id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.020 Rolnummer: A. 91579/XII-2600 Zaak: Arrest 141020 - - 22/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-25 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 07:59 Fiche Arrest nr 141.020 van 22 februari 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.020 van 22 februari 2005 in de zaak A. 91.579/XII-
- In zake :
- de VZW VLAAMS SECRETARIAAT VAN HET KATHOLIEK ONDERWIJS,
- de VZW SINT-JOZEFSCOLLEGE,
- de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS GEEL-KASTERLEE, die woonplaats kiezen bij advocaat P. Taelman, kantoor houdende te Gent, Coupure 5 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat V. Van Obberghen, kantoor houdende te Vilvoorde, Riddersstraat 2, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs, de VZW Sint-Jozefscollege en de VZW Katholiek Onderwijs Geel-Kasterlee op 5 mei 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de artikelen 25, 2/, 43, 44 en 56 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 1999 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, dat is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2000; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2601-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. Brewaeys; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Vanheule, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat V. Van Obberghen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de bestreden bepalingen de artikelen 22, § 2, 2/, 36, 36bis en 47 wijzigen van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, dat de inrichtende machten er toe verplicht om de personeels- leden, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tewerk te stellen in geval van reaffectatie of wedertewerkstelling door de Vlaamse Reaffectatie- commissie; dat de verwerende partij uiteenzet dat de aanpassing aan het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 noodzakelijk was geworden ten gevolge van de inwerkingtreding van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs en van het bijzonder decreet (eveneens) van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; dat op 15 juni 1989 de Raad van State, bij toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/, om een spoedeisend advies werd verzocht; dat het spoedeisend karakter als volgt werd gemotiveerd : “door de omstandigheid dat ingevolge de bepalingen van het decreet van 14 juli 1998 (...), de inrichtende machten thans de organisatie van de nieuwe XII-2601-2/6 scholengemeenschappen volop voorbereiden en dat het nieuwe personeelsbeleid in de individuele instellingen meer en meer wordt afgestemd op het beleid van de ganse scholengemeenschap; dat het uiteraard vereist is dat de inrichtende machten weten hoe zij op 1 september 1999 dit personeelsbeleid moeten voeren; dat het daarom dringend noodzakelijk is dat de inrichtende machten zo snel mogelijk weten hoe zij de betrekkingen in hun instellingen moeten verdelen en hoe zij bij een tekort aan betrekkingen bepaalde personeelsleden moeten inzetten binnen de andere instellingen van de inrichtende macht en dit al of niet binnen de structuur van de nieuwe scholengemeenschap. Vermits met de voorbereidende schikkingen betreffende de verdeling van de betrekkingen en de daaraan verbonden personeelsbewegingen in het licht van de nieuwe scholengemeenschappen tijdig moet worden gestart, moeten de instellingen spoedig worden ingelicht”;
- De ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de verzoekende partijen, in zoverre zij het principe van reaffectatie en/of wedertewerkstelling van andere inrichtende machten en netoverschrijdende reaffectaties betwisten, geen belang hebben bij de vordering aangezien bij een eventuele vernietiging het besluit van 29 april 1999 in zijn vorige niet bestreden versie zal herleven en het besluit van 29 april 1992 reeds voorzag in de verplichte reaffectatie of wedertewerkstelling van personeelsleden van andere inrichtende machten alsook in de verplichte netoverschrijdende reaffectatie; Overwegende dat de verzoekende partijen, met verwijzing naar de rechtspraak van het Arbitragehof, terecht repliceren dat er een belang ontstaat om de nietigverklaring te vorderen doordat de verwerende partij de reaffectatieregeling opnieuw in overweging heeft genomen; dat de exceptie wordt verworpen; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat de bestreden regeling volledig werd gewijzigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachttoelage en dat aangezien de verzoekende partijen tegen deze wijzigingen geen nieuwe beroepen hebben ingediend of hun beroep niet hebben uitgebreid zij het actueel belang ontberen bij de huidige procedure, minstens wat artikel 44 van het bestreden besluit betreft, omdat dit integraal werd opgeheven en vervangen door het wijzigend besluit; XII-2601-3/6 Overwegende dat niet wordt betwist dat de bestreden regeling uitwerking heeft gehad; dat de verwerende partij evenmin aantoont dat de verzoekende partijen op grond van de gewijzigde reglementering genoegdoening hebben bekomen; dat de exceptie wordt verworpen;
- Ten gronde. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel afleiden uit de schending van artikel 84, eerste lid, 2/, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973, doordat de Vlaamse regering in de aanhef van het besluit de spoedeisendheid verantwoordt door de noodzaak voor de scholen om per 1 september 1999 hun personeelswerking binnen het door het decreet van 14 juli 1998 gewijzigde kader te kunnen aanpassen, terwijl deze spoedeisendheid uitsluitend het gevolg is van het eigen stilzitten van de Vlaamse regering; dat wordt toegelicht dat het decreet, waaraan het besluit uitvoering verleent, dateert van 14 juli 1998, dat het elf maanden duurde, met name tot 15 juni 1999 alvorens de minister van Onderwijs de Raad van State om een advies verzocht, dat na het advies van de afdeling wetgeving op 17 juni 1999 het nog bijna twee maanden duurde alvorens de Vlaamse regering op 31 augustus 1999 haar goedkeuring verleende en het besluit pas meer dan een half jaar later, met name op 7 maart 2000, werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad; dat zij besluiten dat de afdeling wetgeving van de Raad van State door de verwerende partij misleidend werd voorgelicht; Overwegende dat de verwerende partij daar tegenover stelt dat rekening houdend met de complexiteit en gevoeligheid van de materie en de verlofperiodes, het besluit met niet aflatende zorgvuldigheid tot stand is gekomen, dat er geen redenen zijn om de spoedeisendheid in twijfel te trekken, dat het tijdsverloop tussen de totstandkoming van het besluit en de publicatie in het Belgisch Staatsblad bij de beoordeling van de spoedeisendheid op zichzelf gezien niet als determinerend voorkomt en dat moet rekening worden gehouden met de tijd nodig voor de vertaling van de omvangrijke tekst en met het feit dat de gemeenschappen en de gewesten slechts op een zo spoedig mogelijke publicatie bij het bevoegd federaal bestuur kunnen aandringen, zonder de termijn zelf in handen te hebben; XII-2601-4/6 Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat het spoedeisend karakter, dat zij had ingeroepen op het ogenblik van de adviesaanvraag, achteraf, door omstandigheden, eigen aan de gebruiken van het departement Onderwijs, is weggevallen en dat het wegvallen van de spoedeisendheid na het inwinnen van het advies geenszins de spoedeisendheid ontkracht die werkelijk bestond op het ogenblik van het inwinnen van dit advies; dat zij uiteenzet dat de scholen tijdens de vakantiemaanden door omzendbrieven en mededelingen op de hoogte werden gebracht van de reglementering die zou van kracht worden bij het ingaan van het komende schooljaar; Overwegende dat dit betoog voorbijgaat aan het feit dat het reeds elf maanden geduurd heeft vooraleer de verwerende partij de Raad van State een advies vroeg over het uitvoeringsbesluit van het decreet van 14 juli 1998; dat ook na het advies geen spoed aan de dag werd gelegd om het besluit goed te keuren en te publiceren; dat het bestreden besluit, genomen op 31 augustus 1999, uiteindelijk slechts in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2000 werd bekendgemaakt; dat de verwerende partij niet aangeeft hoelang de vertaling op zich heeft laten wachten; dat zij evenmin aangeeft hoe en wanneer zij er bij de federale overheid heeft op aangedrongen om snel tot publicatie over te gaan; dat uit het door de verzoekende partij geschetste tijdsverloop blijkt dat de verwerende partij ten onrechte een spoedeisende adviesaanvraag heeft ingediend en ten onrechte heeft belet dat de afdeling wetgeving een volwaardig onderzoek aan de betrokken wettekst kon wijden; dat het versturen van omzendbrieven of mededelingen aan die vaststellingen geen afbreuk kan doen; Overwegende dat de verwerende partij niet op goede grond toepassing heeft gemaakt van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het besproken middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden de artikelen 25, 2/, 43, 44 en 56 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 1999 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling XII-2601-5/6 wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtweddetoelage. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Artikel
- Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op de zelfde wijze als de vernietigde reglementaire bepalingen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-2601-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.020 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.