Tirana, dient vastgesteld te worden dat aan de authenticiteit van dit document ernstig getwijfeld kan worden. Immers, alhoewel dit document door een officiële gerechtelijke instantie zou uitgereikt zijn, bevat het onaanvaardbare interne tegenstrijdigheden. Zo werd de convocatie uitgegeven door het parket verbonden aan de rechtbank van eerste aanleg te Gjirokaster, maar wordt betrokkene volgens diezelfde convocatie opgeroepen door een militaire procureur. Aangezien dit parket behoort tot een burgerlijke rechtbank kan de procureur van een militaire rechtbank onmogelijk het onderzoek voeren. Tevens dient opgemerkt te worden dat de gegevens duidelijk op een kopie van een oproepingsbrief werden ingevuld, terwijl de Albanese parketten reeds sedert enige tijd steeds gebruik maken van een originele voorgedrukte oproeping. Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen geloof worden gehecht aan betrokkenes beweerde vluchtmotieven. Wat betreft de overige door betrokkene neergelegde documenten, dient erop gewezen te worden dat deze documenten niet van die aard zijn om bovenstaande vaststellingen te wijzigen, aangezien ze enkel betrokkenes lidmaatschap bij de ‘Legaliteitspartij’, zijn deelname aan de manifestatie van 2 juli 1997 en de (politieke) vervolging van zijn vader kunnen bevestigen. Opmerkelijk is trouwens dat betrokkenes (ongedateerde) lidkaart van de P.L.L. door de afdeling uit Tirana werd uitgereikt, terwijl betrokkene herhaaldelijk beweerde dat hij een lid van het P.L.L.-praesidium te Gjirokaster zou zijn (verhoorverslag CGVS, p. 3 en 15). Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 9 oktober
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; Inzake de tweede verzoekende partij: “Betrokkene werd verhoord op 12 april 2001 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Albanese taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, mr. Bola Gaby. Betrokkene, die beweert de Albanese nationaliteit te bezitten, zou een niet-actieve sympathisante van de ‘Legaliteitspartij’ (P.L.L.) zijn. Betrokkenes echtgenoot, P. L., zou in het praesidium van bovengenoemde partij gezeteld hebben. Begin juni 1997 zou koning Zogu naar Albanië zijn teruggekeerd om er verkiezingsmeetings te houden. Betrokkenes echtgenoot zou de troonpretendent tijdens de verkiezingscampagne vergezeld en bijgestaan hebben. Tijdens de verkiezingen van 29 juni 1997 zou betrokkenes echtgenoot de P.L.L.-vertegenwoordiger in een kiescommissie geweest zijn. Op 2 juli 1997 zou hij deelgenomen hebben aan een manifestatie in Tirana om er te protesteren tegen de verkiezingsmanipulatie. In augustus 1997 zou betrokkenes echtgenoot, toen hij zich voor het sportpaleis in Gjirokaster bevond, door twee mannen aangevallen zijn. De mannen, de neef en lijfwacht van de politiecommissaris van Gjirokaster, zouden hem hardhandig aangepakt en verplicht hebben om met zijn politieke activiteiten te stoppen. In maart 1998 zou betrokkenes echtgenoot tijdens een rit met de wagen door vier gemaskerde personen onderschept en mishandeld zijn. Hij zou het bewustzijn verloren hebben en zou nadien nog 15 dagen in bed moeten blijven zijn. Tevens zouden er regelmatige anonieme dreigbrieven onder de deur van de echtelijke woning geschoven zijn. Nadien zouden betrokkene en haar gezin in Zhulat (Gjirokaster) ondergedoken zijn. Haar schoonouders, die eveneens in betrokkenes echtelijke woning verbleven, zouden ondertussen nog verscheidene dreigbrieven ontvangen hebben. Op 15 mei 2000 zou betrokkenes echtgenoot aan een manifestatie tegen de veroordeling van koning Zogu deelgenomen hebben. Tijdens de manifestatie zouden er sympathisanten van de ‘Socialistische Partij’ op een gewelddadige XIV-4930-4/9 wijze tussengekomen zijn. Er zouden schoten afgevuurd zijn en betrokkenes echtgenoot zou geslagen zijn. In juni 2000 zou betrokkene, vergezeld van haar echtgenoot en hun minderjarige zoon, via Italië en Frankrijk naar België uitgeweken zijn. Betrokkene vroeg er op 29 juni 2000 asiel aan. Na haar aankomst in België zou betrokkene van haar schoonvader vernomen hebben dat er op 15 november 2000 een convocatie van het parket voor haar man werd afgeleverd. Toen haar man zich niet op de voorziene datum aanbood, zou de politie naar betrokkenes (voormalige) woning zijn geweest en er haar schoonvader voor verhoor meegenomen hebben. De politie zou tevens naar de woning van de oom van betrokkenes echtgenoot zijn geweest. Betrokkene is in het bezit van een geboorteakte, uitgereikt te Gjirokaster op 27 maart
- Vooreerst dient vastgesteld te worden dat betrokkenes opeenvolgende verklaringen ernstige leemtes bevatten en dat de verklaringen van betrokkene en haar echtgenoot niet eensluidend zijn, waardoor de geloofwaardigheid ervan aanzienlijk wordt ondermijnd. Zo beweerde betrokkene op het commissariaat-generaal dat zij verschillende anonieme dreigbrieven zouden ontvangen hebben (verhoorverslag CGVS, p. 4), terwijl zij op de dienst Vreemdelingenzaken met geen woord repte over de ontvangst van deze dreigbrieven. Ook haar echtgenoot vermeldde op geen enkel ogenblik de ontvangst van enige dreigbrieven. Bovendien beweerde betrokkene op het commissariaat-generaal dat haar echtgenoot op 15 mei 2000 aan een manifestatie in Gjirokaster zou deelgenomen hebben en dat hij er geslagen zou zijn. Na afloop van de manifestatie zou haar echtgenoot naar huis teruggekeerd zijn (verhoorverslag CGVS, p. 5). Op de dienst Vreemdelingenzaken daarentegen, repten betrokkene noch haar echtgenoot met geen woord over laatstgenoemde feiten. Opmerkelijk is evenwel dat betrokkenes echtgenoot in verband met deze feiten op het commissariaat-generaal verklaarde dat hij de manifestatie verliet op het ogenblik dat hij de politie zag aankomen en vermeldde hij op geen enkel ogenblik dat hij zou geslagen zijn (verhoorverslag man CGVS, p. 12). Betrokkene verklaarde op het commissariaat-generaal dat de politie, nadat haar man had nagelaten om zich op 20 november 2000 aan te bieden, bij haar schoonvader zou langs geweest zijn en dat ze hem voor verhoor zou meegenomen hebben. Tevens zou de politie bij de oom van betrokkenes echtgenoot zijn langs geweest (verhoorverslag CGVS, p. 7). Betrokkenes echtgenoot verklaarde echter dat de politie, nadat hij zich niet had aangeboden voor verhoor, bij zijn vader, oom en schoonmoeder zou geweest zijn en dat ze allen hardhandig zouden aangepakt zijn (verhoorverslag CGVS, man p. 13). Aangezien betrokkene haar asielaanvraag verder volledig steunt op de motieven die door haar echtgenoot, XXX, werden aangevoerd en aangezien uit onderzoek van het dossier van laatsgenoemde door het commissariaat-generaal duidelijk blijkt dat zijn asielaanvraag manifest ongegrond en bedrieglijk is, kan ten aanzien van betrokkene evenmin besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. War er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 9 oktober
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending opwerpen van artikel 1, A, 2) van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) en van de artikelen 48 en 62 van wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij aanvoeren dat zij het fusilleren en interneren van respectievelijk de grootvader en de ooms van de eerste verzoekende partij in 1945 nooit als de directe aanleiding voor hun vlucht hebben aanzien, dat de eerste verzoekende partij de kwestieuze incidenten heeft gesignaleerd om aan te geven dat zij deel uitmaakt van een XIV-4930-5/9 zeer bekende familie in Albanië die zich heeft onderscheiden door haar politieke oppositie, dat zij daarom geen gewoon oppositie-lid is, dat zij werd geviseerd omwille van haar persoonlijke activiteiten met de P.L.L.-partij zodat al de voorgaande elementen relevant zijn voor de beoordeling van hun asielaanvragen, dat de commissaris-generaal zonder enige objectieve informatie de echtheid van haar lidkaart van de P.L.L. in twijfel heeft getrokken, terwijl het gebruikelijk is dat de P.L.L.-afdeling in Tirana ongedateerde lidkaarten uitreikt; dat aangaande de tegenstrijdigheden over de aanval op de eerste verzoekende partij op 15 november 1997 en over de dreigbrieven die zij ontvingen, de verzoekende partijen betogen dat blijkens de door hun raadsman genomen nota’s tijdens het verhoor op het commissariaat-generaal zij daarover wel degelijk verklaringen hebben willen afleggen doch telkens te horen kregen dat zij daar niet in details in hoefden te gaan, dat het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken geen details vermeldt van de incidenten tussen augustus 1997 en maart 1998, terwijl er duidelijk uit af te leiden is dat zij er gewag hebben van gemaakt, dat de eerste verzoekende partij op de hoogte was van voormelde dreigbrieven doch niet er onmiddellijk aan dacht om ze spontaan te vermelden, gelet op de langdurige ondervraging op het commissariaat-generaal over haar politieke activiteiten en op de ernst van de fysieke agressie, dat die dreigbrieven meestal door de tweede verzoekende partij werden gevonden; dat voorts de verzoekende partijen beweren dat de tegenstrijdigheid over de klederdracht van de belagers van de eerste verzoekende partij in maart 1998 niet bestaat, dat tijdens het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken aan laatstgenoemde nooit werd gevraagd hoe de belagers waren gekleed, dat zij steeds heeft verklaard dat zij gemaskerd waren en vermoedde dat het socialisten waren; dat aangaande de tegenstrijdigheid over de deelname van de eerste verzoekende partij aan de manifestatie van mei 2000 de verzoekende partijen aanvoeren dat de eerste verzoekende partij niet daadwerkelijk was aangevallen, dat zij was weggegaan bij tussenkomst van de ordediensten, dat ten tijde van het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken die manifestatie irrelevant was omdat het verhoor plaatsvond voor november 2000 (de ontvangstperiode van de oproepingsbrief door de vader van de eerste verzoekende partij vanwege het parket van Tirana), dat de tweede verzoekende partij enkel vermoedde (doch nooit heeft verklaard) dat de eerste verzoekende partij bij bovengenoemde manifestatie geslagen werd, gelet op het feit dat er nog incidenten waren waar de eerste verzoekende partij haar nog niet over had verteld, dat de verklaringen van de tweede verzoekende partij kennelijk verkeerd werd genoteerd, en dat de commissaris-generaal er zelf niet in slaagt om aan te tonen dat die oproepingsbrief vals is of dat er een identiteit bestaat, wat de strafprocesrechtelijke regels betreft, tussen het Belgisch en het Albanees positief recht, en dat in Albanië de procureur bij de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheid heeft om een verdachte op te roepen voor een krijgsgerecht; 2.
- Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: “Kan als vluchteling erkend worden de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde gesteld worden door de internationale overeenkomsten die België binden”; XIV-4930-6/9 dat de verzoekende partij niet aantoont hoe deze bepaling met de bestreden beslissing kan zijn geschonden, nu het artikel op zichzelf geen bindend voorschrift inhoudt; Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen doch betwisten dat de gegeven motieven de beslissingen kunnen dragen; dat zij met andere woorden de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat van een kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat hij, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van de asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit zijn land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige wijze weergeeft aan de overheden bevoegd om kennis te nemen van zijn asielaanvraag, zodat op grond van het asielrelaas kan worden nagegaan of er met betrekking tot de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit het asielrelaas van de verzoekende partijen blijkt dat de incidenten (waaronder het optreden van de politie) tijdens en na de door de P.L.L. georganiseerde manifestatie van 15 mei 2000 de voornaamste grond zouden zijn geweest voor hun vrees voor vervolging en de onmiddellijke aanleiding voor hun vertrek uit Albanië; dat echter de verzoekende partijen in hun kritiek tegen de bestreden beslissingen, inzonderheid tegen de vastgestelde tegenstrijdigheid over de manifestatie van 15 mei 2000 , niet verder komen dan hun stellingen te herhalen of trachten te rechtvaardigen zonder de kwestieuze tegenstrijdigheid te kunnen weerleggen; dat immers uit het verhoorverslag van het commissariaat-generaal blijkt dat de tweede verzoekende partij op de vraag “Op 15/5(/2000) iets met man gebeurd ?” duidelijk heeft bevestigd dat “(de eerste verzoekende partij) werd geslagen”; dat zij op vraag “Wat deed de man?” kortweg heeft gerepliceerd dat “De meeting was gedaan” (verhoorverslag commissariaat-generaal, p. 5); dat bijgevolg de stelling van de tweede verzoekende partij dat zij enkel heeft vermoed doch nooit heeft verklaard dat de eerste verzoekende partij tijdens bovengenoemde manifestatie geslagen werd niet kan worden bijgetreden, nu zij, daarenboven, op de vragen “Alle vragen begrepen?” en “Tolk begrepen?” bevestigend heeft geantwoord (verhoorverslag commissariaat-generaal, p. 5); dat voorts de verzoekende partijen weliswaar zowel voor de dienst Vreemdelingenzaken als in hun dringend beroepschrift melding hebben gemaakt van incidenten in augustus 1997 XIV-4930-7/9 en maart 1998, doch niet van de incidenten in november 1997; dat nergens blijkt dat zij opmerkingen hebben geformuleerd over het al dan niet opschrijven van bepaalde verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken, alhoewel zij na voorlezing volhard en het verhoorverslag ondertekend hebben; dat de eerste verzoekende partij dergelijke opmerkingen heeft geformuleerd pas nadat zij op het commissariaat-generaal werd geconfronteerd met de leemtes en tegenstrijdigheden in haar verklaringen; dat de argumenten van de verzoekende partijen omtrent de tegenstrijdigheden over kleding van de belagers van de eerste verzoekende partij en de dreigbrieven evenmin overtuigend zijn; dat zij voor het overige geen enkel begin van bewijs aanbrengen ter staving van hun argumenten; dat zij derhalve niet aannemelijk maken dat de commissaris-generaal de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, XIV-4930-8/9 M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-4930-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.889 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.