← België

Arrest 140899 - - 21/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.899 Rolnummer: Zaak: Arrest 140899 - - 21/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-06 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-07-02 07:57 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 140.899 van 21 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.899 van 21 februari 2005 in de zaken A. 34.535/IX-2287 34.656/IX-

  1. In zake : Marcel VERREES, wonende te AARSCHOT, Haterbeekstraat 118 tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Sociale Medi- sche Rijksdienst - Administratieve Gezondheidsdienst,
  3. de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel VERREES op 5 juni 1986 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de op 15 april 1986 genomen beslissing van de directeur-generaal van het ministerie van Volksgezondheid en Gezin waarbij bepaald wordt de ingestelde beroepsprocedure als afgehandeld te beschouwen; Gezien een tweede verzoekschrift dat dezelfde verzoeker op 14 juli 1986 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de brief van 17 juni 1986 waarbij door de directeur-generaal van het Bestuur Beheer Personeel Gesubsidieerd Onderwijs aan hem wordt medegedeeld dat er geen reden is om de beslissing van 5 februari 1985 in verband met zijn ontslag als leraar aan het Damiaaninstituut te Aarschot te herzien; Gezien de memories van antwoord; Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur W. VAN NOTEN; IX-2287-1/6 Gelet op de beschikking van 24 november 1994 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 24 november 1994 die de neerleg- ging ter griffie van de verslagen en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging en de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. HEERMAN, die loco advocaat W. LENS verschijnt voor verzoeker, en van adjunct van de directeur M. BROUCKE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de ontvankelijkheid.
  4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie als antwoord op de voor hem ongunstige verslagen van het Auditoraat aanvoert dat hij “hangende de procedure van adres (was) veranderd zoals blijkt uit het getuigschrift van woonst”; dat hij de brieven van 24 december 1993 en van 25 maart 1994 van het Auditoraat nooit heeft ontvangen en dat die brieven werden verstuurd naar zijn oud IX-2287-2/6 adres; dat hij ook niet werd bereikt langs administratieve weg overeenkomstig artikel 84, laatste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State;
  5. Overwegende dat uit het getuigschrift van woonst, toestand op 5 oktober 1995, afgegeven door de ambtenaar van de burgerlijke stand te Leuven, onder meer blijkt dat verzoeker tussen 16 april 1985 en 18 september 1991 woonachtig was te Leuven aan de E. Van Arenbergstraat 41; dat bovendien uit het dossier blijkt dat hem op 2 en 9 december 1986 op dat adres een afschrift van de memories van antwoord die de verwerende partij heeft ingediend, is toegestuurd per aangetekende zending en dat hij hiervoor voor ontvangst heeft getekend; dat het bewijs daarvan de datumstempel respectievelijk 3 en 11 december 1986 draagt; dat hieruit onomstotelijk komt vast te staan dat verzoeker kennis heeft gehad van de memories van antwoord samen met de begeleidende brieven waarin hem wordt gewezen op de termijn van dertig dagen om een memorie van wederantwoord in te dienen;
  6. Overwegende dat de medewerking met de Raad van State, zetelend als annulatierechter, die van een verzoeker verlangd kan worden, essentieel hierin bestaat dat deze de rechter laat weten wat hij meent te kunnen inbrengen tegen standpunten van onder meer de andere partij die ongunstig voor hem uitvallen; dat het bij het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 vastgestelde procedurereglement hem de gelegenheid biedt om, na inzage van het administratief dossier, dat te doen, door het indienen van memories; dat, zoals wordt uiteengezet in het verslag aan de Regent dat het genoemd besluit voorafgaat, om te verhinderen dat de partijen de oplossing van het geschil zouden vertragen, voor het indienen van de memories termijnen worden opgelegd, als concrete toepassing van het principe dat de procedure door de Raad wordt geleid; dat in hetzelfde verslag die zorg om een vertraging door toedoen van de partijen te vermijden hierdoor verantwoord wordt dat bij geschillen van bestuur het algemeen belang uiteraard betrokken is; IX-2287-3/6
  7. Overwegende dat, steeds naar bevestigd wordt in voornoemd verslag aan de Regent, de gewichtigheid der belangen die bij een annulatieberoep op het spel staan, ook verklaart dat het procedurereglement in een schriftelijk onderzoek voorziet, zodat "... de partijen al hun middelen schriftelijk moeten voorleggen";
  8. Overwegende dat artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door de wet van 17 oktober 1990, bepaalt dat wanneer de verzoekende partij de termijnen voor het toesturen van de memories niet eerbiedigt, de afdeling zonder verwijl uitspraak doet, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld; dat, hoewel die bepaling nog niet van toepassing was toen deze beroepen werden ingesteld en de memories moesten worden gewisseld, zij eveneens blijk geeft van de zorg - ditmaal van de wetgever - voor een correct verloop van de procedure voor de Raad van State; dat de wetgever daarbij de geldende rechtspraak bij wet heeft bekrachtigd en ze zelfs heeft verstrengd;
  9. Overwegende dat uit een en ander volgt dat een behoorlijk verloop van het proces verstoord wordt wanneer de partijen niet van de hun geboden mogelijkheid gebruik maken om hun standpunten duidelijk te maken door middel van memories, tijdig en schriftelijk ingediend; dat een tekortkoming daaraan uiteraard niet verholpen kan worden door een verschijning ter terechtzitting; dat verzoeker, die per hypothese deze procedures in zijn eigen belang heeft aangespan- nen, de gevolgen van zijn gebrek aan medewerking met de rechter moet dragen;
  10. Overwegende bovendien dat de verplichting de woning of zetel van een verzoeker te vermelden in het inleidend verzoekschrift tot doel heeft de diensten van de Raad van State in staat te stellen om alle procedurestukken aan die verzoeker te betekenen en, in het algemeen, om hem gemakkelijk te kunnen bereiken ingeval het nodig zou zijn om bijkomende inlichtingen of documenten op te vragen; dat de vermelding van een effectieve of gekozen woonplaats of zetel in het inleidend verzoekschrift dan ook een substantieel voorschrift uitmaakt; dat een IX-2287-4/6 verzoeker er voorts toe gehouden is om, wanneer hij naar een andere woonplaats of zetel overgaat of op een andere plaats bereikt wenst te worden, de griffie van de Raad van State daarvan in kennis te stellen; dat te dezen verzoeker dit niet heeft gedaan; dat hij hiermee ook heeft aangetoond een gebrekkige belangstelling te hebben voor zijn zaak;
  11. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de beroepen niet langer ontvankelijk zijn, BESLUIT: Artikel
  12. De beroepen worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van de beroepen, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig februari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, IX-2287-5/6 S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-2287-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.899 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.