id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.890 Rolnummer: A. 138329/XIV-15672 Zaak: Arrest 140890 - - 21/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 07:56 Fiche Arrest nr 140.890 van 21 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.890 van 21 februari 2005 in de zaak A. 138.329/XIV-15.672 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ZANDWEGHE, kantoor houdende te 8310 SINT-KRUIS (BRUGGE), Sportstraat 49 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 25 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 april 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 26 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2004; XIV-15.672-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN ZANDWEGHE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 19 februari 2003 en zich vluchteling verklaart op 21 februari 2003; dat op 10 april 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 22 mei 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U beweert de Kameroense nationaliteit te bezitten, en afkomstig te zijn uit de engelstalige North-West Province. U leefde sinds 1989 in Yaoundé, waar u een garage uitbaatte. Op 5 april 2002 werd u door drie gendarmes met een smoes meegelokt naar de Gendarmerie Nationale. U werd er beschuldigd van het verspreiden van pamfletten van de SCNC (Southern Cameroon National Congress (sic)). Omdat u dit ontkende werd u geslagen en opgesloten. Drie dagen later werd u overgebracht naar de Kondengui-gevangenis, waar u acht maanden verbleef tot u op een nacht naar een onbekende plek in een bos werd gebracht en u erin slaagde te ontsnappen. U bleef vervolgens gedurende ongeveer een maand bij een familie pygmeeën, waarna u op 4 februari 2003 terugkeerde naar uw huis in Yaoundé. Uw gezin bleek verdwenen, waarop u onderdak kreeg bij een vriend van uw buren. Uit vrees dat u nog steeds gezocht werd besloot u Kameroen te verlaten. Met de hulp van uw beschermer en in ruil voor 2.000.000 CFA reisde u per auto van Yaoundé naar Douala, waar u met een paspoort dat u van iemand anders had gekregen door de controles werd geloodst. Per vliegtuig bereikte u een onbekende plaats, van waaruit u per auto in Brussel aankwam. Op 21 februari 2003 vroeg u in ons land asiel aan. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat de door u ingeroepen ‘vrees voor vervolging’ zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie van Genève, niet kan worden afgeleid uit uw verklaringen voor de diverse asielinstanties, omdat u geen elementen aanhaalt waaruit zou kunnen blijken dat u terecht internationale bescherming inroept. U stelde tijdens het interview in dringend beroep voor het commissariaat-generaal namelijk dat u vluchtte omdat u ervan werd verdacht SCNC-pamfletten te hebben rondgedeeld. U verklaart echter zelf voor het commissariaat-generaal dat deze beschuldiging volkomen onterecht was, omdat u niet geïnteresseerd bent in politiek (p 4-6) en dat de overheid u nauwelijks ondervroeg over deze beschuldiging (p 4 en 9) en geen enkel bewijs bezat om hun beschuldiging te staven (p 5-6). De enige aanleiding voor de overheid om u te verdenken van het verspreiden van SCNC- pamfletten lag volgens uw verklaringen voor het commissariaat-generaal ‘misschien’ in het feit dat u Engelstalig bent, maar ‘misschien’ waren ze ook jaloers op uw rijkdom (p 5). Uit uw verklaringen kan echter nergens worden afgeleid dat u enige evidentie had voor het feit dat zij u omwille van deze redenen zouden hebben vervolgd. Toen de interviewer van het commissariaat-generaal u vroeg of u ooit officieel in beschuldiging werd gesteld, antwoordde u ontkennend en voegde u er merkwaardigerwijs aan toe dat een inbeschuldigingstelling niet kon, omdat de gendarmes in dat geval uw verklaringen zouden hebben moeten optekenen dat u alles ontkende end at ze dat nooit hebben gedaan (p 7). In de veronderstelling dat de gendarmes u volstrekt onterecht beschuldigd zouden hebben van het uitdelen van pamfletten van de SCNC, is er namelijk geen enkele reden waarom de gendarmes uw ontkenning van de XIV-15.672-2/7 beschuldiging wél eerlijk zouden hebben moeten optekenen. Verder heeft u er geen idee van waarom ze u zouden hebben overgebracht naar het woud (p 9), noch weet u of u achtervolgd werd door de bewaker bij uw ontsnapping in het woud ‘want misschien was hij wel bang om mij achterna te gaan in het bos’ (p 9). U heeft het bijgevolg allerminst aannemelijk kunnen maken dat u werkelijk door de Kameroense autoriteiten zou zijn vervolgd omwille van de redenen die u tijdens het asielrelaas naar voren bracht. Bovendien werd u nooit voor de rechtbank werd gebracht, officieel in beschuldiging gesteld of veroordeeld (p 6-7), noch diende u zelf klacht in bij de overheid tegen de gang van zaken (p 12), of vroeg u hulp in van een advocaat of van een vertegenwoordiger van een mensenrechtenorganisatie (p 14). Zelfs al zouden de door u aangehaalde feiten werkelijk hebben plaatsgevonden, kan nog worden opgemerkt dat u geen enkele poging heeft ondernomen om elders in uw land van herkomst een nieuw bestaan op te bouwen, bijvoorbeeld in uw streek van herkomst in North-West Province. Men kan toch redelijkerwijs verwachten dat u eerst alle mogelijke oplossingen zou overwegen om een vertrek uit uw land van herkomst te vermijden en uw echtgenote en kinderen achter te laten. Merkwaardig is ook uw verklaring voor het commissariaat-generaal dat u zich na uw ontsnapping uit uw gevangenschap en na uw verblijf bij de pygmeeënfamilie uitgerekend naar Yaoundé zou hebben begeven (p 10), waar u voordien gearresteerd en (in de Kondengui- gevangenis) vastgehouden werd. Men zou immers verwachten dat u eerst op een indirecte manier (via een tussenpersoon of telefonisch) zou hebben gepeild of u in Yaoundé gezocht werd en of de situatie voor u daar veilig was. Het feit dat u zonder enige voorbereiding in die zin bent teruggekeerd naar de stad waar u voordien werd gearresteerd en u daar vestigde in de buurt waar u voordien woonde (met name bij uw buren (p 11), is weinig verenigbaar met de door u ingeroepen vrees voor vervolging. Bovendien kan worden vastgesteld dat u een aantal vage, incoherente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd voor de diverse Belgische asielinstanties (gehoor voor de dienst Vreemdelingenzaken van 10 april 2003, uw motivering van uw dringend beroep van 14 april 2003 en voor het commissariaat-generaal), waardoor de algemene geloofwaardigheid van uw relaas sterk wordt ondermijnd. Wat de huidige verblijfplaats van uw echtgenote en uw kinderen betreft bent u allerminst eenduidig. Zo beweerde u voor de dienst Vreemdelingenzaken (cfr. punt 42 van het gehoorverslag) dat uw buren vermoedden dat ze naar familie was vertrokken maar dat niemand juist wist waarheen. Ook in uw motivering van uw dringend beroep stelde u dat tot op vandaag niemand weet waar uw familie verblijft. Voor het commissariaat-generaal verklaarde u echter dat uw buren u hadden gezegd dat ze naar haar familie in de South-West Province was gegaan (dringend beroep, p 11), maar dat u haar daar niet kon contacteren omdat enkel uw echtgenote de telefoonnummers zou hebben van die familieleden end at u anderzijds uw huis niet was binnengegaan maar dat de telefoonnummers daar wel te vinden waren (p 11). In een late verklaring tijdens datzelfde gehoor beweerde u dan weer dat de bewuste telefoonnummers in uw in beslag genomen mobiele telefoon zaten en niet in uw hoofd (p 15), zodat u geen contact zou hebben kunnen opnemen met uw wederhelft. U verklaarde daarbij echter uitdrukkelijk dat uw buren en de man die u onderdak gaf, wel wisten waar ze uw echtgenote konden bereiken (p 12). Ook uw motivatie waarom u naliet uw echtgenote en uw kinderen te gaan opzoeken, namelijk omdat u vreesde opnieuw te worden gearresteerd omdat u geen identiteitskaart meer had en er veel wegcontroles waren op de route tussen Yaoundé en de South-West Povince (p 13), gaat niet op aangezien dit voor het grootste gedeelte exact dezelfde weg is als diegene die u aflegde om vanuit Yaoundé naar Douala te gaan om het land te verlaten (cfr. informatie in het administratief dossier). Het feit dat u zelf verklaarde tijdens die verplaatsing niet gecontroleerd te zijn geweest omdat privéwagens nauwelijks gecontroleerd worden (p 14), laat toe te veronderstellen dat u mits enige creativiteit zeker moet in staat geweest zijn uw gezin achterna te reizen in South-West Province Province. Nog steeds in dit verband kan nog worden opgemerkt dat u na uw ontsnapping en uw verblijf bij de pygmeeën in het woud ook ergens vanuit de oostelijke provincies naar Yaoundé was gereisd zonder problemen te ondervinden (p 10), waardoor uw argument dat u niet kon reizen zonder een identiteitskaart toch wel heer erg wankel wordt. Verder is het opmerkelijk dat u de man die u van 4 februari 2003 tot 18 februari 2003 onderdak gaf en u hielp om het land te verlaten, voor de dienst Vreemdelingenzaken steevast benoemd als Jean-Pierre (cfr. de punten 20, 41 en 42), terwijl u diezelfde persoon desgevraagd voor het commissariaat-generaal benoemt als Jean- Jacques (cfr. p 10 en 12). Nochtans verklaarde u tijdens datzelfde gehoor dat u een schuldbekentenis van 2.000.000 CFA had moeten ondertekenen op naam van deze persoon om uw reis te bekostigen, waardoor het weinig aannemelijk is dat u zou twijfelen aan zijn voornaam en dat u zijn volledige naam niet zou kennen, zoals u verklaarde voor het commissariaat-generaal (p 10). Er dient bijgevolg te worden benadrukt dat u het niet aannemelijk heeft kunnen maken dat u daadwerkelijk persoonlijk zou worden vervolgd door de autoriteiten in uw land van herkomst. De medische attesten van Dr. D W en Dr. D S uit Oostende van 14 april 2003 en 23 april 2003, die u voorlegt ter ondersteuning van uw relaas, doen geen afbreuk aan de hoger vermelde vaststellingen, omdat aan de hand van de in het attest beschreven letsels niet kan worden XIV-15.672-3/7 vastgesteld wat de oorzaken zijn van de door u ervaren klachten en of er een verband is met het door u aangehaalde asielrelaas. Hoe dan ook bent u niet in het bezit van ook maar enig document dat een controle van uw identiteit en reisweg mogelijk maakt. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen ander element naar voren dat vermag de weigering van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik da uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat zij aanvoert dat zij duidelijk heeft aangetoond dat zij omwille van politieke motieven werd aangehouden en zonder enige vorm van proces acht maanden in detentie werd gehouden, dat zij ingevolge de concrete begeleidende omstandigheden van haar wegbrenging naar een onbekende plaats in het bos een gegronde reden had om voor haar leven te vrezen en dat haar gezin persoonlijk werd bedreigd door de gendarmes zodat de vervolging een systematische vorm aannam; 2.1.
- Overwegende, wat de aangevoerde schending van de Vluchtelingenconventie betreft en daargelaten de vraag of de bepalingen van dit verdrag rechtstreekse werking hebben in de Belgische rechtsorde, dat de verzoekende partij niet aanduidt welk artikel van dit verdrag zou zijn geschonden; dat het niet aan de Raad toekomt na te gaan welke bepaling van genoemd verdrag de verzoekende partij geschonden acht; dat het eerste middel niet-ontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van de mensenrechten en van de rechten van verdediging; dat zij aanvoert dat uit de bijgevoegde stukken van Amnesty International blijkt dat de meest principiële mensenrechten alsook de rechten van verdediging van zelfs vermeende aanhangers van de SCNC op flagrante wijze worden overtreden, dat buitengerechtelijke executies een gemene praktijk zijn en dat zij ten onrechte werd opgesloten zonder vorm van proces of officiële inverdenkingstelling; 2.2.
- Overwegende dat het tweede middel niet gericht is tegen de bestreden beslissing, maar tegen het voorgehouden optreden van de overheid van het land van herkomst; dat het tweede middel niet-ontvankelijk is; XIV-15.672-4/7 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending opwerpt van de materiële motiveringsplicht; dat zij aanvoert dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op draagkrachtige motieven, dat de commissaris-generaal stelt dat hij op basis van rapporten van Amnesty International op de hoogte is van de activiteiten van de SCNC en van de concrete situatie in de streek van Yaoundé, dat de commissaris-generaal zich beperkt tot de vaststelling dat de verzoekende partij zich kon beroepen op een raadsman en of een mensenrechtenorganisatie, dat dit voor haar qua communicatie onmogelijk was aangezien zij gedurende acht maanden van de buitenwereld was afgesloten en dat haar opsluiting in de gevangenis niet wordt betwist door de commissaris-generaal; 2.3.
- Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing onder meer is gesteund op het feit dat de verzoekende partij een aantal vage, incoherente of tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd waardoor de geloofwaardigheid van haar asielrelaas sterk wordt ondermijnd en op de mogelijkheid van een intern vluchtalternatief; dat deze gronden een determinerend motief vormen in de zin dat zij de bestreden beslissing kunnen dragen; dat de verzoekende partij in het middel niet ingaat op dat determinerend motief; dat het middel is gericht tegen een aantal andere vaststellingen van de commissaris-generaal, die in het licht van het bovenstaande slechts overtollige motieven vormen; dat de eventuele gegrondheid van de kritiek tegen die overtollige motieven echter niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden; dat het derde middel niet-ontvankelijk is; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending opwerpt van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij aanvoert dat de formele motiveringsplicht inhoudt dat de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen in de akte moeten worden opgenomen, dat de bestreden beslissing wordt gemotiveerd door het feit dat zij geen elementen zou hebben aangehaald waaruit blijkt dat zij terecht internationale bescherming inroept, dat uit de vorige middelen nochtans het tegenovergestelde blijkt, dat de bestreden beslissing tevens wordt gemotiveerd door het feit XIV-15.672-5/7 dat zij elders in het land een veilig verblijf kon hebben en dat dit hoe dan ook niets verandert aan het feit dat zij wordt gezocht; 2.4.
- Overwegende dat de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund op eenvoudige wijze in die beslissing kunnen worden gelezen; dat de verzoekende partij het tegenovergestelde niet aannemelijk maakt en dat het middel derhalve ongegrond is wat betreft de schending van de formele motiveringsplicht; Overwegende dat de verzoekende partij nog de motieven inhoudelijk aanvecht, doch zich daarbij beperkt tot het op zeer algemene wijze weergeven van haar eigen standpunt; dat zij daarmee niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat het middel ook in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. XIV-15.672-6/7 De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.672-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.890 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div