id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.052 Rolnummer: A. 148533/XIV-18887 Zaak: Arrest 141052 - - 22/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 08:01 Fiche Arrest nr 141.052 van 22 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.052 van 22 februari 2005 in de zaak A. 148.533/XIV-18.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, op 20 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 januari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 november 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 26 januari 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; XIV-18.887-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 11 juli 1999 en zich voor de eerste maal vluchteling verklaart op 14 juli 1999; dat op 16 december 1999 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 21 februari 2000 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat op 16 november 2000 de verzoekende partij met een valse identiteit een tweede asielaanvraag indient, waarvoor op 26 september 2002 door de commissaris-generaal een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen; dat de verzoekende partij zich voor een derde maal vluchteling verklaart op 6 november 2003; dat op 17 november 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 22 januari 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U werd gehoord op 9 december 2003 en op 20 januari 2004 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die de Albanese taal machtig is. Het eerste gehoor op 9 december 2003 vond plaats in aanwezigheid van uw advocaat, mr. Gul Vahide loco mr. Karolien Van de Moer. Volgens uw verklaringen bent u een etnisch Albanese afkomstig uit Kosovo, meer bepaald uit Prilep (gemeente Deçan). U verliet Kosovo in maart 1999 samen met uw echtgenoot, XXX, omwille van de oorlog en kwam naar België, waar u een eerste asielaanvraag indiende op 14 juli
- Op 16 december 1999 werd daarvoor een beslissing tot weigering van verblijf genomen door de dienst Vreemdelingenzaken. Het commissariaat-generaal bevestigde deze beslissing tot weigering van verblijf op 21 februari
- Op 16 november 2000 diende u een tweede asielaanvraag in onder een valse identiteit, met name XXX, waarvoor op 26 september 2002 door het commissariaat-generaal een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen. U diende deze tweede asielaanvraag in omdat uw echtgenoot al jullie geld vergokte en u en uw kinderen geen eten meer hadden. U bent sinds 1999 nooit meer teruggekeerd naar Kosovo. Op 1 oktober 2002 scheidde u in België van uw echtgenoot omdat hij u en uw kinderen mishandelde. U belandde zelfs één keer in het ziekenhuis. U diende meermaals klacht in bij de politie, die uw echtgenoot dan één nacht vasthield en hem vervolgens weer liet gaan. U verbleef gedurende een jaar in een vluchthuis voor vrouwen in Assenede. Omdat uw eerste asielaanvraag op 3 oktober 2003 definitief werd afgerond, kreeg u geen steun meer van het OCMW en werd u ook uit het vluchthuis gezet. Vervolgens verbleef u een tijdje bij een vrouw uit Macedonië. Op 6 november 2003 diende u een derde asielaanvraag in. U wenst niet naar Kosovo terug te keren omdat u er geen woning hebt. XIV-18.887-2/6 Bovendien dreigt uw ex-echtgenoot ermee dat u vermoord zal worden indien u terugkeert naar Kosovo omwille van wat u over hem bij de Belgische politie hebt gezegd. U vreest vooral de broers van uw ex-echtgenoot die ook in Prilep wonen. Ten slotte lijdt uw oudste zoon aan epilepsie en kan hij in Kosovo niet voldoende medisch verzorgd worden. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. B. Motivering U hebt geenszins aannemelijk gemaakt daadwerkelijk uit Kosovo afkomstig te zijn. U beschikt ook geen enkel document dat uw afkomst of identiteit kan staven. In Kosovo zou u een Joegoslavische identiteitskaart en een geboorteakte gehad hebben, maar u slaagde er niet in deze documenten correct te benomen en te beschrijven. De geboorteakte benoemde u met de in Albanië gebruikelijke term ‘çertifikate’ (en u stelde dat u dit document bij volwassenen een foto zou staan (CGVS gehoorverslag p 6-7). In werkelijkheid zijn Joegoslavische geboorteaktes, in tegenstelling tot Albanese, echter niet voorzien van een foto. Bovendien kent u de gangbare, Servo-Kroatische benaming van een geboorteakte niet (CGVS gehoorverslag p 7) en herkende u deze Servo-Kroatische benaming ook niet als dusdanig (CGVS, p 9). De identiteitskaart duidde u aan met de termen die in Kosovo gangbaar zijn om te verwijzen naar een paspoort. Van de werkelijke benamingen (in het Servo-Kroatisch en het Albanees) voor een Joegoslavische identiteitskaart beweerde u dat u dat ze naar hetzelfde document verwijzen als een paspoort (CGVS gehoorverslag p 6, p 18; CGVS gehoorverslag p 14), terwijl in Kosovo een duidelijk onderscheid bestaat tussen een identiteitskaart en een paspoort. Verder dient opgemerkt te worden dat zowel uw geografische kennis van de regio waaruit u beweert afkomstig te zijn, als uw algemene kennis van Kosovo, te beperkt zijn om geloof te kunnen hechten aan uw beweerde afkomst. U beweerde dat het ongeveer 50 minuten duurt om van uw dorp Prilep naar Deçan te rijden met de auto (CGVS gehoorverslag p 3), terwijl de werkelijke afstand nog geen tien kilometer bedraagt. U weet niet waar uw gemeente, Deçan ligt in Kosovo of waar ze gesitueerd dient te worden ten opzichte van de hoofdstad Prishtina (CGVS gehoorverslag p 4-5). Gevraagd naar de namen van gemeenten grenzend aan de gemeente Deçan kon u niet antwoorden op de vraag omdat u niet begreep ‘hoe een gemeente omringd kan zijn door andere gemeenten’ (CGVS gehoorverslag p 4). Nochtans is het algemeen geweten dat Kosovo administratief onderverdeeld is in meerdere gemeenten. Behalve Gjakove, Prizren, Ferizaj en Pejë kent u geen enkel grote stad in Kosovo (CGVS gehoorverslag p 4-5). U noemde tevens Skopje als stad in Kosovo (CGVS gehoorverslag p 5), terwijl dit de hoofdstad is van Macedonië. De namen Klinë, Leposaviq, Lipjan en Suharekë herkende u niet (CGVS gehoorverslag p 5-6; p 13), terwijl het enkele voorname steden in Kosovo betreft en Suharekë bovendien dichter bij Deçan gelegen is dan het door u genoemde Ferizaj. Van Rahovec beweerde u dat het een dorp in de buurt van Prilep is (CGVS gehoorverslag p 6), terwijl het een stade op grote afstand van uw dorp betreft. Over Mitrovica vertelde u dat het een stad is dichtbij Deçan (CGVS gehoorverslag p 7), terwijl Mitrovica helemaal in het noorden van Kosovo gesitueerd dient te worden. Bovendien slaagde u er niet in Mitrovica correct aan te duiden op een blinde kaart van Kosovo (zie blinde kaart in bijlage bij het CGVS gehoorverslag). U haalde de naam ‘Drenica’ spontaan aan als zijnde een stad in Kosovo (CGVS gehoorverslag p 7), terwijl Drenica een regio is bestaande u meerdere dorpen en gemeenten. Gevraagd naar de namen van naburige dorpen van Prilep noemde u Gloxhan, Llukaj, Drenoc, Balaxhan enb Voksh. U slaagde er niet in nog meer voorbeelden te geven (CGVS, gehoorverslag p 6). Gevraagd of de namen Carrabreg, Rastavicië, Prekolluk en Baballoq u iets zeiden, antwoordde u dat Carrabreg en Baballoq dorpen zijn in de buurt van Prilep en dat Prekolluk en Rastavicë ook dorpen zijn die weliswaar verder gelegen zijn (CGVS gehoorverslag p 8). Prekolluk en Rastavicë zijn echter twee van de dorpen die het dichtst bij Prilep gelegen zijn en ze bevinden zich bovendien dichter bij Prilep dan Carrabreg en Baballoq. U verklaarde verder dat het voormalige Joegoslavië uit twee republieken bestond, een ‘grote republiek’ en een ‘kleine republiek’, maar u kon de namen van die republieken niet geven (CGVS gehoorverslag p 10), terwijl er zes republieken waren. U weet niet wat de kleuren van de Joegoslavische vlag zijn (CGVS gehoorverslag p 10). U kende, noch herkende elementaire woorden als straat, brood, huis en rivier in het Servo-Kroatisch (CGVS gehoorverslag p 16, p 21). De afkorting SUP zei u als naam van een instantie niets (CGVS gehoorverslag p 13), terwijl dit de algemeen gangbare afkorting is voor een in Kosovo alom bekende officiële (Servische) instantie. U kent geen enkele humanitaire organisatie die voor en tijdens de Kosovo-oorlog actief was in Kosovo in het bijzonder voor de etnisch Albanese bevolking (CGVS gehoorverslag p 16). Ten slotte wist u niet wie aan het hoofd staat van de LDK (Democratische Liga voor Kosovo) (CGVS, gehoorverslag p 21), terwijl deze partij alom bekende is in Kosovo omdat ze jarenlang de parallelle maatschappij van Kosovo beheerste. U beweerde dat Ibrahim Rugova de voorzitter is van de Democratische Partij van Kosovo (CGVS gehoorverslag p 19), terwijl algemeen geweten is dat hij de voorzitter is van de LDK. De informatie waarop ik mij beroep, is bij het administratief dossier gevoegd. Uit bovenstaande vaststellingen blijkt dat er geen geloof gehecht kan worden aan uw beweerde afkomst. XIV-18.887-3/6 Wat de problemen met uw ex-echtgenoot betreft die u hebt aangehaald in het kader van uw asielaanvraag, dd 6 november 2003 dient er op gewezen te worden dat dit problemen van interpersoonlijke (tussen privé-personen) en gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard betreft, die als dusdanig niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Ook in verband met de ziekte van uw oudste zoon dient opgemerkt te worden dat medische problemen als dus danig evenmin ressorteren onder het toepassingsgebied van het Vluchtelingenverdrag. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de menig toegedaan: dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen dat bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen: van de zorgvuldigheidsverplichting en van de rechten van verdediging. Manifeste beoordelingsfout. Dat door te stellen dat aan verzoeksters identiteit kan getwijfeld worden omdat verzoekster geen voldoende kennis heeft over Kosovo, verweerder de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, verzoeksters rechten van verdediging en de zorgvuldigheidsverplichting schendt. Dat verzoekster tijdens het verhoor op het commissariaat-generaal enkele kennisvragen aangaande Kosovo werden gesteld. Dat wegens het niet of foutief beantwoorden van enkele van deze vragen vervolgens verweerder zomaar afleidt dat verzoekster niet afkomstig is uit Kosovo. Dat verzoekster opmerkt, gezien de twijfel omtrent haar nationaliteit en identiteit, enkel een taalkundig en/of een uitgebreid deskundig wetenschappelijk onderzoek een onomkeerbaar uitsluitsel kan geven omtrent haar identiteit. Dat van een gespecialiseerde administratie zoals het commissariaat-generaal mag verwacht worden dat zij zorgvuldiger en met meer wetenschappelijke precisie haar beslissing motiveert. Dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is, wanneer deze stelt dat aan verzoeksters Kosovaarse afkomst geen geloof kan gehecht worden. Dat in geen geval rekening werd gehouden met de lage scholingraad van verzoekster (cr. verhoor CGVS, p 2). Dat evenmin werd rekening gehouden met de wraak van de familie van haar ex-echtgenoot omwille van wat zij over hem bij de Belgische politie heeft gezegd. Dat verzoekster als alleenstaande vrouw geenszins de bescherming kan inroepen van de in Kosovo aanwezige (internationale) autoriteiten, gezien haar vrouw-zijn, gezien de allomtegenwoordige corruptie en de machteloosheid van de in Kosovo aanwezige internationale troepen. Dat desondanks de aanwezigheid van een internationale troepenmacht tot (etnisch) geweld in Kosovo opnieuw oplaait (cf. Amnesty International report ‘Kosovo: KFOR and UNMIK fail tot uphold human rights standard’ dd 13.03.2000 http://web.amnesty.org (cf. stuk 2). Immers de in Kosovo aanwezig internationale troepenmacht is niet bij machte in de regio het geweld een halt toe te roepen en in Kosovo geen greep krijgt op het UCK (‘Kosovaars Bevrijdingsleger’), welke alles in het werk stelt om de amcht in handen houden. Dat Kosovo ‘est dominée par ‘l’anarchie qui laisse la violence s’exercer sans opposition’ celle-ci étant en grande partie attribuée à l’UCK, tandis que l’impunité règne au lieu de la XIV-18.887-4/6 justice’ (cf. stuk 2, Le courrier, 10.03.2000, Noam Chomsky, ‘Un an après le ‘guerre du Kosovo’, http://www.fastnet.Ch/PAGE2/chomsky/p2-pstface.html) (cf. stuk 3). Dat derhalve, gezien verzoekster onmogelijk in har land de bescherming kan inroepen van de in Kosovo aanwezige (internationale) autoriteiten, wegens haar vrouw-zijn, als gevolg van de alom tegenwoordige corruptie en de machtloosheid van de in Kosovo aanwezige internationale troepen, haar vrees voor vervolging door de familie van haar ex-echtgenoot wel degelijk ressorteert onder de criteria van de Vluchtelingenconventie. Dat derhalve verweerder de bestreden beslissing niet afdoende motiveerde en een manifeste beoordelingsfout begaat wanneer deze stelt dat verzoeksters asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband zou houden met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen.”; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing ken doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat uit het verhoorverslag van het commissariaat- generaal en de bestreden beslissing blijkt dat de vragen aan de verzoekende partij over haar eigen administratieve stukken en haar algemene kennis over Kosovo en de geografie van Kosovo dermate fundamenteel en eenvoudig waren dat de verzoekende partij in staat mocht worden geacht ze correct te beantwoorden, indien zij werkelijk uit Kosovo afkomstig was, dit ongeacht haar scholingsgraad; dat er derhalve geen reden was om de verzoekende partij te onderwerpen aan een “deskundig wetenschappelijk onderzoek”, zoals zij thans vraagt; dat over de verwijzing naar de algemene (onveilige) toestand in Kosovo en de wraak die de familie van de ex-echtgenoot van de verzoekende partij wenst te nemen, de verzoekende partij zich beperkt tot algemene beweringen die zij niet uitwerkt aan de hand van concrete en individuele gegevens; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet van vreemdelingen is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende, wat de aangevoerde schending van de rechten van verdediging betreft, dat de bestreden beslissing geen jurisdictionele, doch een XIV-18.887-5/6 administratieve beslissing is, die niet genomen is in het kader van een tuchtrechtelijke procedure; dat de rechten van verdediging er daarom niet op van toepassing zijn; dat het middel in die mate onontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.887-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.052 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.