id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.924 Rolnummer: A. 99704/IX-2697 Zaak: Arrest 140924 - - 21/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-09 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 07:57 Fiche Arrest nr 140.924 van 21 februari 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.924 van 21 februari 2005 in de zaak A. 99.704/IX-
- In zake : Monica DE COCK, wonende te LEOPOLDSBURG, Bergstraat 18 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Monica DE COCK op 23 januari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 22 november 2000 van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform waarbij zij definitief ongeschikt wordt verklaard voor de dienst; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 23 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; IX-2697-1/10 Gelet op de beschikking van 13 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN HERCK, die loco advocaat P. DE KEUKELAERE verschijnt voor verzoekster, en van majoor militair- administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Verzoekster treedt op 17 maart 1980 in dienst van de Luchtmacht. Op 27 december 1997 wordt zij benoemd in de graad van eerste sergeant. 1.
- Op 3 maart 1999 vraagt verzoekster haar mutatie van het “ATCC Semmerzake” naar “5 K.D.R.-Brugge”, in hoofdzaak omwille van gezondheidsredenen en psychische problemen. Op 10 juni 1999 wordt deze mutatieaanvraag door de stafchef van de Luchtmacht geweigerd, omdat er geen plaats vacant is. De stafchef stelt dat verzoeksters probleem kan opgelost worden door een interne mutatie te Semmerzake. 1.
- De korpscommandant van verzoekster vraagt daarop toelating om de medische geschiktheid van verzoekster voor de dienst door een militaire geneesheer te laten onderzoeken. De toelating wordt verleend op 24 februari
- IX-2697-2/10 Op 29 maart 2000 stelt geneesheer-kapitein SCHAUTTEET een attest van medisch onderzoek “model 5” op. Hij verklaart dat verzoekster aangetast is door “512” en dat zij tijdelijk -“mogelijk tot een andere eenheid wordt gevonden”- ongeschikt is voor de dienst. Het getal “512” verwijst naar het criterium nummer 512 (hoofdstuk V - Geestesafwijkingen - rubriek neurosen) van de keuringscriteriatabel gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 november 1971 tot vaststelling van de keuringscriteria inzake medische geschiktheid voor de militaire dienst van de dienstplichtigen evenals voor de dienst van de andere militairen en van het personeel van de Rijkswacht. 1.
- Op 13 april 2000 vraagt verzoekster opnieuw haar mutatie naar een eenheid in de omgeving van Brugge, om “psychologische redenen”. Zij verwijst nu naar “gezondheidsredenen van (haar)zelf en van (haar) partner” en naar “sociale en financiële redenen”. Die mutatieaanvraag wordt op 13 april 2000 opnieuw geweigerd wegens een personeelstekort in de betrokken specialiteit en ontstentenis van vacatures in de door verzoekster aangevraagde eenheden. 1.
- Op 17 april 2000 richt verzoeksters korpscommandant zich tot de voorzitter van de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform (MCGR) met een voorstel om verzoekster fysisch ongeschikt te verklaren voor de dienst. 1.5.
- Op 20 april 2000 vraagt de voorzitter van de MCGR aan de korpscommandant van verzoekster een informatief verslag op te stellen betreffende de persoonlijkheid van verzoekster. Dat verslag wordt op 11 mei 2000 aan de voorzitter van de MCGR overgemaakt. Op 7 september 2000 onderzoekt de MCGR het geval van verzoekster. Zij beslist dat verzoekster geschikt is voor de dienst om volgende reden : “verbeterde motivatie van betrokkene om het werk te hervatten”. IX-2697-3/10 De commissie beslist wel het medisch profiel van verzoekster te wijzigen. 1.5.
- Op 3 oktober 2000 dient verzoekster beroep in tegen deze beslissing, omdat “de mondelinge afspraak die (zij) kreeg van de commissie in verband met een nieuwe affectatie (.....) niet werd nagekomen”. Op 22 november 2000 neemt de Medische Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform (hierna: MCBGR) de volgende beslissing : “DE COMMISSIE na inzage van het dossier en na verschijnen van belanghebbende, rekening houdend met de keuringscriteriatabel van het koninklijk besluit van 5 november 1971, VERNIETIGT de in eerste aanleg genomen beslissing, BESLIST dat zij DEFINITIEF ONGESCHIKT is voor de dienst, in toepassing van Art. 117 Par. 2 van de wet van 14 februari
- Het verlies van de graad van zelfredzaamheid, volgens het M.B. van 30 juli 1987, werd vastgesteld op MINDER DAN 12 punten. Belanghebbende heeft GEEN RECHT op het forfaitair pensioensupplement volgens Art. 134 van de wet van 26 juni
- KEURINGSCRITERIA: 512 MOTIVERING: Gezien de Commissie inmiddels op de hoogte werd gebracht van het feit dat de gevraagde mutatie niet kan doorgaan, is definitieve ongeschiktheid een onvermijdelijk gevolg, rekening houdend met de aanpassingsstoornis in de eenheid.” Dit is de bestreden beslissing. 1.
- Bij koninklijk besluit van 22 februari 2001 wordt verzoekster met ingang van 1 februari 2001 op anciënniteitspensioen gesteld in toepassing van artikel 3, c, van de samengeordende wetten op de militaire pensioenen. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoekster geen belang heeft bij het beroep, aangezien zij met het koninklijk besluit van 22 februari 2001 op anciënniteitspensioen gesteld is, dit koninklijk besluit definitief geworden is en zij derhalve onmogelijk nog in de Krijgsmacht gereïntegreerd kan worden; IX-2697-4/10 2.
- Overwegende dat verzoekster daarop antwoordt dat zij geen kennis heeft gekregen van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 en dat dit besluit overigens onwettig is, aangezien het geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij beroep ingesteld had tegen de beslissing van de MCBGR; 2.
- Overwegende dat het koninklijk besluit van 22 februari 2001 verzoekster op anciënniteitspensioen heeft gesteld wegens haar lichamelijke ongeschiktheid; dat dit koninklijk besluit derhalve steunt op de hier bestreden beslissing van de MCBGR, die er de noodzakelijke grondslag van uitmaakt; dat in die zin de beide beslissingen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; dat de onwettigheid van de beslissing van de MCBGR aan het koninklijk besluit van 22 februari 2001 zijn noodzakelijke juridische grondslag ontneemt; dat, anders dan de verwerende partij stelt, er in dergelijk geval reden is om dat koninklijk besluit, dat op zich ten aanzien van verzoekster geen materiële rechtskracht meer heeft, ambtshalve in het voorwerp van het beroep te betrekken; 3.
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel aanvoert dat “de motivering om (haar) medisch definitief ongeschikt te verklaren niet gesteund is op medische redenen maar op basis van de afwezigheid van een gepaste affectatie voor verzoekster in een andere eenheid (zodat) er geen objectieve medische criteria t.o.v. verzoekster werden gehanteerd maar loutere opportuniteitsmotieven die geen invloed mogen hebben bij de medische beoordeling van betrokkene”; dat zij van oordeel is dat het bestreden besluit daarom “niet naar rechte gemotiveerd is en zodoende artikel 97 van de Grondwet schendt”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar memorie van antwoord tegen inbrengt dat de bestreden beslissing duidelijk steunt op een medische vaststelling met betrekking tot het criterium “512" - “neurosen”-, dat verzoekster die beoordeling niet tegenspreekt, dat de MCBGR op grond van die medische vaststelling verplicht was verzoekster ongeschikt voor de dienst te verklaren, dat de commissie dan wel de mogelijkheid had om verzoekster, hetzij tijdelijk, hetzij definitief arbeidsongeschikt te verklaren en dat zij uiteindelijk IX-2697-5/10 geopteerd heeft voor de definitieve arbeidsongeschiktheid om reden dat de door verzoekster aangevraagde mutatie niet kon doorgaan en er aanpassingsstoornissen waren in de eenheid van haar tewerkstelling; dat zij daarbij verduidelijkt dat verzoekster de deugdelijkheid van deze motivering evenals het feit dat de MCBGR geopteerd heeft voor haar definitieve ongeschiktverklaring niet bekritiseert; Overwegende dat de verwerende partij ook nog opmerkt dat de MCBGR geen administratief rechtscollege is zodat verzoekster ten onrechte verwijst naar de schending van artikel 97 -thans artikel 149- van de Grondwet; 3.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord uiteenzet dat “thans voor het eerst wordt aangebracht dat de beslissing wel degelijk op medische redenen zou gesteund zijn en meer bepaald (..) op basis van het criterium 512, t.t.z. neurosen” maar dat te dien aanzien, de MCBGR een willekeurig criterium gehanteerd heeft, aangezien vóór haar de MCGR dat criterium niet had in aanmerking genomen en er geen reden is om te stellen dat het criterium tussen het onderzoek in eerste aanleg en het bestreden besluit van toepassing geworden zou zijn, zeker nu zij geen tegensprekelijk onderzoek daarover heeft ondergaan; dat zij dan herhaalt dat de bestreden beslissing geen gewag maakt van enige neurotische toestand maar verwijst naar aanpassingsstoornissen die niets te maken hebben met een neurose maar met haar seksuele geaardheid en dat de commissie aldus geen medisch criterium gehanteerd heeft om haar definitief werkonbekwaam te verklaren; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie vooreerst betoogt dat verzoekster geen belang heeft bij het middel; dat zij te dien aanzien uiteenzet dat verzoekster in haar verzoekschrift geen kritiek geuit heeft op het feit dat het bestreden besluit verwijst naar de toepassing van het criterium 512, dat de desbetreffende kritiek in de memorie van wederantwoord laattijdig is en zij zich daar niet heeft kunnen tegen verdedigen; dat zij uit het feit dat verzoekster zich niet ontvankelijk verzet heeft tegen de medische beoordeling van haar gezondheids- toestand -de vaststelling van het criterium 512-, gekoppeld aan de vaststelling dat IX-2697-6/10 de MCBGR, eens zij besloten had dat verzoekster leed aan een neurose, verplicht was om haar ongeschikt te verklaren voor de dienst, het gebrek aan belang afleidt; dat zij dat gebrek aan belang bijkomend ook afleidt uit het feit dat verzoekster zich nooit verzet heeft tegen de keuze van de MCBGR om haar definitief ongeschikt te verklaren, maar enkel tegen de ongeschiktverklaring op zich; Overwegende dat de verwerende partij vervolgens, wat de grond betreft, herhaalt dat de bestreden beslissing wel degelijk steunt op de beoordeling van de commissie van haar medisch dossier en dus op medische vaststellingen; 3.5.
- Overwegende dat de MCBGR een orgaan is van het actief bestuur en geen rechtscollege; dat haar beslissingen dan ook niet binnen het toepassings- gebied van artikel 149 van de Grondwet vallen; dat zulks evenwel niet belet dat die beslissingen, in de mate dat zij de rechtstoestand van de betrokkenen bepalen, moeten voldoen aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en dat zij bijgevolg op afdoende wijze de redenen moeten vermelden -zowel de juridische basis als op het vlak van de beoordeling van de feitelijke gegevens- die de commissie tot haar beslissing hebben gebracht; dat het middel vanuit die invalshoek wordt onderzocht; 3.5.
- Overwegende dat, volgens de termen van het verzoekschrift, verzoekster de formele motiveringswet hierom geschonden vindt, dat haar medische ongeschiktheid verantwoord wordt door de afwezigheid van een gepaste affectatie in een andere eenheid en er bijgevolg geen medische criteria werden gehanteerd; Overwegende dat het middel, aldus geformuleerd, in feite faalt; dat immers het bestreden besluit -en het afschrift ervan dat door verzoekster wordt voorgelegd- formeel verwijst naar keuringscriterium 512 van “de keuringscriteria- tabel van het koninklijk besluit van 5 november 1971"; dat derhalve uit het besluit zelf duidelijk blijkt dat de ongeschiktverklaring van verzoekster steunt op de vaststelling van een neurose en dat met die verwijzing het bestreden besluit een motivering bevat die, vanuit formeel oogpunt, de werkongeschiktheid van IX-2697-7/10 verzoekster kan verantwoorden; dat gewis het bestreden besluit in de rubriek “motivering” gewag maakt van het feit dat verzoekster niet gemuteerd kan worden en dat zij aanpassingsproblemen heeft in haar actuele eenheid, maar dat, gelet op het voorgaande, met de verwerende partij aangenomen wordt dat die motivering betrekking heeft op het definitief karakter -bedoeld in artikel 117 van de wet van 14 februari 1961- van de ongeschiktverklaring terwijl die ongeschiktheid zelf verantwoord wordt door de verwijzing naar het criterium 512; dat de omstandigheid dat de bestreden beslissing op het vlak van de uiteenzetting van de formele motieven mogelijk onzorgvuldig geformuleerd is -de verwijzing naar criterium 512 is niet opgenomen in de rubriek ‘motivering’- niet belet dat verzoekster uit het besluit duidelijk heeft kunnen opmaken dat een neurose aan de basis lag van haar werkonbekwaamheid; 3.5.
- Overwegende dat het middel steunt op de schending van de formele motiveringsverplichting; dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteengezet heeft waarom het bestreden besluit wel degelijk “deugdelijk gemotiveerd is”, met name omdat er de vaststelling is dat verzoekster lijdt aan een neurose - criterium 512-; dat verzoekster daar in haar memorie van wederantwoord dan nader op ingaat waar zij stelt dat die verantwoording niet volstaat; dat zij daarmee wel het accent legt op de ontstentenis van een afdoende formele motivering maar dat die argumenten onmiskenbaar kaderen in het origineel aangevoerde middel; dat de verwerende partij de mogelijkheid heeft gekregen om daarop te reageren in haar laatste memorie; dat er in die omstandigheden geen reden is om de argumentatie van verzoekster buiten de debatten te houden; Overwegende dat een vernietiging op grond van de schending van de formele motiveringswet voor verzoekster het voordeel inhoudt dat de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt en dat verzoekster niet zonder een nieuwe beslissing over haar arbeidsongeschiktheid buiten dienst kan worden geplaatst; 3.5.
- Overwegende dat, wat betreft de vraag naar het afdoend karakter van de vermelde motivering, de Raad van State met verzoekster vaststelt dat de IX-2697-8/10 MCGR op 7 september 2000 verzoekster precies in het licht van het criterium 512 -vastgesteld door de geneesheer van de medische dienst in het “model 5” van 29 maart 2000- onderzocht heeft en dat die commissie van geneesheren verzoekster geschikt voor de dienst heeft bevonden wegens haar “verbeterde motivatie (...) om het werk te hervatten”; dat, met dat gegeven voor ogen, de enkele verwijzing in het bestreden besluit naar het criterium 512 teneinde verzoekster werkonbekwaam te bevinden niet volstaat om, zelfs vanuit formeel oogpunt, het bestreden besluit afdoende te motiveren; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 22 november 2000 van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform (MCBGR) waarbij Monica DE COCK definitief ongeschikt wordt verklaard voor de dienst, evenals van het koninklijk besluit van 22 februari 2001, in de mate dat het betrekking heeft op de oppensioenstelling van verzoekster. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigd koninklijk besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2697-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig februari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2697-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.