← België

Arrest 140891 - - 21/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.891 Rolnummer: A. 142636/XIV-17091 Zaak: Arrest 140891 - - 21/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 07:56 Fiche Arrest nr 140.891 van 21 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.891 van 21 februari 2005 in de zaak A. 142.636/XIV-17.091 In zake : XXX, wonende te 8000 BRUGGE, Vlamingstraat 55 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ghanese nationaliteit, op 14 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 juli 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 15 september 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-17.091-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DHONT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 16 april 2003 en zich vluchteling verklaart op 12 juni 2003; dat op 1 juli 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 11 september 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen voor het commissariaat-generaal op 8 augustus 2003 bezit u de Ghanese nationaliteit en woonde u sinds uw geboorte in Nkawkaw. In 1994 begon u te werken in het National Mobilization Programme in Nkawkaw. U was tevens lid van het NDC (National Democratic Congress). U werd voor het NDC verkozen in de Kwahu South District Assembly in 1994 en herkozen in
  2. In 1998 werd begonnen met de voorbereidingen voor de verkiezingen van
  3. Samen met een andere persoon kwam u op het idee om een fanclub op te richten voor de presidentskandidaat van het NDC, Atta Mills. U schreef een tekst waarin u iedereen die geïnteresseerd was om zich bij de fanclub aan te sluiten, uitnodigde zich aan te melden bij het National Mobilization Programme. De tekst werd op poster-formaat gedrukt en u begon deze in uw regio te verspreiden. Leden van de oppositie die deze poster in handen kregen lieten hem afdrukken in de krant The Guide met een aanklacht van politisering van het National Mobilization Programme. Binnen dit National Mobilization Programme waren vele mensen boos en verontwaardigd omdat u de naam van de organisatie aan het NDC verbonden had. Men ging er immers van uit dat de kans nu groot was dat indien de oppositie de verkiezingen won, die het National Mobilization Programme zou afschaffen. Hoewel uw districtoverste een vergadering bijeenriep waarin hij de senior stafleden opriep in het licht van de verkiezingen verdeeldheid te vermijden en samen voor de overwinning te vechten, bleef bij vele kaderleden de boosheid tegenover u hangen. In januari 1999 werd u gepromoveerd tot ‘assistent liaison officer’ maar pas in oktober 2000 werd uw salaris correct aangepast en werden de achterstallen uitbetaald. Op 7 december 2000 vond de eerste ronde van de verkiezingen plaats. Omdat geen enkele kandidaat het vereiste aantal stemmen haalde, werd er een tweede ronde voorzien op 28 december
  4. Vóór deze datum kreeg u ‘s nachts het bezoek van een dame die u vertelde dat ze gezonden was om u naar de plaats van een misdrijf te brengen. U vond dit bijzonder merkwaardig aangezien iemand die op een misdrijf betrapt werd, gewoonlijk naar uw woning gebracht werd en niet omgekeerd. U besloot dan ook niet op de vraag in te gaan en verborg zich de recht van de nacht. Toen u de volgende dag naar de zogenaamde plaats van het misdrijf ging, bleek bij navraag dat daar die nacht niets gebeurd was. Ook de politie was niet op de hoogte van een misdrijf op die bepaalde plaats. U werd nu erg bang en vermoedde dat dit een poging was van uw tegenstanders om u in de val te lokken. Eerder hadden enkele van uw collega’s u immers reeds gewaarschuwd op uw hoede te zijn wanneer u in bepaalde dorpen ging lesgeven. Op 28 december 2000, de dag van de tweede verkiezingsronde, werd u naar het plaatselijke partijbureau geroepen met de mededeling dat er in het dorp Konkrompe onregelmatigheden bij het stemmen gesignaleerd waren en het verzoek om ter plaatse te gaan kijken wat er aan de hand was. U vertrok samen met een twintigtal andere personen en kon ter plaatse vaststellen dat er meerdere biljetten in één pak samengevouwen waren in de doorzichtige stembus. Terwijl u met de verantwoordelijken probeerde te overleggen hoe deze onregelmatigheden te controleren, besloten uw collega’s de bewuste stembus in de auto te laden. U ging ook terug mee in de auto maar stapte uit toen jullie Nkawkaw opnieuw bereikten. Later hoorde u dat de bewuste stembus vernietigd werd en dat de politie naar u op zoek was omdat u aanwezig was op het moment dat de bus werd XIV-17.091-2/8 weggevoerd. U besloot dat het te gevaarlijk was nog langer in uw woning te blijven en dook onder op de boerderij van een vriend, zo’n zestig kilometer van uw dorp. U leefde gedurende meer dan twee jaar ondergedoken totdat een bewoner van het dorp waar u verborgen leefde, u in maart 2003 kwam melden dat er mensen in het dorp naar u op zoek waren. U besloot geen risico’s te nemen en vluchtte nog diezelfde dag per auto naar Ivoorkust. Op 1 april 2003 ging u in Abidjan aan boord van een schip dat u in een tweetal weken naar België bracht. U vroeg in België asiel aan op 12 juni
  5. B. Motivering Er dient vastgesteld te worden dat uw opeenvolgende verklaringen betreffende de kern van uw asielrelaas, namelijk het beginpunt en de aard van uw problemen alsook de actoren van uw vermeende vervolging, geenszins eensluidend zijn noch overeenkomen met de inhoud van de door u neergelegde krantenartikels. Tijdens uw gehoor voor de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat uw probleem aanving tijdens de verkiezingsperiode in december 2000 en dat u uw land verliet omdat u gezocht werd door de Ghanese politie. Op geen enkel moment in uw verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken maakte u enige melding van eerdere noch latere problemen met uw partijgenoten of collega’s bij het National Mobilization Programme (zie gehoorverslag dienst Vreemdelingenzaken dd 26 juni 2003, vraag 42). Hetzelfde kan gezegd worden betreffende uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep (dd 3 juli 2003) waarin u verklaart in Ghana een politiek probleem te hebben gehad op 28 december 2000 en uit Ghana gevlucht te zijn toen de politie uw onderduikadres op het spoor kwam. Nochtans verklaart u ten aanzien van het commissariaat-generaal dat uw problemen begonnen toen u in 1998 de Atta Mills Fanclub aan het National Mobilization Programme verbond en dat u van dan af het slachtoffer werd van intimidatietechnieken vanwege sommige van de NMP-kaderleden, een intimidatie die zo erg werd dat u er ten slotte uw land voor diende te verlaten (zie gehoorverslag commissariaat-generaal, p 3-4). U vermeldt wel dat u ook door de politie gezocht werd maar bestempelt dit als één van de intimidatietechnieken die de NMP-kaderleden op u toepasten (p 5 en 6). Aangaande de gebeurtenissen op 28 december 2000 legt u bovendien geheel tegenstrijdige verklaringen af. Ten aanzien van de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u immers dat u in december 2000 samen met uw team waarnemer was om toe te zien op het correcte verloop van de verkiezingen, dat u samen met uw team naar het dorp Konkrompe trok, dat daar commotie ontstond toen u niet toegelaten werd het aantal stembriefjes te tellen en te vergelijken met het aantal geregistreerde kiezers in het boek, dat u uiteindelijk besloot dat uw team de stembus meenam, dat jullie de box in de auto meenamen, dat jullie later de box vernietigden en dat jullie hem nooit meer teruggaven (vraag 42). Nochtans verklaarde u ten overstaan van het commissariaat-generaal dat het niet uw beslissing was de stembus mee te nemen maar wel die van de mensen met wie u naar Konkrompe gegaan was, dat u echter op dat moment reeds zo bang was voor hen was dat u niet anders durfde dan instemmen met alles wat ze deden, dat u bij aankomst in Nkawkaw uit de wagen stapte en dat de overige personen wegreden met de stembus, dat u later hoorde dat deze stembus vernietigd werd maar dat u daar niet bij aanwezig was (p 5-6). Ten aanzien van de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u verder dat u later vernam dat u en uw team gezocht werden door de overheid, dat twee van uw teamleden gearresteerd werden, dat u dan ook besloot om uw streek te ontvluchten, omdat u ook gezocht werd aangezien de politie aan uw deur geweest was om u op te pakken en dat u na twee jaren in Tontko een tip ontving dat de overheid inmiddels wist waar u zich schuilhield, waarna u besloot te vluchten (vraag 42). Ten overstaan van het commissariaat-generaal verklaart u echter dat deze hele affaire met de stembus één van de intimidatietechnieken was die de stafleden tegenover u gebruikten (p 5) en dat u in maart 2003 vluchtte toen u vernam dat mensen naar u vroegen aangezien u het niet kon riskeren uit te zoeken wie naar u op zoek was, de politie, de stafleden of anderen (p 11) en u het zeker voor mogelijk hield dat de stafleden uw onderduikadres gevonden hadden aangezien zij het woud goed kennen (p 4). Geconfronteerd met de incoherenties in uw opeenvolgende verklaringen beweert u dat dit komt omdat uw sociaal assistente gezegd zou hebben dat alles waarvoor u geen bewijzen had in he kader van uw asielprocedure niet in overweging zou genomen worden (p 4). Daarom had u besloten ten aanzien van de dienst Vreemdelingenzaken niets te vertellen over de intimidatie vanwege uw collega’s maar te wachten tot u daarvoor ten overstaan van het commissariaat- generaal bewijzen kon voorleggen. Deze toelichting kan niet als een afdoende verklaring voor de incoherenties in uw verklaringen worden aangenomen. Vooreerst beschikte u immers op het moment van uw gehoor voor de dienst Vreemdelingenzaken evenmin over bewijzen aangaande de verkiezingsfraude die u op het spoor gekomen zou zijn, een feit dat u ten aanzien van de dienst Vreemdelingenzaken echter wel als de kern van uw asielrelaas aanhaalde. Ten tweede beschikte u op het moment van uw gehoor voor het commissariaat-generaal geenszins over bewijzen voor de vermeende intimidatie vanwege uw collega’s op het National Mobilization Programme. U legt weliswaar de krant ‘The Guide’ van 5-9 oktober 1998 neer met daarin op pagina 12 een artikel over de politisering van het National Mobilization Programme naar aanleiding van een poster waarin iedereen die zich wenst aan te sluiten bij de Atta Mills Fanclub verzocht wordt zich bij het Naitonal Mobilization Programme aan te melden, maar dit XIV-17.091-3/8 krantenartikel legt op geen enkele manier een verband met uw persoon noch spreekt het op enig ogenblik over het feit dat bovenvermelde poster het werk zou zijn van een personeelslid van het National Mobilization Programme. U verwees ook naar een artikel in de door u neergelegde krant ‘Daily Graphic’ van 30 december 2000 (‘Man lynched in K’si’, tweede deel, p 1 en 3), maar dit vormt evenmin een bewijs voor uw vermeende problemen aangezien het weliswaar gaat over onregelmatigheden bij de verkiezingen, maar geenszins overeenstemt met uw verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken of voor het commissariaat-generaal. Uw bewering dat de mensen van het verkiezingsbureau zich wilden indekken en daarom het verhaal vervormden (p 12), kan bezwaarlijk als een ernstige verklaring voor een zo afwijkende feitenversie gelden. Bovenstaande vaststellingen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen zodanig dat er geen verder geloof meer gehecht kan worden aan uw asielrelaas. De door u in het kader van uw asielrelaas neergelegde documenten (kiezerskaart, regional C.D.R. secretariat eastern identification card, Kwahu South District Assembly membership car, National Democratic Congress menbership card, loonfiches en briefwisseling van het National Mobilization Programme, foto’s, geboorteakte, Kwahu South District Assembly certificate of service, National Mobilization Programme staff ID-card, The Guide van 5-9 oktober 1998 en Daily Graphic van 30 december 2000) wijzigen hetgeen hierboven uiteengezet werd niet. Uw identiteit, politiek lidmaatschap en engagement noch uw tewerkstelling bij het National Mobilization Programme worden hier immers betwist. De krantenartikels werden hierboven reeds besproken. Ten slotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen dat het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is dat u naar Irak gedwongen zou worden teruggeleid. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.1.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Aangezien de beslissing van 04.08.2003 een schending inhoudt van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het beginsel van redelijkheid en fair-play. Aangezien bij het eerste interview voor de dienst Vreemdelingenzaken aan verzoeker duidelijk werd gemaakt zich te beperken tot de feiten die hij kon staven met stukken. Dat verzoeker aldus zich voor het eerste interview tot die feiten beperkte. Dat verzoeker voor het eerste interview niets heeft vermeld nopens de vermeende intimidaties door zijn collega’s. Dat het commissariaat-generaal dit afdoet als incoherenties het welke evenwel niet het geval is. Dat het commissariaat-generaal daarenboven de stukken die verzoeker voorlegt geenszins in overweging heeft genomen doch zonder meer deze stukken naast zich legt.”; 2.1.
  7. Overwegende, wat het verloop van het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken betreft, dat de stelling van de verzoekende partij niet kan worden bijgetreden nu uit het verslag van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat zij hieromtrent geen enkele opmerking heeft gemaakt alhoewel het verhoorverslag aan haar werd voorgelezen en door haar werd ondertekend; dat, wat betreft de door haar neergelegde stukken, het betoog van de verzoekende partij feitelijke grondslag mist, nu uit de bestreden beslissing blijkt dat deze stukken wel degelijk werden besproken door de commissaris- generaal; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de conclusie van de XIV-17.091-4/8 commissaris-generaal dat haar asielaanvraag bedrieglijk is, kennelijk onredelijk of op onjuistelijke feitelijke gegevens gesteund is; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Aangezien de beslissing een schending inhoudt van het motiveringsbeginsel. Aangezien de beslissing van 11.09.2003 daarenboven het motiveringsbeginsel schendt doordat het commissariaat-generaal erop wijst dat de beweringen van verzoeker ongeloofwaardig zouden zijn terwijl nergens gepreciseerd wordt waarom en op welke punten de beweringen van verzoeker ongeloofwaardig zijn. Dat daarenboven het commissariaat stelt dat de verklaringen incoherent zijn met de stukken die verzoeker voorlegt doch geenszins de beweerde incoherentie motiveert. Dat uit de beslissing van 11.09.2003 zelfs niet kan worden afgeleid of het commissariaat-generaal de argumentatie van verzoeker onder ogen heeft genomen. Dat de beslissing erop wijst dat de aanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Dat de asielaanvraag van verzoeker evenwel is gesteund op de problemen die verzoeker te vrezen heeft bij zijn terugkeer naar Ghana. Dat na de verkiezingen, het National Mobilization Programme inderdaad werd afgeschaft zodat de vrees van verzoeker voor zijn persoon en de integriteit ervan aldus terecht is. Dat uit de beslissing dd 11.09.2003 niet blijkt waarom de gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar zijn land geen uitstaans zouden kunnen hebben met het gevraagde asiel. Dat het commissariaat haar beslissing niet genoegzaam met redenen heeft omkleed en deze aldus schending inhoudt van de motiveringplicht onder meer verwoord in artikel 62 en 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.”; 2.2.
  9. Overwegende dat de in artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet opgelegde formele motiveringsplicht betrekking heeft op de beslissingen tot weigering van de erkenning of van de bevestiging van de hoedanigheid van vluchteling en de intrekking van die hoedanigheid; dat de in artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet opgelegde verplichting bijgevolg slechts van toepassing is op beslissingen genomen in de gegrondheidsfase van de asielprocedure; dat met de bestreden beslissing echter in de ontvankelijkheidsfase een beslissing tot weigering van verblijf is genomen op basis van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel enkel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan XIV-17.091-5/8 of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot de negatie van een aantal gevolgtrekkingen van de commissaris-generaal en tot de bevestiging van haar eigen standpunt dat na de verkiezingen het “National Mobilization Programme” werd afgeschaft, zodat de vrees voor haar persoon en de fysische integriteit ervan terecht zou zijn; dat de verzoekende partij volledig voorbijgaat aan de concreet uitgewerkte motivering van de bestreden beslissing en aldus niet aannemelijk maakt dat die beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris-generaal is gegeven; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Aangezien met de beslissing de bepalingen van het E.V.R.M. worden geschonden. Aangezien de bepalingen uit het verdrag dienen gerespecteerd te worden ten aanzien van eenieder die ressorteert onder de rechtsmacht van de verdragsluitende staat ongeacht of deze persoon een nationaal onderdaan is van deze staat en ongeacht of hij regelmatig op diens grondgebied verblijft. (artikel 1 E.V.R.M.). Artikel 2.
  11. E.V.R.M. beschermt het recht op leven van eenieder. Artikel 3 E.V.R.M. bepaalt dat niemand mag onderworpen worden aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Dat het E.V.R.M. reeds besliste dat de uitzetting van een kandidaat-vluchteling de verantwoordelijkheid van de uitzettende staat met zich kan meebrengen indien er ernstige en gegronde redenen voorhanden zijn om aan te nemen dat betrokkene in zijn of haar land van herkomst blootgesteld zal worden aan een behandeling die strijdig is met de bepalingen van het E.V.R.M.. Dat verzoeker zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke vervolging vreest. Dat verzoekers vrees voor vervolging in het land van herkomst aldus terecht is. Dat ook al maakt de uitleverende staat zich zelf niet schuldig aan een onmenselijke of vernederende behandeling, kan hij aansprakelijk gesteld worden voor een schending van het E.V.R.M. door het land waaraan wordt uitgeleverd. Aangezien om voormelde redenen de beslissing van 11.09.2003 nietig is. Dat daaruit volgt dat het motief waarop de weigering tot verblijf en het bevel om het grondgebied te verlaten vervalt zodat ook dit bevel ook dient vernietigd te worden.”; 2.3.
  12. Overwegende, wat betreft de aangevoerde schending van artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.), dat de verzoekende partij niet het minste element aanvoert waaruit een schending van voornoemd artikel 2 zou blijken; dat het middel in die mate niet- ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 3 van het E.V.R.M. bepaalt dat niemand mag onderworpen worden aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen; dat deze bepaling slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan XIV-17.091-6/8 worden ingeroepen, namelijk wanneer blijkt dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat er bij het terugleiden naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing; dat de uiteenzetting van het middel te summier is; dat de verzoekende partij aldus in gebreke blijft bewijzen en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van artikel 3 van het E.V.R.M.; dat dit des te meer klemt nu uit de bespreking van de vorige middelen blijkt dat de motivering in de bestreden beslissing, waarbij het asielrelaas van de verzoekende partij volstrekt ongeloofwaardig is bevonden, niet onwettig is; dat het derde middel ongegrond is;
  13. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-17.091-7/8 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-17.091-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.891 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.