id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.933 Rolnummer: A. 147842/XIV-18694 Zaak: Arrest 140933 - - 21/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 07:57 Fiche Arrest nr 140.933 van 21 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 140.933 van 21 februari 2005 in de zaak A. 147.842/18.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense origine, op 20 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 januari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 november 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 januari 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; XIV-18.694-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 31 oktober 2003 en zich vluchteling verklaart op 5 november 2003; dat op 24 november 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 26 januari 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U werd gehoord op het commissariaat-generaal op 19 januari 2004 in het bijzijn van uw advocaat Mr. Soenen (in loco voor Mr. Vrijens). U verklaarde van Armeense origine te zijn en geen staatsburgerschap te hebben. U bent geboren in Baku (Azerbeidzjan) op 6 december
- In 1988 begonnen de etnische spanningen tussen Azeri’s en Armenen. U heeft nooit enig paspoort ontvangen. Na de geboorte van uw zoon XXX op 21 november 1990 ging u samen met uw partner van Armeense origine, XXX, terug inwonen bij uw ouders. Uw familie bleef in Azerbeidzjan omdat uw grootvader langs vaderszijde een Azeri was. Op 11 januari 1991 vielen Azeri’s jullie appartementsgebouw binnen. U en uw familie doken onder bij buren. Toen het terug rustig was gingen jullie terug naar het appartement alles was vernield. Jullie vluchten naar de haven van Baku om daar geëvacueerd te worden per boot. In die drukte bent u uw ouders verloren. U, uw partner en uw zoontje kwamen op een boot terecht naar Krashnovodsk (Rusland). Jullie hebben zich daar niet aangemeld op de doorverwijzingsplaats, maar jullie zijn meteen doorgereisd naar Kiev (Oekraïne), omdat uw partner daar familie had wonen. De neef van uw man, XXX, hielp jullie. In februari 1991 bent u naar het Comité voor Vluchtelingen in Kiev gegaan om uw verblijf te registreren. Daar wou men u niet helpen omdat u geen Oekraïens burger was en u geen documenten had. Een paar dagen later bent u naar het Rood Kruis gegaan waar u zei dat ze u niet konden helpen met het verkrijgen van documenten. Uw ouders vonden ze niet terug in hun bestand. In mei of april 1991 ging u naar de VN-afdeling in Kiev om geholpen te worden met het verkregen van documenten zodat u een registratie of staatsburgerschap in Oekraïne zou kunnen bekomen. Men zei u dat ze u niet moesten helpen. Daarna heeft u noch uw partner ooit nog een poging ondernomen om jullie verblijf in Oekraïne te registreren. Aangezien jullie illegaal in Oekraïne woonden kenden jullie verschillende problemen. Zo had u geen recht op medische hulp en bent u in 1994 en in 1999 thuis bevallen van twee zonen. U en uw man werkten in het zwart voor Artiom. Uw kinderen konden slechts naar school via tussenkomst van Artiom. Uw kinderen werden echter gepest en geslagen door de andere kinderen en hun punten werden systematisch verlaagd. In 1997 werd XXX geslagen waarbij hij ernstig zijn hoofd stootte. Oekraïense buren zorgden ervoor dat hij opgenomen werd in het ziekenhuis. Ook uw partner had regelmatig problemen met de politie omdat hij geen documenten had: hij werd vaak gecontroleerd en soms meegenomen naar het politiebureau. In de herfst van 2002 werd hij door de politie zwaar geslagen toen hij opgesloten werd. Op 25 juli 2000 was u te weten gekomen dat uw vader overleden was en uw moeder XXX in België asiel had aangevraagd. XXX, de dochter van een neef van uw partner, ging naar Europa. U vroeg haar om uw zoon XXX mee te nemen zodat hij op vakantie kon gaan bij uw moeder, XXX regelde alles XIV-18.694-2/6 (inschrijving van uw zoon in haar internationaal paspoort) en op 10 november 2000 vertrokken ze naar België. Op 21 november 2000 keerden ze echter niet terug. XXX had in België een asielaanvraag ingediend en verklaarde dat XXX haar zoon was. Ondertussen zocht u een mogelijkheid om naar België te komen om hier asiel aan te vragen en de situatie met uw zoon op te lossen. Het duurde enige tijd tot u iemand vond die u kon helpen. Op 28 oktober 2003 bracht een smokkelaar u tot in Duitsland, waar u de trein nam tot België. Op 31 oktober 2003 kwam u aan in België waar u op 5 november 2003 een asielaanvraag indiende. De smokkelaar had beloofd uw partner en twee zonen later naar België te brengen maar hij heeft dit niet gedaan. U bent in het bezit van uw geboorteakte, een aanbevelingsbrief, puntenlijsten van XXX, kopieën van medische attesten m.b.t. uw partner, uw diploma en een klasfoto. B. Motivering U verklaarde voor de dienst Vreemdelingenzaken en voor het commissariaat-generaal dat u geen staatsburgerschap hebt (DVZ, nr 6; CGVS, p 5). U stelde voor het commissariaat- generaal dat u burger was van Azerbeidzjan toen dit nog lid was van de Sovjet-Unie en dat u nooit een paspoort hebt ontvangen (CGVS, p 5). Uit uw verklaringen blijkt dat u sinds 1991, toen u vluchtte uit Azerbeidzjan, tot uw vertrek in 2003 naar België altijd illegaal in Oekraïne hebt gewoond en dat u er nooit enige (tijdelijke of permanente) registratie verkreeg (DVZ, nr 42, CGVS, p 8). Uw verklaringen in acht genomen dient Oekraïne als uw land van gewoonlijk verblijf te worden beschouwd, dit o.a. omdat u er meer dan 12 jaar verbleef (nl. vanaf januari 1991 tot oktober 2003), u en uw man daar werkten, u er bevallen bent van 2 zonen en uw kinderen daar naar school gingen. Uw asielaanvraag dient dan ook ten overstaan van Oekraïne te worden beoordeeld. Met betrekking tot uw verblijf in Oekraïne dient te worden opgemerkt dat u gedurende uw 12 jarig verblijf (januari 1991 tot oktober 2003) onvoldoende pogingen heeft ondernomen om daar enige (permanente of tijdelijke) registratie of statuut te bekomen. Zo blijkt uit uw verklaringen dat u hiertoe slechts enkele pogingen hebt ondernomen begin
- U verklaarde dat u achtereenvolgens één keer naar een Vluchtelingencomité bent gegaan (CGVS, p 20-21), twee keer naar het Rood Kruis (CGVS, p 20-22) en één keer naar de VN-afdeling in Kiev (CGVS, p 20-23). Het Vluchtelingencomité wou u niet helpen omdat u geen burger was van Oekraïne en omdat u geen documenten had (CGVS, p 21). Het Rood Kruis zei u dat ze u niet konden helpen aan documenten, maar enkel aan eten en onderdak en het opzoeken van uw verwanten in hun bestand (CGVS, p 21-22). Het VN-filiaal zei dat ze niet verplicht waren u te helpen (CGVS, p 22). Daarna hebben u en uw echtgenoot geen enkele poging meer ondernomen om jullie verblijf in Oekraïne te regelen (CGVS, p 23). Van iemand die dan nog 12 jaar in Oekraïne verblijft, die er twee zonen krijgt (CGVS, p 7), van wie haar partner het vaderschap over hun kinderen gaat bevestigen op de burgerlijke stand in Kiev (CGVS, p 8), wiens zonen naar school gaan daar, die er werkt net zoals haar partner (DVZ, nr 42, CGVS, p 9), en wiens partner er bovendien verschillende familieleden (i.e. twee neven en twee broers) heeft die wel legaal in Oekraïne verblijven (CGVS, p 18, 23-24), kan verwacht worden dat ze meerdere pogingen zou ondernemen om haar statuut te regelen, en niet slechts in het begin van haar aankomst in Oekraïne. U verklaarde voor het commissariaat-generaal dat u gevlucht bent uit Oekraïene omdat uw gezin er geen staatsburgerschap had en omdat jullie er geen bescherming kon vinden tegen de diverse vormen van etnische discriminatie omdat jullie er illegaal verbleven (CGVS, p 27, 29 & 40). Deze problemen hadden mogelijks voorkomen kunnen worden indien u meer pogingen had ondernomen om een registratie te bekomen. U verklaarde immers zelf dat de (Armeense) broers en neven van uw partner in Oekraïne geen problemen hebben omdat zij staatsburgerschap hebben (CGVS, p 30). Tenslotte dienen tegenstrijdigheden te worden vastgesteld, enerzijds tussen uw opeenvolgende verklaringen (dienst Vreemdelingenzaken, commissariaat-generaal) en anderzijds tussen uw verklaringen en beschikbare informatie. Zo verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat uw partner éénmaal heel zwaar werd aangepakt, in 1992 of 1993, toen hij werd meegenomen en geslagen door de politie (DVZ, nr 42). Voor het commissariaat-generaal echter stelde u dat uw partner één keer heel ernstig is geslagen tijdens een opsluiting in de herfst van 2002 (CGVS, p 11 & 27-28). Tevens verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat u toen u 16 jaar werd in 1988 geen paspoort kreeg omdat u dit geweigerd werd aangezien uw moeder Armeense was (DVZ, 42). Voor het commissariaat-generaal bevestigde u dat u normaal in 1988 uw paspoort moest krijgen maar dat u het niet ontving (CGVS, p 3 & 5). Uit uw verklaringen blijkt dat u nooit een paspoort hebt ontvangen (CGVS, p 5). U legde echter voor het commissariaat-generaal uw geboorteakte voor waarop een stempel staat van de uitreiking van een intern paspoort (vermelding van serienummer van het paspoort en de datum van uitreiking). Toen u hiermee geconfronteerd werd verklaarde u dat een medewerker van het paspoortenbureau deze stempel in uw geboorteakte had gezet in de zomer van 1988 zodat u op de vermeldde datum, i.e. 2 februari 1989, uw paspoort mocht gaan ophalen (CGVS, p 35&37). Uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd blijkt echter dat een dergelijke stempel in de geboorteakte wordt geplaatst wanneer iemand een intern paspoort ontvangen heeft. Bovendien komt uw verklaring voor de dienst Vreemdelingenzaken dat een paspoort u geweigerd werd (DVZ, nr 42) niet overeen met uw XIV-18.694-3/6 verklaring voor het commissariaat-generaal, namelijk dat u uw paspoort niet afgehaald hebt aangezien u de wachtzaal verlaten hebt vooraleer u het kon ontvangen (CGVS, p 37). Deze tegenstrijdigheden ondermijnen de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. In het kader van de asielaanvraag van uw moeder XXX werd door het commissariaat- generaal tevens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen wegens het kennelijk ongegrond karakter van haar asielaanvraag. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (geboorteakte, aanbevelingsbrief, puntenlijsten, kopieën medische attesten man, diploma, klasfoto) kunnen bovenstaande conclusies niet wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen dat het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is dat u naar Irak gedwongen zou worden teruggeleid. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikel 1, A, 2 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting. Dat de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoekster, de artikelen 1, A, 2 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, en goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953; de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer deze stelt dat verzoeksters asielaanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk is zonder enig onderzoek in te stellen naar verzoeksters vrees voor vervolging bij een terugkeer naar Oekraïne. Dat dient vastgesteld te worden dat verweerder heeft nagelaten, bij de beoordeling van verzoekster vrees voor vervolging bij een terugkeer naar haar land, zich grondig en volledig te informeren omtrent de huidige mensenrechtensituatie in Oekraïne. ‘Elke bestuurshandeling moet gebaseerd zijn op juiste en relevante feiten. De zorgvuldigheidsplicht verplicht de overheid er overigens toe om zich volledig en correct in te lichten alvorens een beslissing te nemen’. Dat verzoekster verwijst naar het rapport van het U.S. Department of State ‘Ukraine Country Report on Human Rights Practices for 2002', maart 2003 aangaande de mensenrechten in Oekraïne anno
- Uit dit rapport blijkt dat de mensenrechten er massaal worden geschonden, willekeurige arrestaties en opsluitingen is er een ernstig probleem, het juridische apparaat in Oekraïne werkt niet onafhankelijk en is corrupt net zoals de politie, de regering, ... Etnische minderheden worden geviseerd en zijn vaak het slachtoffer van identiteitscontroles en derhalve van mishandelingen en bedreigingen (cf stuk 2). Dat uit voormelde rapport duidelijk blijkt dat verzoekster wegens haar origine in Oekraïne zal gediscrimineerd worden, mishandelingen en een onrechtvaardige opsluiting riskeert en geenszins kan rekenen op een eerlijk proces. Dat deze stukken geenszins aan een grondig onderzoek werden onderworpen. Dat verweerder in geen geval verzoekster vrees voor vervolging in Oekraïne grondig heeft onderzocht en getoetst aan de Vluchtelingenconventie. Dat de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoekster, derhalve niet afdoende gemotiveerd is en de Vluchtelingenconventie schendt.”; XIV-18.694-4/6 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing ken doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij op algemene wijze haar standpunt herhaalt dat zij wel werd vervolgd, doch nalaat concreet te repliceren op de motieven van de bestreden beslissing; dat zij met de verwijzing naar een internationaal rapport betreffende de algemene toestand in Oekraïne, zonder dit op haar eigen individuele toestand te betrekken, niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet van vreemdelingen is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende, daargelaten de vraag of artikel 33 van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 van toepassing is op niet als dusdanig erkende vluchtelingen, dat de verzoekende partij niet met concrete gegevens aannemelijk maakt dat haar leven of vrijheid in het land van herkomst effectief bedreigd worden; dat haar asielrelaas bedrieglijk en kennelijk ongegrond is bevonden zodat de verzoekende partij met de verwijzing naar haar in het kader van haar asielaanvraag afgelegde verklaringen niet aannemelijk maakt dat haar leven of vrijheid omwille van één van de in voornoemd artikel 33 vermelde omstandigheden in gevaar zou komen;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als XIV-18.694-5/6 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.694-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.933 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.