← België

Arrest 140927 - - 21/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.927 Rolnummer: A. 114141/XIV-7668 Zaak: Arrest 140927 - - 21/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 07:57 Fiche Arrest nr 140.927 van 21 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.927 van 21 februari 2005 in de zaak A. 114.141/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. GOETHALS, kantoor houdende te 8200 BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door: de minister van binnenlandse zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Srilankaanse nationaliteit, op 5 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 30 oktober 2001 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard, met bevel om het grondgebied te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 25 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2004; XIV-7668-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GOETHALS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 29 maart 1999 en zich op dezelfde dag vluchteling verklaart; dat op 30 juni 1999 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 23 november 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat de verzoekende partij op 19 juni 2001 een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat op 30 oktober 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist dat de aanvraag onontvankelijk is; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “(...) In toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik u mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en) Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De aangehaalde medische redenen in hoofde van betrokkene zijn niet van die aard dat ze betrokkene ervan verhinderen zijn aanvraag om machtiging tot verblijf via de reguliere weg in te dienen, zo blijkt uit de tegenexpertise uitgevoerd door de controlegeneesheer van de dienst Vreemdelingenzaken. Verder dient opgemerkt te worden dat de betrokkene zich nog steeds in de asielprocedure bevindt en als dusdanig legaal in het land verblijft. Gelieve betrokkene mee te delen dat de onderhavige beslissing vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing bij de Raad van State, overeenkomstig de artikelen 14 en 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12.01.
  3. Dit beroep en dit verzoek dienen ingediend te worden binnen de dertig dagen na kennisgeving van de beslissing. Het verzoek tot schorsing dient ingediend bij afzonderlijke akte en ten laatste met het annulatieverzoek. Het beroep tot annulatie en het verzoek tot schorsing dienen gedateerd, getekend door de verzoeker of een advocaat, bij aangetekend schrijven aan de heer Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapstraat 33, 1040 Brussel, overgemaakt te worden. Het indienen van een beroep tot nietigverklaring, noch van een beroep tot schorsing heeft de schorsing van de onderhavige beslissing tot gevolg. Tevens dient hem een afschrift van deze brief overhandigd te worden nadat hij voor kennisname heeft getekend. Een afschrift dient aan mijn diensten te worden teruggestuurd. XIV-7668-2/7 Gelieve te gepasten tijde ter plaatse na te gaan of betrokkene nog in uw gemeente verblijft en mij onmiddellijk schriftelijk in kennis te stellen van het resultaat van uw bevindingen.”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Ten gronde: enig middel Verzoekende partij haalt haar eerste en enige middel uit de schending van: - het art. 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet samengelezen met de Omzendbrief van 15 december
  5. - het art. 62 van de Vreemdelingenwet en de art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. - de beginselen van behoorlijk bestuur als daar zijn het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en het beginsel dat elke bestuurshandeling door een materieel motief moet worden gedragen. De gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken oordeelde onterecht dat het regularisatieverzoek onontvankelijk was. De onontvankelijkheid werd op drie gronden gesteund: - er worden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de regularisatieaanvraag niet via de gewone weg kon worden ingediend. - de aangehaalde medische redenen staan, blijkens de expert van de DVZ, een aanvraag om de regularisatie-aanvraag via de gewone weg in te dienen niet in de weg - verzoekende partij zou nog steeds legaal zijn geweest vermits de asielprocedure nog niet was afgehandeld Deze beslissing werd genomen in tegenstrijd met wat bepaald wordt in het art. 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet samengelezen de Omzendbrief van 15 december 1980 en de Rechtspraak van uw Raad dienaangaande. Met wat volgt zal de verzoekende partij haar stelling toelichten. Uw Raad zette op een zondermeer klaar en heldere manier uiteen hoe het art. 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet samengelezen met de Omzendbrief van 15 december 1998 moet geïnterpreteerd worden. Voor de duidelijkheid neemt verzoekende partij de relevante passage uit het arrest over: Overwegende dat het artikel 9, lid 3 van voornoemde wet van 15 december 1980 als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden het hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden voorhanden zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet mogen worden verwart met de argumenten ten gronde die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt:
  6. wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buitengewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn, zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet voorhanden zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen.
  7. wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven, desbetreffend beschikt de bevoegde minister over een ruime appreciatiebevoegdheid Overwegende dat voor een aantal situaties bijzondere voorwaarden gelden, die afwijken van de regels vastgesteld in het art. 9, derde lid, zo onder meer voor de asielzoekers die onredelijk lang op een beslissing hebben moten wachten; dat deze personen geen buitengewonde omstandigheden dienen in te roepen; dat de asielaanvrager evenwel een aantal inhoudelijke voorwaarden dient te voldoen en niet onder de toepassing mag vallen van één van de uitsluitingsgronden in de omzendbrief (...) Uw Raad vervolgde dat wanneer diegene die wenst geregulariseerd te worden volgens een van de situaties waarvoor bijzondere voorwaarden gelden niet aan die bijzondere XIV-7668-3/7 voorwaarden voldoet hij dan (en pas dan) wel degelijk buitengewone omstandigheden moet inroepen. Met andere woorden, diegene die meent te vallen onder de situaties waarvoor krachtens deel II van de Omzendbrief bijzondere voorwaarden gelden, moet, in eerste instantie althans, enkel het bewijs leveren van de voor die situatie vereiste voorwaarden. Pas wanneer de gemachtigde van de minister zou oordelen dat niet aan die bijzondere voorwaarden wordt voldaan dient de gemachtigde van de minister na te gaan of er buitengewonde omstandigheden worden aangetoond. In de bestreden beslissing werd deze redenering evenwel niet gevolgd. Wel integendeel, de gemachtigde van de minister ging er blijkbaar van uit dat verzoekende partij de uitzonderlijke omstandigheden moest bewijzen. Dit terwijl de verzoekende partij in haar verzoekschrift dat aan de burgemeester werd gericht uitdrukkelijk had gepreciseerd dat het verzoekschrift was gebaseerd op de bijzondere situatie van de ‘ernstige ziekte’. Deze vraag tot regularisatie omwille van humanitaire redenen is meer bepaald gebaseerd op grond van ‘ernstige ziekte’, zoals omschreven in de hierboven reeds aangehaalde Omzendbrief. Minstens werd niet gemotiveerd waarom de door de verzoekende partij aangehaalde medische redenen niet behoorde tot het aantal situaties waarvoor bijzondere voorwaarden gelden. Meer bepaald de situatie van de ‘ernstige ziekte’. Uw Raad vereist nochtans dat de beslissing naar aanleiding van een regularisatie-aanvraag de argumenten van de verzoekende partij beantwoordt en in de beslissing de bijzondere feitelijke gegevens betrekt. Met wat volgt zal eerst de tweede onontvankelijkheidsgrond weerlegd worden door aan te tonen dat de verzoekende partij aan alle vereisten die de Omzendbrief heeft gesteld naar aanleiding van de ‘ernstige ziekte’ heeft voldaan. Daarna zal de verzoekende partij de eerste onontvankelijkheidsgrond weerleggen. Tot slot zal worden aangetoond dat de derde onontvankenlijkheidsgrond noch in de vreemdelingenwet noch in de Omzendbrief terug te vinden is. Onder de Titel III van het tweede deel van de Omzendbrief van 15 december
  8. De Omzendbrief noch de vreemdelingenwet bepaalt wat er onder ‘ernstige ziekte’ dient begrepen te worden. De Omzendbrief vereist wel dat de aanvraag van de verzoeker naast de persoonsgegevens van de verzoeker ook medische attesten ter staving van de medische redenen moeten meegedeeld worden. Uit de Omzendbrief kan impliciet ook afgeleid worden dat de beoordeling van de ‘ernstige ziekte’ dient te geschieden in het licht van de drie criteria die de expert moet toetsen, met name de ernst en de duur van de ziekte en de mogelijkheid om de ziekte in het land van herkomst te behandelen. In de bestreden beslissing wordt het verzoek onontvankelijk bevonden omdat de medische redenen niet zouden verhinderen dat de aanvraag in het land van herkomst zou kunnen ingediend worden. Los van het feit dat verzoekende partij meent dat deze toets een gegrondheidstoets is, heeft de gemachtigde van de minister in elk geval de motiveringsplicht geschonden. Uit de bestreden beslissing valt immers niet af te leiden waarom de aangehaalde medische redenen niet van die aard zijn dat zij als ernstige ziekte kunnen worden aangezien. Uit het administratief dossier blijkt overigens duidelijk dat de expert niet twijfelt aan het feit dat de verzoekende partij lijdt aan een schizofrene psychose die per definitie ongeneeslijk is. Het enige wat de expert in zijn advies vaststelt is dat een dergelijke ziekte behandeld kan worden in Sri Lanka zodat volgens dezelfde arts verzoekende partij kan teruggestuurd worden ... Daarbij kan worden opgemerkt dat de expert van het ministerie de verzoekende partij niet eens onderzocht heeft, doch zich heeft volstaan met vanuit zijn kantoor na te gaan of psychosen in Sri Lanka kunnen behandeld worden. Een beslissing die alleen op een dergelijk zwak onderzoek is gesteund is uiteraard onzorgvuldig genomen. Het feit dat een bepaalde ziekte in het land van herkomst kan behandeld worden kan uiteraard niet doorslaggevend zijn om een regularisatie niet toe te kennen. Zoals ook uit de Omzendbrief blijkt is ook de ernst en de duur van de ziekte minstens even doorslaggevend. De gemachtigde ambtenaar alsook de expert gingen daarbij volledig voorbij aan de concrete feitelijke gegevens van de zaak. Met name gaan zij niet in op de attesten van de behandelende artsen die op het moment van de aanvraag stelden dat de verzoekende partij het ziekenhuis niet mocht verlaten en dat de verzoekende partij continu zeer zware medicatie moet nemen. Bovendien werd genegeerd dat de verzoekende partij over geen financiële middelen beschikt en hij alleen een vriend en begeleiders heeft in Brugge terwijl hij voor de rest ‘alleen op de wereld’ is, hetgeen nochtans in het verzoekschrift uitgebreid werd behandeld. In de beslissing wordt dan ook totaal niet gemotiveerd waarom de aandoening van verzoekende partij niet ernstig zou zijn, terwijl dit nochtans de essentiële voorwaarde is om XIV-7668-4/7 na te gaan hoe een repatriëring in de werkelijkheid zou kunnen georganiseerd worden. Het feit dat de ziekte waaraan verzoekende partij lijdt kan behandeld worden in het land van oorsprong kan terzake uiteraard niet als afdoende motivering gelden. Dat blijkt overigens uit de Omzendbrief zelf. Hoe kan verzoekende partij met voortdurende waanbeelden en met quasi geen oriëntatie zich überhaupt in Sri Lanka laten behandelen wanneer hij er geen geld heeft en bovendien niemand heeft die er voor hem zorgt ? Deze bemerkingen werden nochtans in het verzoekschrift uiteengezet, maar nogmaals, zij bleven onbeantwoord. Nu niet afdoende en pertinent werd gemotiveerd waarom de verzoekende partij niet in de situatie van de ‘ernstige ziekte’ verkeert waarvoor de bijzondere voorwaarden gelden is de schending van de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht in samenhang met het art. 9 lid 3 van de Vreemdelingenwet en de Omzendbrief zonder meer klaar. Mocht per impossibile geoordeeld worden dat er op een afdoende en pertinente manier werd gemotiveerd waarom de verzoekende partij geen ‘ernstige ziekte’ is zoals bepaald in de Omzendbrief werd in elk geval niet afdoende en pertinent gemotiveerd waarom de omstandigheden die de verzoekende partij heeft aangehaald niet uitzonderlijk zijn. Zoals reeds hoger aangehaald stelde uw Raad reeds eerder dat wanneer de verzoeker niet kan aantonen dat hij in een situatie verkeerd waarvoor bijzondere voorwaarden gelden (i.c. ‘Ernstige ziekte’) hij de bijzondere omstandigheden moet aantonen. De verzoekende partij legde nochtans een stukkenbundel neer waarin niet alleen een uitgebreid sociaal verslag stak maar ook attesten van diverse artsen waaruit de ernst van de ziekte van verzoekende partij kon worden afgeleid. De informatie die niet onder het medisch geheim viel werd ook samengevat opgenomen in het verzoekschrift. De gemachtigde ambtenaar volstond zich omtrent de uitzonderlijke omstandigheden met de volgende motivering: Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewonde procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Verzoekende partij verwijst ter zake naar de vaste Rechtspraak van uw Raad en de unanieme stellingen in de rechtsleer. Uit de motivering zal uitdrukkelijk moeten blijken waarom aan het verzoek tot machtiging van het verblijf van meer dan drie maanden geen gevolg wordt gegeven, en meer in het bijzonder waarom de door de vreemdeling ingeroepen argumenten of buitengewone omstandigheden ter staving van zijn verzoek werden afgewezen. De loutere vermelding dat geen uitzonderlijke omstandigheden werden ingeroepen - zoals in casu - volstaat niet, evenmin als de overweging dat de verzoekers hun aanvraag ook hadden kunnen richten tot de diplomatieke post in Syrië. De verzoekende partij heeft er het raden naar waarom de door verzoekende partij ingeroepen argumenten en buitengewone omstandigheden werden afgewezen. De motiveringsplicht is ook hier geschonden. De gemachtigde van de minister meent als laatste onontvankelijkheidsgrond te moeten opmerken dat verzoekende partij nog steeds legaal in het land was. Vooreerst kan de verzoekende partij noch in het art. 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet, noch in de Omzendbrief een regel terug vinden die het indienen van een verzoekschrift om geregulariseerd te worden op grond van het art. 9, lid 3 verbiedt terwijl de asielprocedure nog hangende is. Onder de bijzondere voorwaarden van het deel II van de Omzendbrief wordt enkel bepaald dat het indienen van de aanvraag geen enkel gevolg heeft voor de situatie van de betrokkene. Voorts wordt er met geen woord gerept over een mogelijke uitsluitingsgrond voor de verzoekers die nog in asielprocedure zitten. Onder de algemene voorwaarden van het deel I van de Omzendbrief wordt er enkel bepaald dat asielzoekers niet vallen onder die de groep van personen die behoren tot de uitzonderingen waarvoor in het kader van de in het deel I bedoelde gevallen de buitengewone omstandigheden worden vermoed aanwezig te zijn. Dus, asielzoekers moeten ook buitengewone omstandigheden bewijzen, hetgeen verzoekende partij overigens gedaan heeft. Ook hier is er dus geen sprake van een uitsluiting van asielzoekers in procedure om een regularisatie ex art. 9, lid 3 te vragen. In elk geval was de gemachtigde van de minister onzorgvuldig. Als immers al de niet in de geldende reglementering terug te vinden stelling dat een regularisatie-aanvraag tijdens de asielprocedure onontvankelijk is zou aanvaard worden, dan heeft de gemachtigde van de minister de verzoekende partij onzorgvuldig behandeld. De raadsman van de verzoekende partij had immers reeds een jaar eerder informatie ingewonnen bij de betreffende dienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Verzoekende partij wilde immers weten hoe de verhouding tussen de asielaanvraag en de regularisatie-aanvraag was. De raadsman van de verzoekende partij kreeg vanwege de XIV-7668-5/7 dienst het stuk 10 terug. Uit dit stuk blijkt niet dat een regularisatieaanvraag niet kan tijdens de asielprocedure, wel integendeel. Overigens, wat er ook van zij, verzoekende partij heeft de regularisatieaanvraag pas ingediend nadat een bijzonder verward interview bij het commissariaat-generaal had plaatsgevonden waarbij de behandelende jurist had laten verstaan dat een negatieve beslissing zou volgen. De gemachtigde ambtenaar die de bestreden beslissing had opgesteld werd door de raadsman van de verzoekende partij telefonisch op de hoogte gebracht van het feit dat het interview had plaatsgevonden op het commissariaat-generaal. Zoals reeds hoger werd uiteengezet werd deze informatie doorgegeven juist om te vermijden dat - in het geval er een positieve beslissing omtrent de regularisatie zou volgen uiteraard - de periode van illegaliteit van verzoekende partij, en de daarbij horende financiële problemen, tot het minimum kon herleid worden. De diligentie van verzoekende partij wordt dan ook onterecht afgestraft met een onontvankelijkheid. De gemachtigde ambtenaar heeft dan ook onterecht het gewekte vertrouwen geschonden en heeft dus onzorgvuldig gehandeld.”; 2.
  9. Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, met name dat uit de tegenexpertise van de controlegeneesheer van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de door de verzoekende partij aangehaalde medische redenen niet van die aard zijn dat zij haar verhinderen om haar aanvraag via de reguliere weg in te dienen; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij de motivering van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht en aldus de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij haar betoog in essentie steunt op deel II van de omzendbrief van 15 december 1998 dat echter werd opgeheven bij omzendbrief van 6 januari 2000; dat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat de aangehaalde medische redenen niet van die aard zijn dat ze de verzoekende partij ervan verhinderen de aanvraag via de reguliere weg in te dienen; dat uit het administratief dossier blijkt dat de tegenexpertise van de controlegeneesheer heeft uitgewezen dat zij in staat is om te reizen en dat een behandeling in haar land van herkomst mogelijk is; dat dit betekent dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden heeft aangevoerd die het indienen van een aanvraag in België rechtvaardigen; dat de verzoekende partij hier enkel tegen inbrengt dat het “ernstig ziek” zijn reeds op zich XIV-7668-6/7 voldoende is om de aanvraag in België in te dienen; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de minister van Binnenlandse Zaken de hem toegewezen ruime appreciatiebevoegdheid heeft overschreden; dat het enige middel ongegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-7668-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.927 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.