id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.054 Rolnummer: A. 112455/XIV-7202 Zaak: Arrest 141054 - - 22/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 08:01 Fiche Arrest nr 141.054 van 22 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.054 van 22 februari 2005 in de zaak A. 112.455/XIV-7.202 In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat F. OMARI, kantoor houdende te 4100 SERAING, rue de Rotheuse 39 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Joegoslavische nationaliteit, op 3 november 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 oktober 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 7 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-7.202-1/6 Gelet op de beschikking van 14 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat F. OMARI verschijnt voor de verzoekende partijen, van adjunct-adviseur B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 8 augustus 1999 en zich vluchteling verklaren op 9 augustus 1999; dat op 3 augustus 2000 de minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van beiden beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 5 oktober 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn, die als volgt zijn gemotiveerd: - Inzake de eerste verzoekende partij: “Volgens uw verklaringen ten overstaan van de dienst Vreemdelingenzaken bent u een etnische Albanees afkomstig uit Kosovo, meer bepaald uit Cerce (gemeente Istog). Omwille van de oorlog in Kosovo besloot u op 15 april 1999 samen met uw moeder, XXX en uw echtgenote en drie kinderen naar Albanië te vluchten. Daar verbleef u gedurende drie maanden in een vluchtelingenkamp. Omwille van de slechte levensomstandigheden reisde u vervolgens verder naar België waar u aankwam op 8 augustus 1999 en waar u de volgende dag asiel aanvroeg. U beschikt niet over enig (Joegoslavisch) identiteitsdocument. U stelde op de dienst Vreemdelingenzaken (nog) niet naar Kosovo te willen terugkeren omdat het er nog niet veilig zou zijn en omdat u twintig dagen voor uw vertrek uit Kosovo een oproeping zou gekregen hebben van het Kosovo Bevrijdingsleger (UCK), waar u niet op ingegaan was. In uw verzoekschrift inzake uw dringend beroep (dd 7 augustus 2000) haalde u verder nog aan dat uw broer lid was van het UCK, dat er in Kosovo politieke wraakacties zouden worden uitgevoerd en dat uw dochter E medisch gevolgd wordt omwille van een risico op wiegendood. In verband met dit laatste feit beschikt u over een medisch attest dd 20 juli
- Er dient te worden opgemerkt dat u geen feiten of elementen hebt aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat u momenteel bij een eventuele terugkeer naar Kosovo risico loopt op een persoonlijke en systematische vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Reeds op het moment dat u Albanië verliet was de toestand in Kosovo immers al gevoelig gewijzigd. De door u ingeroepen vrees met betrekking tot de algemene Servische repressie ten aanzien van de Albanese gemeenschap in Kosovo is niet meer actueel. Overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999 hebben de Servische troepen en autoriteiten zich immers uit Kosovo teruggetrokken en werd de regio onder internationaal toezicht en bestuur geplaatst. De internationale gemeenschap leverde reeds ernstige inspanningen om de orde en rust te herstellen met het oog op de normalisering van het dagelijks leven in Kosovo. XIV-7.202-2/6 Wat de door u aangehaalde vrees betreft omwille van het feit dat u niet zou ingegaan zijn op een oproepingsbevel van het UCK dient er op gewezen te worden dat deze vrees louter hypothetisch is en dat u bovendien geen feiten of elementen hebt aangehaald waaruit blijkt dat u omwille van criteria van de Vluchtelingenconventie in het geval van eventuele moeilijkheden geen beroep zou kunnen doen op bescherming vanwege de aanwezige lokale en internationale autoriteiten. De medische toestand van uw dochter ten slotte kan in casu niet gezien worden in het licht van een (vrees voor) vervolging in de zin van de Geneefse Conventie. Bovendien wordt in het medisch attest dat u bij uw verzoekschrift inzake uw dringend beroep voegde (dd 20 juli 2000) gewag gemaakt van een noodzakelijke (medische) opvolging van een jaar, periode welke momenteel verstreken is. Aangezien uit uw opeenvolgende verklaringen (verhoor dienst Vreemdelingenzaken en verzoekschrift inzake uw dringend beroep) voldoende blijkt dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is meen ik dat het niet noodzakelijk is u te horen.”; - Inzake de tweede verzoekende partij: “Volgens uw verklaringen ten overstaan van de dienst Vreemdelingenzaken bent u een etnisch Albanese afkomstig uit Kosovo, meer bepaald uit Cerce (gemeente Istog). Op 15 april 1999 zou u Kosovo verlaten hebben richting Albanië, waar u gedurende ongeveer drie maanden gebleven zou zijn. Vervolgens zou u verder gereisd zijn naar België, waar u aankwam op 8 augustus 1999 en waar u een dag later asiel aanvroeg. Er dient te worden opgemerkt dat u zich ter staving van uw asielaanvraag voornamelijk baseert op dezelfde motieven als diegene die werden aangehaald door uw echtgenoot, XXX. Daarnaast haalde u ook nog aan niet naar Kosovo te kunnen terugkeren omwille van het feit dat uw bezittingen in Kosovo vernield zijn. In het kader van het door uw echtgenoot ingediende dringend beroep heb ik echte een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Het feit dat uw bezittingen vernield zouden zijn is bovendien een probleem van louter socio-economische aard dat als dusdanig niet ressorteert onder het toepassingsgebied van de Geneefse Conventie. Bijgevolg kan ook wat u betreft niet besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Aangezien uit uw opeenvolgende verklaringen (verhoor dienst Vreemdelingenzaken en verzoekschrift inzake uw dringend beroep) voldoende blijkt dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is meen ik dat het niet noodzakelijk is u te horen.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren, dat luidt als volgt: “Eerste middel: Het eerste middel dat verzoekers aanvoeren wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 1, A en artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Doordat door verwerende partij de administratieve beslissing dd 5.10.2001 genomen heeft op basis van de afwezigheid van een systematische vervolging in haar vaderland. Terwijl naar luidt van de ingeroepen wetsbepalingen, de verwerende partij aan verzoekers de toelating van verblijf in het land had moeten verlenen, gezien verzoekers onder de toepassing van artikel 1, A van de Conventie van Genève dd 1951 vallen aangezien er een zekere vrees voor systematische vervolging bestaat, indien zij naar hun vaderland moet terugkeren. Bespreking Verwerende partij motiveert haar bestreden weigeringsbeslissing van 05.10.2001 door te stellen dat verzoekers in hun verklaringen geen feiten of elementen hebben aangehaald waaruit blijkt dat zij bij een eventuele terugkeer naar Kosovo een risico loopt op een systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Reeds op het moment dat verzoekers Albanië verlieten was de toestand in Kosovo immers als gevoelig gewijzigd. De door verzoekers ingeroepen vrees met betrekking tot de algemene Servische repressie ten aanzien van de Albanese gemeenschap in Kosovo is niet meer actueel. Overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 Juni 1999 hebben de Servische troepen en autoriteiten zich immers uit Kosovo teruggetrokken en werd de regio onder internationaal toezicht en bestuur geplaatst. De internationale gemeenschap leverde reeds ernstige inspanningen om de orde en rust te herstellen met het oog op de normalisering van het dagelijks leven in Kosovo. Uit de actualiteit blijkt nochtans dat het dagelijks leven in Kosovo nog niet genormaliseerd is. XIV-7.202-3/6 De veiligheid is nog niet op punt en de Serviërs hebben zich nog niet volledig teruggetrokken. Het feit dat het bestuur en de controle van Kosovo in handen is van de internationale gemeenschap is het beste bewijs dat er nog steeds problemen zijn in Kosovo. Verzoekers, als behorende tot de Kosovaarse gemeenschap zijn geviseerde personen in de zin van het Verdrag van Genève gezien er een risico bestaat indien zij besluiten toch in hun land van herkomst terug te keren, zij vermoord zouden worden omwille van hun etnische afkomst. De vrees voor zo’n vervolging is reëel indien verzoekers naar hun vaderland zouden moeten terugkeren.”; 2.1.
- Overwegende dat de commissaris-generaal, wanneer hij in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag, op basis van de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan oordelen dat een vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van die wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten wordt in die hoedanigheid in het rijk te verblijven wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, (A) 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); Overwegende dat de door de commissaris-generaal gemaakte beoordeling van de actuele toestand in Kosovo steunt op de toepassing van resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; dat de verzoekende partijen deze vaststelling van de actuele toestand niet betwisten; dat de verzoekende partijen enkel met de verwijzing naar “de actualiteit” en de algemene stelling “dat er nog steeds problemen zijn in Kosovo” niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissingen zijn gesteund op onjuiste feitelijke gegevens of zijn genomen op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de commissaris-generaal krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet beschikt; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een tweede middel aanvoeren, dat luidt als volgt: “Tweede middel: Het tweede middel is afgeleid uit de schending van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en meer bepaald de motiveringsplicht. Doordat door verwerende partij de administratieve beslissing van 05.10.2001 werd genomen op een al te gemakkelijke manier zonder nadere ondervraging en verder onderzoek, en dat verwerende partij niet op een redelijke wijze gekomen is tot deze beslissing. Terwijl in toepassing van hoger vermelde rechtsbeginsel, wanneer een administratieve beslissing wordt genomen, zijnde een beslissing met bevel om het grondgebied te verlaten, terwijl een groot gevaar bestaat voor vervolging in de zin van art. 1, A van de Conventie van Genève, gelet op de huidige toestand van haar vaderland, het aangewezen is dat hiervoor toch een andere ondervraging en verder onderzoek wordt gelast. XIV-7.202-4/6 Bespreking Uit de uiteenzetting van verzoekers blijkt overduidelijk dat zij hun land van herkomst hebben verlaten omwille van de oorlog. Eerste verzoeker vreest ook wraak van de UCK om redenen dat hij niet ingegaan is op de oproeping van deze organisatie. Er worden trouwens in Kosovo politieke wraakacties uitgevoerd. Hierop antwoordt de verwerende partij dat de situatie gevoelig gewijzigd is. Verwerende partij baseert zich dus op de zogezegde verbetering van een algemene situatie om te beslissen dat wat verzoekers betreft geen gegronde vrees voor vervolging bestaat. Zij gebruikt een algemene formulering om de asielaanvraag van verzoekers te weigeren. Bovendien stelt zij dat de vrees van eerste verzoeker tot vervolging door de leden van de UCK louter hypothetisch. Vanaf het moment dat de verwerende partij niet betwist dat er politieke wraakacties worden uitgevoerd door leden van de UCK kan zij moeilijk volhouden dat de vrees van eerste verzoeker hypothetisch is. Er dient dan ook een schending van de motiveringsplicht als opgelegd door art. 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en art. 52 en 62 van de Vreemdelingenwet vastgesteld te worden. Verwerende partij heeft niet voldoende redenen aangehaald om de bescherming van art. 1, A van de Conventie van Genève af te wijzen.”; 2.2.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel enkel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partijen zich beperken tot de negatie van de gevolgtrekkingen van de commissaris-generaal en tot de bevestiging van hun eigen standpunt dat zij hun land hebben verlaten omwille van de oorlog en dat zij wraakacties vrezen vanwege het Kosovo Bevrijdingsleger; dat voor het overige kan verwezen worden naar de bespreking van het eerste middel; dat de verzoekende partijen aldus niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissingen zijn genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris-generaal is gegeven; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van XIV-7.202-5/6 artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-7.202-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.